4176054859

Van de drukte der tienduizend naar bijna net zoveel mensen -althans in de verbeelding van de kunstenaar- bij dit grote altaarstuk dat rondom ‘De aanbidding van de Drieëenheid’ is ontworpen.

Je kreeg de opdracht van het Zwölfbrüderhaus’, een huis voor twaalf ‘aged’ and ‘indigent’ Nuremberg citizens, kortom van rijke lieden die een rustige oude dag met een extra hemelse verzekering wilden bevestigen. Matthaeus Landauer, naar wie het werk werd genoemd, was een van de opdrachtgevers, samen met de verder onbekende Erasmus Schildkrot. Niet alleen het altaarstuk was je opdracht maar ook de majestatische kader en een glasraam met een afbeelding van de milde maar nederige opdrachtgever.  Landauer staat ook op het schilderij, en we hebben ook nog een prachtige tekening van hem, een wijze oude man die veel gezien had en nu zijn ogen op het mysterie van de Drievuldigheid wilde richten.

In 1508 was de kapel klaar voor de decoratie maar de ongeduldige Jacob Heller wilde eerst en vooral zijn altaarstuk dat we hier niet zullen bespreken omdat we te veel op veronderstellingen moeten steunen vermits ik jou wel kan aanspreken maar jij me helaas niet kunt corrigeren of verder helpen tenzij door je werk, en dat is ook al heel wat.

3925930524

Zo kwam het schilderij en de rest pas in 1511 op zijn plaats en we lezen de opdracht: ‘Mathes Landauer hat entlich volbracht das gotteshaus der tzwelf bruder samt der stiftung un dieser thafell nach xpi gepurd MCCCCXI Jor.’

De kapel was toegewijd aan de Drievuldigheid en Allerheiligen en dat was tegelijkertijd het programma van het altaarstuk.

Centraal de Vader die zijn gekruisigde zoon toont waarachter twee engelen een groen doek openhouden alsof het reusachtige vleugels zijn.  Boven het hoofd van God de Vader de duif, symbool van de Geest. Andere engelen brengen allerlei instrumenten van de Passie aan.

De aarde ligt heel ver weg, diep onder al dit hemels gebeuren. Een leeg lichtend landschap uitgezonderd dan de persoon van de artiest met een bordje waarop zijn handtekening staat.

805897531

Het hemelse bestaat uit twee groepen die geleid worden door de heilige Maagd en Johannes de Doper. In de nabijheid van de Maagd de gekende heiligen zoals Barbara, Agnes, Catherina en Dorothea.

Bij Johannes zie je de stoet met personages uit de voor-Christelijke tijd: Mozes, David, een profeet  in een hermelijnen mantel (denk aan Zacharias in Jan van Eyck’s Gentse altaarstuk) vijftien andere profeten en een aantal vrouwen die waarschijnlijk profetessen en sibylles zijn.

De lagere gebieden van de hemel op je schilderij heb je gevuld met mannen vrouwen die je niet als heiligen kan beschouwen.  Wel  zijn het kerkelijke gezagsdragers en leken van alle standen, -er is zelfs een boer bij met zijn vlegel-

en leden van de Landauer en Haller familie. Landauer zelf zie je op de rechterrand (gezien vanuit ons standpunt)

Om het altaarstuk goed te begrijpen moeten we even terug naar Augustinus die einde vijfde eeuw zijn leer over de Drievuldigheid schreef en wiens werk einde dertiende eeuw danig opgeld maakte in een revival die tot op dit doek zijn sporen heeft achtergelaten.

180088916.2

Voor Augustinus was God noch de Vader, noch de Zoon of de Heilige Geest, maar de ene ware God, de Drievuldigheid zelf.  En hij was het die over de ‘stad van God’ schreef (De Civitate Dei) en dit begrip kwam terug tot in de miniaturen die het laatste boek van Augustinus’ stellingen beschreef. ‘Het koninkrijk waar elke burger onsterfelijk is.’ Dat was de interpretatie van het paradijs die je terugvindt in het Gentse altaarstuk en in het werk van Stefan Lochner en Rogier van der Weyden. Dat beeld zie je ook al verschijnen in het Parijse Boek der Uren.

De stad of staat van God vindt zijn centrum in de Drievuldigheid. Gesticht door Abel en beheerd door Christus terwijl de ‘terrena civitas’, de stad of staat van de aarde door Kain was gesticht en door de Duivel werd bestuurd.

Volgens Augustinus bestaat de stad van God gedeeltelijk in de hemel en gedeeltelijk op aarde.

De stad van God valt niet samen met de zichtbare Kerk, als deel van een aardse institutie, maar is groter of kleiner door de geest van de ‘terrena civitas’ en je komt er zowel het kwaad als het goede tegen. Groter is ze dan de grenzen van het materiële universum en ze reikt verder dan de grenzen van de Christelijke tijdperk.

De twee steden zijn door elkaar gemengd, zodat je niet weet waar de ene of de andere begint of eindigt, maar deze mengeling zal eindigen met het Laatste Oordeel.  Daar zullen degenen die niet in het boek van het Leven zijn ingeschreven voor eeuwig branden in de hel. De anderen echter zullen voor altijd bij de heiligen en de engelen zijn, niet meer in staat om te zondigen.  Ze zullen rusten en zich verheugen voor het aangezicht van God.

1536318587.5

In dit werk verzoen je, of beter maak je een synthese van twee visies daaromtrent.  De ene uit de traditie van de Cité de Dieu en meer recent de iconografie van het Feest van de Rozenkrans.  Beiden verdelen de burgers van de van Stad van God in twee klassen, maar ze zien deze verdeling als een dualisme, een nog niet opgelost raadsel.  Het bovenste gedeelte is het ‘Cour Céleste’ waar de hemelse burgers van de stad van God wonen.  De lagere zone zoals in het Feest van de Rozenkrans, beschrijft de Christelijke gemeenschap zoals ze op aarde leeft, in afwachting van de Wederkomst wanneer de stad van God bevrijd wordt van wat Augustinus noemt ‘hic temporum cursus’ en de hemelse en aardse bewoners verenigd worden om ‘te rusten, te zien, te beminnen, te beminnen en te prijzen.’

Dat is het beeld waarop je altaarstuk anticipeert, een prelude op de vereniging van beide steden en alles vervuld wordt wat hier al is voorzien.

Je doek wordt een poort (a gateway) waarin we in de ruimte van het schilderij kunnen binnenkomen waar jij als enige al in de ‘terra nova’ staat, in een landschap waarin net de zon is opgekomen.  Het oordeel is voorbij.

215604449

Wat je hier hebt bereikt gaat verder dan in ‘de Apocalyps’, is meer visionair. Het schilderij heeft in feite twee horizons, eigen aan een apart perspectief, het hemelse en het aardse. Je geeft ons de mogelijkheid om vanuit het aardse perspectief al in het hemelse binnen te kijken.

Volgens Panofsky was Rafaël de enige die een gelijkaardige impressie kon oproepen in zijn ‘Sistine Madonna’, de madonna van San Sisto die naar ik denk spijtig genoeg aan iconografische originaliteit heeft ingeboet door haar overdadig verschijnen sinds jij van deze bol verdwenen bent. De hemel zijn we vergeten, maar de engeltjes onderaan kunje terugvinden tot in ‘den treure’.

De kunst zou ons moeten helpen iets hoger te kijken.  Of we echter nog deze mooie jonge vrouw met kind als moeder van God beschouwen blijft een open vraag in een iconografische arme tijd wat religieuze kunst betreft, al is dat woord inderdaad een contradictio in terminus want elke kunst, hoe absurd ook, zou een beeld van die ‘poort’ hebben, dat ‘venster’ waarin een inkijk op essenties wordt geboden.

Of is het een kwestie van kijken?  Oculos habent.. Zijn beelden -ook in de beeldende kunst- aan slijtage onderworpen?  Verliezen ze hun magie?  Kunnen we verder (of dieper) kijken dan de kunsthistorische karakteristieken of moeten we eerlijk toegeven dat ze hun ‘tijd’ hebben gehad.  Kunnen we in deze overvolle beeldentijd nog iets met beelden van vijfhonderd jaar geleden?  Vragen die in een volgende bijlage aan bod komen.

Mooi beeldenmateriaal vind je bij http://www.wga.hu/bio_m/d/durer/biograph.html