melancholia.jpg

Vanuit de bijna knusse studeerkamer van de heilige Hieronymus is het een hele stap naar je donkere wereld van ‘Melencolia I’, de derde van de‘Meisterstiche’.

1.28

De gevleugelde Melencholia is alleen vergezeld van een chagrijnige putto, gezeten in een onaf bouwwerk, dichtbij de zee. Het kleine ding krabbelt iets op een leisteen, zij zit samengedrukt in het maanlicht (as can be inferred from the cast-shadow of the hourglass on the wall) en het lugubere schelle licht  van een komeet, omcirkeld door een maanachtige regenboog. Zonder aandacht voor haar kleding, met omkranst haren, rust haar hoofd op haar hand en met de andere hand houdt ze onachtzaam een passer vast, haar voorarm liggend op een gesloten boek.  ‘Here eyes are raised in a lowering stare. (156)

1.29

In wanorde liggen allerlei parafernalia rond haar, een duidelijk kontrast met de orde in de bezittingen van de heilige Hieronymus. 

Tegen het onafgewerkte gebouw hangt er een weegschaal, een zandloper en een bel waaronder het zogenaamde magische vierkant  in de muur is uitgekapt. Aan de andere kant van het stenen gebouw zie je een ladder die duidelijk maakt dat het bouwwerk nog niet af is. 

1.30

De grond is letterlijk bezaaid met gereedschappen die bij het architectenvak en de timmermanskunst schijnen te horen. De slijpsteen (waarop de putto zit), een schaaf, een zaag, een liniaal, gebruikte nagels, een paar tangen, een hamer, een kleine smeltpot (wellicht om lood te smelten) met een paar klemmen om de hete kolen te poken, een inktpot en een pennendoos, en half verborgen onder het kleed van Melencholia een werktuig dat je -op basis van een houtsnede van Hans Döring- als het uiteinde van een blaasbalg kunt duiden.

Twee objecten zijn niet zo zeer werktuigen als wel symbolen van het onderliggende wetenschappelijke princiepe van de architectuur en het timmermanschap:  een gedraaide houten bol en een gekapte rhombo-hedron van steen.  Zoals de zandloper, de weegschaal, het magische vierkant en de passer zijn zij het bewijs dat de aardse ambachtsman net zoals de ‘Architect van het Universum’ in zijn werk gebruik maakt van wiskundige wetten, dat is, zoals Plato’s zegswijze in het ‘Boek van Wijsheid’: meten, nummeren en wegen.

1.30

Panofsky verwijst naar de Oxford dictionary om de bepaling van melancholie te omschrijven:

‘mental depression, lack of cheerfulness; tendency to low spirits and brooding (piekeren); depressing influence of a place, etc.’

Hier verwijst Panofsky naar de leer van de klassieke vier ‘humors’ (vochten) die al in voege was op het einde van de Klassieke Oudheid.  Lichaam en geest werden door vier basis-vloeistoffen bepaald die op hun beurt samenvielen met de vier elementen, de vier winden (of ruimte-bepalingen), de vier seizoenen,  de vier tijdstippen van de dag, en de vier fasen van het leven. ‘Choler’ of gele gal werd geassocieerd met het element vuur en zou in verband staan met de eigenschappen van hitte en droogte.  Anderzijds ‘Slijm’ (flegma)  zou vochtig en koud zijn als water en werd in verband met de noorderwind gebracht, met winter, nacht en ouderdom.
Het bloed, vochtig en warm was zoals lucht, zoals de zoele zuiderwind, de lente, de morgen en de jeugd. Het melancholy sap (van het Griekse melaina Xolos, zwarte gal) stond in verband met de ruwe stormwind, met herfst, avond en leeftijd van rond de zestig.

33020137

Jij had zelf al dit kosmologisch schema geïllustreerd in een van de houtsnedes  voor Conrad Celtes waarin echter de winter en het melancholysap samengingen, in plaats van de herfst, en het slijmerige met herfst in plaats van de winter -een begrijpelijke concessie gezien het klimatologisch verschil tussen Duitsland en het Oude Griekenland.

‘In an ideal or absolutely healthy human being these four humors would be perfectly balanced so that none would predominate over the others. But such a human being would be immortal and free from sin, and we know that both these advantages were irretrievably forfeithed by th Fall of Man.  In practice, therefore, one of the four humors prevails over the others in every individual, and this determines his or her entire personality.  Apart from the fact each of the humors assert itself, quite generally, according to the course of the year, the day and the human life -we stil speak of ‘sanguine youth’ or ‘the melancholy of autumn’ – every man, woman and child is constitutionally either a sanguine, or a choleric, or a melancholic, or a phlegmatic.’ (157-158)

vervolgt