06_01_marsilio_ficino_web.jpgEr moeten nog drie vragen beantwoord worden.
Eerst, met welk recht kon Dürer een spirituele tragedie vervangen door wat een symbool van  lethargie en stompzinnigheid van een inferieur temperament had moeten zijn?
Ten tweede, op welke gronden kon hij het idee van melancholie associëren ja zelfs identificeren met dat van de meetkunde?
Op de derde plaats: wat betekent het Romeinse cijfer I dat achter ‘Melencolia’ staat?

Het antwoord op de eerste vraag ligt in het feit dat het ganse concept van melancholie herzien werd, of eerder omgekeerd, door Marsilio Ficino, de leidende kracht van de Neo-Platonische ‘Academie’ in Florence.
Deze nieuwe doctrine, ontwikkeld in Ficcino’s ‘Brieven’ en concluderend geformuleerd in zijn verhandeling ‘De Vita Triplici’ had zowel in Duitsland als in Italië een groot succes.
De ‘Brieven’ werden door Koberger gepubliceerd en de twee eerste boeken van de drie ‘Libri de Vita’ werden zelfs in het Duits vertaald.
Van deze ontwikkeling was Dürer zeker op de hoogte, zeker wat de ‘Platonische Ideeën’ betrof van voor 1512.

Marsilio Ficino, zelf een man met een delicate gezondheid een melancholisch temperament probeerde de reële en vermeende moeilijkheden  van zijn ‘humour’ (temperament) door de eigentijdse middelen als oefeningen, regelmatig werkritme, een zorgvuldig dieet en muziek te verhelpen.
(Dürer trouwens raadde de liefelijke tonen van de luit aan voor het geval een jonge schilder zou overwerken, waardoor zijn ‘melancholie’ zou versterkt worden.)
Marsilio_Ficino.jpg
Ficino vond echter grotere troost bij een Aristotelisch ‘ discours waarvan het ideeëngoed oorspronkelijk door scholastieke filosofen werd verdedigd en dat er niet in geslaagd was de afkeer en schrik  voor melancholie te veranderen.
Hij maakte een briljante analyse van wat je de psycho-fysiologie van de menselijke grootheid zou mogen noemen (Problemata, XXX, 1), en verdeelde  de melancholici in twee groepen: de ronduit  zieken en daartegenover de werkelijke  melancholici vanuit de natuur, te herkennen door een eigen prikkelbaarheid die ofwel hun gedachten en emoties overstimuleerde ofwel lamlegde, en die hen bij het nalaten van controle tot werkelijke gekte of zwakzinnigheid kon brengen. Ze liepen op een smal pad tussen twee afgronden, maar juist door dit risico-gedrag een hoger level dan ordinaire stervelingen konden bereiken.
Als zij erin slaagden hun evenwicht te bewaren zodat ze ‘hun afwijking  in een uitgebalanceerde en mooie manier konden uitdrukken’ zoals Aristoteles dat fraai verwoordde, dan konden ze nog in een depressie of in een geëxalteerde staat komen, maar overtroffen ze alle andere mensen. ‘All truly oustanding men, whether distinguished in philosophie, in statecraft, in poetry or in the arts, are melancholics – some of them even to such an extent that they suffer from ailments induces by the black gall’. (165)Cosimo_Rosselli2.jpg

De Florentijnse Neo-Platonici merkten vlug dat de Aristotelische doctrine hen een wetenschappelijke basis voor Plato’s theorie van ‘de goddelijke razernij’ kon leveren: een uitleg voor het resultaat van het ‘melancholisch ‘humour’, dat Aristoteles had vergeleken met dat van sterke wijn, scheen hiermee verklaard te worden, of minstens overeen te stemmen met deze ‘mysterieuze extase’  die het lichaam doet verstijven en bijna het lichaam doodt bij deze zielsverrukking.
Zo werd de uitdrukking ‘furor melancholicus’ een synoniem met ‘furor divinus’. Wat een ramp leek, in zijn mildste vorm een handicap, werd een voorrecht, nog gevaarlijk maar verheven: het privilegie van het genie.
Eens dit idee, ten zeerste vreemd voor de Middeleeuwen waar mensen heiligen konden worden maar nooit ‘goddelijk’, herboren werd onder de bevoegde auspicieën van Aristoteles en Plato, verkreeg de nog toe geminachte melancholie een stralenkrans van het sublieme.
Grote prestaties waren automatisch met melancholie verbonden, en zelfs van Rafaël werd gezegd dat hij ‘malinconico come tutti gli huomini di questa eccelenza’ was. En weldra beweerde de aanhangers van Aristoteles dat alle grote mannen melancholici waren, en zelfs omgekeerd alle melancholici grote mannen. ‘Malencolia significa ingegno’ (Melancholie is eigen aan het genie)
Hoe melancholischer dichters en schilders waren des te groter was hun talent en het zal ons niet verwonderen dat sommigen middelmatige geesten per se melancholisch-zijn wilde aanleren zoals je nu bridge of tennis kunt leren. Een climax daarvan vind je in Shakespire’s figuur van Jaques (As you like it) die het masker van de melancholie als een mode hanteert om indruk te maken, en dat om te maskeren dat hij in feite niets voorstelt.
Maar hij kan het, bij monde van zijn auteur wel fraai verwoorden.

brent-carver-as-jacques.jpg

All the world’s a stage,
And all the men and women merely players:
They have their exits and their entrances;
And one man in his time plays many parts,
His acts being seven ages. As, first the infant,
Mewling and puking in the nurse’s arms.
And then the whining school-boy, with his satchel
And shining morning face, creeping like snail
Unwillingly to school. And then the lover,
Sighing like furnace, with a woeful ballad
Made to his mistress’ eyebrow. Then a soldier,
Full of strange oaths and bearded like the pard,
Jealous in honour, sudden and quick in quarrel,
Seeking the bubble reputation
Even in the cannon’s mouth. And then the justice,
In fair round belly with good capon lined,
With eyes severe and beard of formal cut,
Full of wise saws and modern instances;
And so he plays his part. The sixth age shifts
Into the lean and slipper’d pantaloon,
With spectacles on nose and pouch on side,
His youthful hose, well saved, a world too wide
For his shrunk shank; and his big manly voice,
Turning again toward childish treble, pipes
And whistles in his sound. Last scene of all,
That ends this strange eventful history,
Is second childishness and mere oblivion,
Sans teeth, sans eyes, sans taste, sans everything.

 (Act 2, Scene VII)