KONING (4)

low angle photography gray sky

Abakanowicz_Winged_Brother_Full_Size_2005-2006_bronze_200_x_53_x_80_cm.jpg

Ontloopt hij mensen,
met katten praat hij,
verhalen voor de overkant verzint hij
op de mondharmonika die hij als jongen van zijn moeder kreeg,
zoals hij nu een ipod-touch aan zijn kleinkind geeft:
op de overtocht naar het noorden,
ver van huis heb je muziek meer nodig
dan de vertrouwde geur van nestwarme woorden.

Op zee,
wolken en water ontnemen je elke vastigheid.
Het leven, jochies, zal zwalpen zijn.
Zout op je lippen,
de haven van je hart kan het gekrijs van gulzige meeuwen best verdragen.
Heimwee naar nabijheid jaagt je het zeegat uit,

nergens is de verte zo intiem als op zee.

Onderweg heeft hij veel woorden uitgegooid,
ankers en tongriemen,
landzucht en levertraan voor ogen die met sterren de koers bepalen,
terwijl de meeste nachten stormwolken het heelal beperken
tot je broekzak waarin je gps je radeloosheid bespot.

Wrakhout van zijn vroegere vaartuigen, de wanden van huisje kantje boord,
branden als een baken voor oeverloze zielen.
Ook het klagen van de misthoorn is muziek.

(het beeld ‘winged brother is van de Poolse kunstenares Magdalena Abakanowicz)

low angle photography gray sky
Photo by Summer Stock on Pexels.com

KONING (3)

ishot-2.jpg




Ook was hij niet bang in het cocon van elke seconde
het bestaan te koesteren.
De druppel.
Het juni-groen van varens en liguster
die winterkou trotseerden.
Niet bang dienstbaarheid, het nut
uit zijn open handen te laten vallen.
Niets splintert zo zilverwit in kruimels
als vooropgestelde doelen en droog gebakken analyses.

Hier zijn de kattenkoppen zijn voorbeeld.
Schrijf ze liefelijkheid noch wreedheid toe.
Matig de diepte van hun glanzende ogen,
misprijs hun scherpe klauwen niet.

Zij bestaan
in de uitgestrektheid van het ogenblik.
Zij dienen geen ideeën,
noch willen zij een kudde leiden.
Zij vervullen hun bestaan, geheiligd door de goden,
die hen besef van eindigheid onthielden.

Kennen zij de doodsangst niet,
ook haar camouflage, de  hunkering naar schoonheid,
is hen vreemd.
Van snor- tot staartpuntje vervullen zij het kattenleven
waarin de mens hun dienaar en hun speeltje is.

Misprijzen voor degenen die hen kunstjes willen leren,
leven zij bij gratie van zichzelf.
Met mensen mee bestuderen zij hun tweepoters,
lossen ze hun liefde wanneer ze hen vernederen
tot een spinnende vacht,
een tuintijger met een overschot aan kopjes geven,
een eilandje rust in het jachtig mensengedoe.

Thomas Gainsborough – The Artist’s Daughters with a Cat

Wie goed kijkt, leest spot en ernstig spel
in hun weerkaatsende ogen.
Ze stinken uit hun bek.
Vlooien huizen in hun vacht.
Schaamteloos kotsen zij op het tapijt.
Zij kennen de trucken van de foor om hun doelen te bereiken.
In alles zijn ze hun menselijke melk- en vis-heren de baas.

Wie zover is mag de dag verslapen,
zich uitrekken terwijl logge woorden kamers vullen.
Uren op het tuinpad zitten
en het tekort aan vleugels in stoïcijns gelik vertalen.
Elk haartje op zijn plaats,
elk spiertje van hun goddelijk lijfje
geprepareerd om op de rand van het dak
tussen god en mens
evenwicht en list, honger en speelsheid
met elkaar te verzoenen.

Had mijn koning een wapenschild, er zou een kat in huizen.

(het schilderij ‘The Painters Daughters with a cat, Thomas Gainsborough, 1760-61, te zien in de National Gallerie in London. Het schilderij is niet af.  De kat is nog maar vaag getekend aanwezig.)

Gainsborough's daughters Mary and Margaret were baptised in February 1750 and August 1751. Mary appears to be about nine or ten years old, and Margaret about eight or nine.
Gainsborough had moved with his family from Ipswich to Bath in the autumn of 1759 and this work may therefore have been painted in Bath rather than in Ipswich. The painting is unfinished, but the outlines of a cat whose tail is being pulled can be seen on the lap of the elder girl.
“Six Studies of a Cat”, Thomas Gainsborough, circa 1763-1769, black and white chalk on brown paper.

OUDE DWAAS

 

dyn001_original_375_500_jpeg_20344_9c7b1e36485a63de362871fb3ba16c31

Elke stempel
roemde
mijn tekenkunst.

Jouw onstuimigheid
het briesen,
en je heimwee
naar de verte,
tekende ik
tot mijn lijnen
het op een lopen
zetten.

Sindsdien
ben ik je verloren.

Je hebt je
uit het leven
losgerukt.

Het uitspansel
werd je stal.

’s Nachts
hoor ik nog wel
hoefgetrappel

De kaars flakkert
als ik mijn penseel
ophef

Oude dwaas,
ik denk je adem te voelen,
maar het is de mist boven het meer,
het verdampen van de voorbije dag.

Gmt

dyn001_original_600_318_jpeg_20344_c1b5049e41ae63fc528b33d85cdc9447


De tekening van de ganzen-kijker onderaan is van de 13de eeuwse schilder Qian Xuan (1295)
Degene die op de uitkijk staat is Wang Xizhi, de vader van de klassieke caligrafie.
De tekening van het paard komt uit de 9de eeuw en is tijdens de Tang dynastie gemaakt door Han Gan.

Tekeningen uit de prachtige tentoonstelling in de Metropolitan in NY

Wang Xizhi bij het bekijken van de ganzen (detail) Qian Xuan C 1295

HET LICHAAM TERUGEISEN

dyn001_original_450_300_jpeg_20344_a650e94e099217188a1ea56909cf0a99

Whitmans dubbele taak bestaat erin de mensen weer belangstelling en liefde bij te brengen voor het bloed, de ingewanden en de botten waaruit zij bestaan, en hij wil de seksuele begeerte weer tot middelpunt maken van de verklaring van ethische waarde.

Die twee taken staan met elkaar in verband.
Seks richt de aandacht op de stof waaruit het lichaam bestaat en als die stof iets walgelijks is wordt seksuele belangstelling iets heimelijks en gemengd met schaamte.

‘Daarentegen wordt de seksualiteit met schoonheid bezield door de gedachte dat bloed en ingewanden een groot wonder en mysterie zijn, nauw gekoppeld aan de meest waardevolle vorm van betrokkenheid en liefde.’ (Nussbaum)

In de gedichten van het gedeelte Children of Adam geeft Whitman zichzelf weer als Adam voor de zondeval en hij nodigt in taal van nobele eenvoud de lezer uit om de aanvaarding en het genot met hem te delen.

dyn001_original_475_560_jpeg_20344_744e04a640cfbf4c1e30035acd313531

Als Adam vroeg in de morgen
Te voorschijn stappend uit het prieel, verfrist door slaap
Aanschouw me waar ik langskom, hoor mijn stem, kom dichterbij.
Raak me aan, leg je handpalm op mijn lichaam als ik langskom
Wees niet bang van mijn lichaam.

Merk op, zegt Nussbaum dat het er niet toe doet of de lezer een man of een vrouw is, en zelfs niet of de aanraking van de lezer al dan niet specifiek seksueel getint is.
Het middelpunt van het tafereel is het liefdevol accepteren van het vlees en van de onschuld van het vlees.
In Eden is er geen schaamte over welk lichaamsdeel dan ook, geen angst voor aanraking.

Het gedicht verbindt deze afwezigheid van schaamte op een wat raadselachtige manier met het openlijk accepteren van Adam als persoon.

Centraal in Whitmans tegenkosmologie van het lichaam staat het opmerkelijke gedicht ‘I Sing the Body Electric’ waarin hij de Aristotelische stelling onderschrijft dat het lichaam de ziel is, dat het lichaam een gedicht en onderwerp van gedichten is.

O mijn lichaam! Ik wend me niet af van jouw gelijkenis in andere mannen en vrouwen, noch van de gelijkenis van jouw delen.
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met de gelijkenissen van de ziel
(en dat ze ziel zijn)
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met mijn gedichten en dat ze mijn gedichten zijn.
Gedichten van man, van vrouw, van kind, van echtgenote, van echtgenoot, van moeder, van vader, van jonge man of jonge vrouw.
Hoofd, hals, haar oren, lel en schelp van de oren.
Ogen wimpers, iris, wenkbrauwen, en de open of geloken oogleden,
Mond, tong, lippen, tanden, verhemelte, kaken en kaakgewricht,
Twee sterke dijen, de tors erboven goed dragend,
Beenspieren, knie, knieholte, bovenbeen, onderbeen,
De longblaasjes, de maagwand, de darmen, zoet en schoon,
De hersenen gevouwen in de schedelpan,
De stem, articulatie, taal, fluisterend, luid schreeuwend,
Voedsel, drank, hartslag, spijsvertering, zweet, slapen,lopen, zwemmen,
Zitten, springen, leunen, omarmen, armen buigen en strekken,
De voortdurende veranderingen in de spanning rond mond en ogen,
De huid, de zonverbrande schaduw, sproeten, haar,
Het eigenaardige gevoel dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt,
De dunne rode gelei in jou en in mij, de botten en het merg in de botten,
Het verrukkelijk besef van gezondheid;
O! Ik zeg dat niet alleen de delen en gedichten van het lichaam zijn, maar van de ziel,
O! Ik zeg nu dat deze de ziel zijn!

(hier en daar fragmenten weggelaten)

dyn001_original_403_512_jpeg_20344_500de7ada438816b1e6c7a994a00f691

De traditionele metafysici, zegt de dichter, kennen het gevoel niet dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt, en als ze het kennen hebben ze het rigoureus geschrapt uit hun analyse van de menselijke liefde.
En ze haasten zich de kunst los te koppelen van het ervaren van het gewicht van het lichaam, en allen bewaren ze afstand tot de soms komische en wat onhandige maar zo charmante opsomming die de dichter in zijn tekst geeft.

Maar, zegt Whitman, dat wil dus ook zeggen dat ze de ziel ontwijken, want al onze daden zijn daden van het lichaam en al onze kunst is naakt vlees en al onze betrokkenheid is bloed.

Het valt op hoe hij zich afzet tegen de schaamte.
Hij treedt naar voren zoals hij is.
En het lichaam kijkt met belangstelling en vreugde naar het lichaam van andere mannen en vrouwen.

Zo worden hier ook delen van het lichaam die meestal niet mooi worden gevonden toch als mooi ervaren: longen, darmen, maag, en de dunne rode gelei, ze maken deel uit van de menselijke gezondheid en dat alles moet bewonderd worden naast het golvend haar en de gespierde dijen.

In het zachte en organische ontdekt het gedicht ‘een elektrische’ vitaliteit en dynamiek.

Het politiek belang van dit in ere herstellen van het lichaam is volgens Whitman groot want het lichaam is uiteindelijk de basis van de gelijkheid van mensen.

Heb je ooit het lichaam van een vrouw bemind?
Heb je ooit het lichaam van een man bemind?
Besef je niet dat deze precies hetzelfde zijn in alle naties en alle tijden in de hele wereld?

Dit verhaal staat vlak naast het verhaal over de slavenveilingen.
De les is duidelijk.

En als we onze liefde en betrokkenheid niet alleen op het lichaam richten maar ook op onze geslachtsdelen, verschaft ons dat nog een kritisch inzicht: we zullen volgens Whitman beseffen dat vrouwen even waardevol zijn als mannen.
Vrouwenhaat, zegt hij herhaaldelijk, komt voort uit walging voor onze geslachtsdelen en seksuele handelingen en dat leidt er toe dat we iemand de schuld willen geven die ons tot dergelijke handelingen aanzet.
Het vrouwelijk lichaam werd daarom als onzuiver en onrein beschouwd, als oorsprong van onze zondigheid.
Als we echter denken op de manier waartoe Whitman aanspoort, dan zien we niet langer de vrouw als vlees en de man als geest, maar zien we hen als mensen die elkaar aanvullen in een democratisch proces dat zowel lichaam als geest omvat.

En in 2007, zijn we dan al verder geëvolueerd?
En kunnen deze kostbare gedachten ons helpen onze inzichten omtrent dezelfde materie opnieuw te verdiepen?

Wordt vervolgd, hoe dan ook.


OP ZOEK NAAR HET VERLOSSEND WOORD

notebook2

Na studie van het nieuwe en antieke, van Griekse en Duitse stelsels,
Na studie en verklaring van Kant, van Fichte en Schelling en Hegel,
De traditie van Plato bekeken, en Socrates groter dan Plato,
En groter dan Socrates gezocht en bekeken, de goddelijke Christus lang bestudeerd,
Zie ik in het heden herinneringen aan die Griekse en Duitse stelsels,
Zie ik in al die filosofieën, in de christelijke kerken en leerstellingen, zie ik,
Toch zie ik onder Socrates duidelijk en zie ik onder Christus de goddelijke,
De liefde van de mens voor zijn makker, de aantrekking van vriend tot vriend,
En van de keurig getrouwde man en vrouw, van kinderen en ouders,
Van stad voor stad en van land tot land.

Dit fragment uit zijn gedicht ‘The Base of All Metaphysics’ zet de toon.
Net zoals Mahler die alle boeken doorzocht, de bijbel bestudeerde om ‘het verlossende woord’ te vinden, komt Whitman tot de bedenking dat hij de woorden van liefde zelf moet bedenken.

Belangrijk bij een filosofische of godsdienstige leer is niet het gezag van de bron ervan, maar de kwaliteit van de liefde die de inhoud van de leer is, zegt Nussbaum treffend.

Een besluit zou kunnen zijn dat het enige echt belangrijke de liefde van mensen is en je eigen vermogen om die liefde te uiten en te beleven.

Hij gaat dus aan de slag om zijn eigen tegenstelsel van liefde te scheppen waarin tot uiting zal komen wat hij als werkelijke grondslag van de godsdienstige metafysica beschouwt.

Hij treedt in de voetsporen van de kosmologische geschriften van Grieken en de christelijke filosofie en probeert een democratische tegenkosmos te scheppen waarin de hiërarchie van zielen is vervangen door het democratisch lichaam van de Verenigde Staten, dat hij het grootste gedicht noemt.

Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan,
(…)Geen sentimentalist, geen verheffer boven mannen en vrouwen, niet afgescheiden van hen,
In mij neemt de streler van leven waar ik ook ga, achterwaarts en voorwaarts kerend,
Afbuigend naar plaatsen opzij en lager gelegen, niets en niemand missend,
Alles in zich op voor mijzelf en dit lied.

Dit wordt dus de tegenkosmos: het eindige sterfelijke individu, democratisch burger, gelijk aan en met anderen, die de wereld in zichzelf bevat dankzij zijn levendige verbeeldingskracht en zijn meelevende liefde.

Ook de poëzie is democratisch door haar vrijheid van vorm en regel, door woorden op te nemen die men als ongepast zou benoemen als men het heeft over ‘de waardigheid’ van de literatuur.

Hij kijkt ook niet neer op de religieuze bronnen van liefde.
‘Ik veracht jullie priesters niet, schrijft de dichter.
Het geloof van de dichter is het grootste geloof en het kleinste geloof.

De godsdienst is zijn aanspraak op gezag kwijtgeraakt, dus wil de dichter filosofie en godsdienst opnieuw onderzoeken.
Je zult niet langer dingen uit de tweede of derde hand aannemen, vertelt hij de lezer, en evenmin zul je kijken door de ogen van doden of je voeden met spoken uit boeken.
En om zichzelf te relativeren en zich niet op te werpen als een nieuw pseudo-religieus gezag vertelt hij dadelijk:

Evenmin zul je door mijn ogen kijken, of dingen van me aannemen,
Je luistert naar alle partijen en zeeft ze dan uit in je ziel.’

Een ander belangrijk punt is dat religie niet langer een transcendentie van onze sterfelijke toestand moet beloven.
God wordt voorgesteld als iets wat in de wereld en de energie die daarin besloten ligt, en in een bepaalde passage zelfs als een erotische partner van de dichter’.

Er is alleen maar leven dat zich vernieuwt, en de enige continuïteit is voor de mens de continuïteit van de natuur en de menselijke beschaving.

En tenslotte bevestigt de poëzie het lichaam en de seksualiteit daarvan als geen van de andere besproken vormen van liefde.
Seks is een belangrijk kenmerk in de tegenkosmologie van Whitman.

En Nussbaum legt de vinger op de wonde:

Volgens mij is een van de grote vragen die zijn poëzie opwerpt, een van de hardnekkige struikelblokken voor een goed begrip en volledige acceptatie, nog steeds waarom dit thema zo centraal staat.
Waarom denkt Whitman dat een nieuwe houding tegenover seks en het lichaam een rol speelt bij het oplossen van de problemen met hiërarchie en rassenhaat?’

We zullen in een volgende bijdrage het antwoord niet uit de weg gaan.


EEN DEMOCRATIE VAN LIEFDE

Beste dolende Psychiater,

Toen ik je brief kreeg, was net alles uitgepakt.
Ik bedoel: de koffers, boeken, schriften en notities vooral, kortom de reiziger die weer thuiskwam nadat mijn goede vriend Abram Baumgarten mijn zwervend leven heeft overgenomen.

Wij beiden kwamen thuis.
Jij uit het mytische Afrika, ik uit de States.
Een grotere tegenstelling is niet denkbaar.

Toch herken ik gemeenschappelijke kenmerken.
Na het lezen van je brief, kwam ik weer terecht bij de goede vriendin uit Chicago, Martha Nussbaum die in haar boek: ‘Oplevingen van het denken. Over de menselijke moties’ (Ambo A’dam, 2006) een hoofdstuk wijdt aan Walt Whitman, onder de titel: ‘Een democratisch Verlangen”.

Ze noemt Walt Whitman terecht een ‘politiek’ dichter, een dichter die zegt dat poëzie een wezenlijke rol te spelen heeft in de Amerikaanse democratie.

‘Dat komt omdat de dichter weet wat het betekent om mannen en vrouwen als doel te zien en de grenzeloze, even grote waarde van ieder afzonderlijk te beseffen:

(citaat) Hij ziet eeuwigheid in mannen en vrouwen, hij ziet mannen en vrouwen niet als dromen en stippen.

Voor het grootse Idee, het Idee van volmaakte en vrije individuen,
Daarvoor loopt de bard vooruit, als leider van leiders,
Zijn houding vrolijkt slaven op en is vreemde despoten een gruwel.


(einde citaat)

Dat is een beetje psalmistisch, eigen aan de tijd waarin het is geschreven, net voor de burgeroorlogen die Amerika zouden verscheuren, maar ik kan me moeilijk een hedendaags dichter voorstellen die in die zin bijvoorbeeld over Afrika zou schrijven, over de slavernij die armoede en ziekte is.

dyn004_original_450_269_jpeg_20344_6553c3fb5607789da0a03ce358f5433e

Volgens Whitman is het democratisch visioen uiteindelijk een visioen van liefde, zegt Nussbaum.

Maak mijn naam bekend
en hang mijn portret op
als dat ven de tederste minnaar. (…)

…die niet trots was op zijn liederen
maar op de onmetelijke oceaan
van liefde in hem.

dyn004_original_400_572_jpeg_20344_59af1e5bf4316f2ec274e20b4f4c9c79

En die liefde is niet knus of zachtaardig, neen, er moet dringend wat veranderen in dat geliefde land van hem.
Kijkend naar de Amerikaanse idealen van gelijkheid en vrijheid concludeert hij:

Onder dat alles ligt de Uiting van liefde
voor mannen en vrouwen
(Ik zweer dat ik genoeg machteloze uitdrukkingen van liefde heb gezien voor mannen en vrouwen
Na vandaag gebruik ik mijn eigen uitdrukkingen van liefde voor mannen en vrouwen)

En die ‘eigen uitdrukkingen’ waren niet zo geschikt voor de conformistische Amerikaanse samenleving.

Werd in 1855 ‘Leaves of Grass’ nog lovend ontvangen -ondermeer met een lovende open brief van Emerson- er kwamen meteen ook al bitsige commentaren binnen die steeds maar toenamen.

‘Stompzinnige viezigheid’, een ongelijksoortige hoop bombast, de auteur is een vulgaire gek, hij zou in elke fatsoenlijke samenleving verbannen moeten worden als iemand die nog minder was dan een beest, enz.

Men ontdekte immers dat de gedichten ingingen op lichamelijke en seksuele thema’ s, en net zoals in deze tijd in de USA (en hier) was dat nog steeds een stap te ver.

Voor Whitman kon er geen opvatting van democratische liefde geformuleerd worden zonder een nieuwe houding tegenover het lichaam en seksualiteit.
Nussbaum:

‘Poëzie die gelijkheid bezong moest ook erotisch zijn, op een schaamteloze uitdagende manier.
En die erotiek moest onbeschroomd seksueel zijn.
Wat is het verband?
Wat is de nieuwe opvatting van liefde die Whitman zegt naar Amerika te brengen?
En waarom moet die democratische liefde erotisch zijn, en dan nog erotisch in seksuele zin?’

Zijn, haar en mijn antwoord volgt weldra.


PRENTJE NR 3: SNEEUWNACHT AAN ZEE

temps_10
Is de zee zwart?

Neen, kind, de zee is blauw en groen
en vermiljoen
en gisteren en toen

Toen jij bij volle maan
als sneeuw
geboren werd
rook de lucht
naar bitterkruid.

Ik was de eerste
die je zag
dus liep je
achter mij aan

Twee sneeuwmannen als pinguïns
naar de diepten van de ronde maan.

Bij gebrek aan vleugels
wonen we voortaan
in het vermiljoenen water.

De meren van de eerste traan.


WOORDENBOEKJE VOOR EEN LANGSLAPER

dyn004_original_527_580_jpeg_20344_0155bb38f6b441e7bae3aa1bf06b98f7

AVOND

Druppelsgewijze loop je langs mijn vingers,
vederlicht liefje,
vroeg gevangen vosje.
Water geworden
nu de dag dicht regent.

Straks ben je het eerste duister,
maar nooit meer mijn kind.


 

BESNEEUWD

Uitgestulpt, de aarde boven je lijf:
de heuvels van de laatste misgeboorte.
Nu valt de sneeuw. terwijl ik je schrijf,
dacht ik heel even dat ik je hoorde.

Ingepakt, bij ’t stollen van de tijd
in een houten scheepje, onder witte aarde
verrimpel je, word je verwijd
tot water, de moeder die je baarde.

Doorgegeven de naam die je bewaarde,
het vleselijk vlies van elf korte jaren.
De sneeuw bedekt het traag vergaarde
geluidloos, nu wij uit elkander varen.

banc


 

CLAIR-OBSCUR

Een overvloed van sappen loopt
uit de schemering naar  wortels
van de pasgeboren dag.
Gorgelend licht in elke schreeuw
kraaien hanen de nacht uiteen.

Je bed is nog gedekt, en je kleren
ademen je uit. Aan de muur
loopt een jongetje op papieren voeten
door papieren botergras.

Een zangschool vogels groeit
in de bomen open.

Alles is er
om duizend-en-een dag te beginnen.

Wie heeft jou ingeruild?
Wie heeft jou verborgen?

dyn004_original_235_580_jpeg_20344_e302f0d2e297de385ca119334042ec7c


DOORSNEDE

De eerste laag, licht-geel, de foto’ s
gestreeld door Davids jonge jaren:
de elfenkoning,
een pas ontloken lentetuin,
grootogig lachen,
een zomerslaapje in het gras.

De tweede laag, oranje-oker, een kalfje
en een paaslam, een boefje
of gewoon een jongetje omtrent negen:
de bergbeklimmer
de bundel bewogen water
panter-kruiper,
vriendjes vergroeid aan elkanders armen.

De derde laag, siënna-rood, de mist
is motregen geworden, een kind
verliest zijn soortelijk gewicht:
de druiveneter,
in kleren verpakte sneeuwjongen,
verjaardagsgebed,
een gepolijste slaap tenslotte.

De schil, de korst, pijnstillend groen, het huis
waar kleuren in elkaar versmelten:
een uitverkochte duiventil,
het lege slakkenhuis,
een uitgezogen vliegje,
een jongen die elf wordt, een leven lang.

 


dyn004_original_500_500_jpeg_20344_cec70e903cb72907b09030d64703ec7f

 

ENGELENLIED

Ik leg de weide achter ’t huis vol
witte doeken, je lievelingskleur.

Zal ik je zo vangen, een maanronde nacht
als je met al je vriendjes, op straat gestorven,
je uit het sparrenbos laat rollen, tot
aan de tuin? Engelen in jeans.
Papieren vliegers over je naakte schouders.

Flamingo-kereltjes zingen met hese stem:
gloria, gloria, gloria in excelsis.
Dan smoezen meisjes in de zwakke wind.

En als een jojo rolt de maan de hemel langs,
tot de zon aankomt op een hooiwagen
door paarden met vuurstenen hoeven getrokken.

Ik schuif de gordijnen open.
Mist lekt uit de kerselaars.

De schommel beweegt lichtjes,
toch is er nog geen zuchtje wind.

Op de dauwnatte lakens staan
sporen van een jonge ree.


dyn004_original_394_568_jpeg_20344_341a8975f55cd2413248493518783b7e

FOTO’ S

Midden in de kamer zit ik,
de wanden heten jij en jou
en zelfs de vloer heb ik bezaaid
met verhuisde prenten.

Een broederschap is dit, de band
van brutale fossielen houdt ons samen.

De bomen, hun takken almachtig hoog
staan roerloos in de winterkou.
Hun kleine blaadjes rottend onder zich.

dyn004_original_580_450_jpeg_20344_09b020f68c1b46dedaaab251f38506eb


GEVRAAGD

Jongetje van elf, met hazenhart
en reeënoogjes,
een mond vol morgen,
in zijn rechterhand
een aangebeten appel,
zijn linkerhand
in de mijne.

Jongetje van elf, met apensnuit
en kalverliefdes,
een hart uit kerselaar,
in zijn hoofd ballonnetjes
om mij voorbij
te vliegen, een touwtje
tederheid tussen ons beiden.

Jongetje van elf gevraagd,
tijdelijke hulp
voor achtergebleven vader.


dyn004_original_550_367_jpeg_20344_65895cd948e2e55cb4979433481d11fa

INVOCABIT ME

Hij roept mij:
Ik heb dorst, papa.
Het water loopt langs zijn lippen terug
in mijn hand.

Hij roept mij:
Zing iets, papa.
Het lied hangt gebarsten
in mijn keel.

Hij roept mij:
Vertel iets, papa.
De woorden liggen gescheurd
op mijn mond.

Hij roept mij:
Hou me vast, papa.

Mijn handen houden zijn handen.
Wij haken in elkander.

Alle ankers gooien wij uit.

Ik roep hem na.
Wie blijft er achter?

564_9353cbfed16abe707b0a370e3db8600f


JIJ

Heb jij de deur opengelaten?
Was jij het hoge stemmetje?
Schreef jij: I love you, Carla?
Liep jij juichend in zee?
Stond jij bij het speelgoed?
Huilde jij om een ongekend verdriet?

Heeft elke jongen een beetje David
in zijn mager lenig lijf?

Ben jij zachtjes opgelost
in hun boordkartonnen ziel?


dyn004_original_419_420_jpeg_20344_e1fe0a235640e55b562c9a923300c121

LAMMETJESTIJD

Op hun scheve poten
veranderen zij de winterweide
tot een tedere landingsbaan
voor nieuwste tijden.

Op je fiets met vlaggetjes versierd,
reed je langs de volkstuintjes.

Klokken geselden
de laatste morgenkou.

Lammetjestijd.

Je speelmakkertjes
lopen achter de meisjes aan.

273_043d2f1b211aeb572580a46447f2a400


NERGENSHUIZEN

Nergenshuizen, waar noorderlicht en
zuiderkruis in lange hemdjes
hun voeten in de natte melkweg,
bazuinen blazen, bij wijze van oefening
voor de laatste dag, als de tijden
eindelijk vol zijn en de wijzerplaten
als pottendeksels naar beneden rollen.

Nergenshuizen, oude rot van
alle diepgevroren mensendromen:
productiegoed van bangeriken en
koopjesjagers, fabriek waar
blik- en lamgeslagen hoop in
koekjesdozen de deur uitgaat. Zeven
maal zevenzeventig opgeblazen regenboog.

Nergenshuizen, schoonschrijfkunst en
korenzolder voor de magere jaren.
Vallen en Opstaan zijn er neef en nicht,
Immer en Nooit elkanders ouder.

Ik ben een buikspreker geworden
om je zwijgend dicht te schrijven: een
overvolle pen verraadt een evengroot verdriet.


dyn005_original_454_600_jpeg__a4e1f3bdc66a7f5657e566c04215f875

ONGEVAL

Het brood over de straat gezaaid.
Dan een fiets tegen het asfalt.
tenslotte jij.

Hij kwam van de bakkerij.
Hij kwam uit de straat.
Hij kwam voor de auto, slipte.
Hij kwam op de grond.

Als ik na een lange nacht
uit het ziekenhuis kom,
zie ik de mussen kruimels pikken
in de berm.
Zelfs als ik nader,
vluchten zij niet.

503_286f8e0c4dfd1e70f74784064b7ecd15


PLAATS VAN HANDELING

De stad begint met zinnen huizen
in het land te spreken, dan hangen
ze in elkander, in hun smalle
aderen rijden auto’ s in en uit.

Soms klemmen zij een kind.
Zoals een vliegje ligt het
platgedrukt. Als de stukken
opgeborgen zijn, rijden weer de auto’ s.

dyn004_original_580_158_jpeg_20344_55fbfaa8421b38bb49fbb215a8ee817f


SLAAP

Lange slaap geneest de tijd.
Waar is het wolvenkind, beschut
voor immer tegen de herinnering?

Lange slaap geneest de tijd.
Catalogus van de breekbaarheid.

De kopergieters overvallen
de verleden tijd. Lange slaap
ademt zijn groene gassen
in het
kijkgat van vroeger.



dyn004_original_452_600_jpeg_20344_f3f4094a55277e9472589068c7a8084f

WIT

Dat ben jij niet, een wit week jongetje,
roerloos, een bloemenhoofd,
de ogen dicht zonder wimpers
die trillen. Verpakt voor de aarde
ben jij het niet meer. Een grote witheid
veegt schaamteloos ons spreken uit.

Dat ben jij niet, een versteend jongetje
in het overbelichte van mijn dromen.
Door de aarde verteerd ben jij het niet meer.

Mijn ziel, mijn wit verharde vlakte.
De sporen die jij achterliet, stipjes
naar de einder, waarboven
een witte zon.

Nog hoger, de ogen al gesmolten,
het vlees weer wortel,
de ziel pure kracht,
groeien wij wit in elkander.

De dood is een kortstondige dwaasheid,
mijn wit week kind.

dyn002_original_405_574_jpeg_20344_4b65252068e826197df92706878acb17


X EN Y

Een jongetje tussen x en y:
een oneindige rechte
als scherpe plooi
doorheen het vlak
van dit ontekenbare leven.

Een jongetje tussen x en y:
de functie van mijn verleden.
De hyperbool van gras en grond
in de kromming van zijn elleboog.

Een jongetje tussen x en y.
Nooit begint het nog,
en zijn einde snelt mij voorbij.

De snijlijn zelf gesneden,
de dood lijdend aan het leven.

Een jongetje tussen x en y.


dyn005_original_580_419_jpeg__d03622ebb9fbad937dc7c589309d8ffe

ZO

De bloesems sneeuwen traag, en breed
bedekken zij de grond. Voorbij.
De wind schudt ze nog even in zijn vaderhand,
dan drijven ze op het water en
diep doordrenkt zinken zij naar de schoot
vanwaar zij lang geleden kwamen.

Zo vullen duizenden seizoenen bloesems
nooit de vijver.

Zo vullen drieduizend voorbije kinderen
nooit het leven.

De kiemkracht, het onstelpbaar groeien,
het enige en het alles.

Kinderen laten hun papieren vliegers op.

Zo zwijg ik zijn leven verder open.

Zo.

dyn010_original_580_430_jpeg_20344_ace1a4ea7360df75377c970dda3693c3


Lieve vriend,

Omdat ik tijdens de stille week naar het landhuis vertrek, laat ik je deze bundel als een poging om iets van verlies en winst te benaderen.

Ik schreef en publiceerde hem in 1977.
Ik denk dat het de enige teksten zijn die ik wil achterlaten.
Ik heb ze geduldig overgetypt als een soort gebed.

Tot volgende week maandag.


Tamara de Lempicka: het leven als schouwspel (527)

‘s Mensen mogelijkheid om zich te maskeren -om wat dan ook te verbergen of te mystificeren- hangt samen met hun zin voor theatraliteit.

Kunstenaars hebben de neiging om die theatraliteit als noodzakelijke voorwaarde tot bekendmaking van hun werk te zien, en in een tijd waarin de vormelijkheid het blijft halen op de innerlijkheid, heeft zo’n theatraliteit het voordeel de spots op zichzelf te kunnen richten, om onder dit mom al dan niet paradoxale boodschappen te verkondigen of de aardkloot te bedonderen.

In hoeverre het publiek de maker is van deze maskerade laten we onbeantwoord.
Zonder theatraliteit is er weinig publiek, en zonder publiek staat de artistieke expressie er verweesd bij te kijken.

Er zijn inderdaad kunstenaars wiens werk en theatraal leven in een grote eenheid opgang en neergang maken, hun werk hangt zo nauw samen met dat theatrale dat bij het openscheuren van die bovenhuid het vlees (de essentie) meekomt.
We noemen Gerard zaliger, we denken aan Dali, en we hebben het vandaag over een vrouwelijke kunstenares om nog maar eens duidelijk te maken dat theatraliteit niet met het mannelijke poeha moet samenhangen.

Tamara de Lempicka, inderdaad, zo’n naam is niet dadelijk het uitgangspunt om een groentezaak op te zetten. (al zal dat ook wel behoorlijk wat artistiek talent vragen in deze tijd!).
Ze overleefde haar kunst en hoorde tot de vergeten schilders tot einde jaren zestig ene Alain Blondel haar werken verzamelt en het werk dat ze maakte tussen 1925-1935 in 1972 in het Palais du Luxembourg tentoonstelt.

Zij is dan zeventig, en het woordje retro begint in te komen.
Ze spreekt Frans en Engels met een duidelijk Russisch accent maar ze is in 1898, in Polen geboren. Ze heet dan nog Tamara Gorska.
Ze beleeft haar kinderjaren in Warschau, haar ouders zijn “gefortuneerd” zoals dat zo mooi heet. (la bonne société!)

Ze krijgt een goede en vrije opvoeding, bezoekt de grote musea, leert tekenen en schilderen en als ze in 1914 ruzie krijgt met haar maman vertrekt ze naar Sint Petersburg waar ze bij een tante intrekt.
Op een mondaine avond leert ze daar toevallig haar mooie Tadeusz de Lempicki kennen, advocaat en Don Juan.
Ze is nauwelijks zestien, maar ze wil hem verleiden, en ze lukt daar wonderwel in.
De legende wil dat ze zich voor dat doel als Pools boerinnetje met bijbehorende gans verkleedde
Ze huwen in 1916 en haar bruidssleep is zo lang als de kerk van de Ridders van Malta lang is.

dyn001_original_332_545_jpeg_20344_3472ae0095f70600ea334cbe83d0e6de

Als de Russische revolutie uitbreekt moeten ze vluchten, en zoals menig Peterburger naar Parijs trekt, betrekt het koppel daar een armoedig hotelkamertje want de welgestelde Tadeusz is zijn fortuin kwijt en stort zich op de lectuur van politieromannetjes.
Zij wil de vergane glorie echter terug, en als zij wat wil dan wil ze het ook.

Ze schrijft zich in bij de academie de la Grande Chaumière en studeert bij André Lhote en Maurice Denis.
Via de beaumonde van de Russische bannelingen komt ze in de Parijse chique terecht.
Het duurt wel even voor ze wordt opgemerkt als schilder, maar haar levensstijl en haar rotsvaste overtuiging om het te maken, brengen resultaat op.
In 1923 krijgt ze een dochtertje, Kizette, maar Tadeusz en zij beginnen meer en meer een eigen leven te leiden.

Ze wil zichtbaar zijn, en zoals het toen de mode was…”…utilisant pour ce faire des méthodes proches de celles des affichistes de son temps: épure et couleurs en opposition.”

De art deco.
En haar naam als “la femme Art Deco” doet ze alle eer aan.
Geholpen door haar aangeboren narcisme geeft ze zichzelf al vlug een koninklijke uitstraling.
Bekend van haar zijn haar poses à la Garbo, haar Bugati, haar juwelen, haar smaak naar meer, haar minnaars en minnaressen (van de blonde cabaretartiste Suzy Solidor tot de ‘belle Raphaëlla’, een prostituee uit de omgeving van het Bois du Boulogne.)
Het is de tijd dat ‘de Amazones’ zoals men toen de lesbiennes noemde, erg in de mode waren.

Ze ontmoet de Italiaanse auteur Gabriele d’ Annunzio, symbool van de decadentie en het ver doorgedreven nationalisme – en ze wil per sé zijn portret borstelen.
Zijn femme de chambre (en tevens ook zijn maitresse) beschrijft in haar memoires hoe de schilderes het optrekje van de auteur wordt uitgejaagd.
Het portret wordt nooit geschilderd maar staat wel vermeld in een door haar opgestelde lijst (1957)

In 1933 huwt ze met ‘baron’ Raoul Kuffner de Dioszegh, een rijke en veel oudere man maar ze noemt zichzelf graag ‘La baronne Kuffner”.
Dat levert haar echter ook een diepe depressie op, en haar werk verandert van tonaliteit.

In 1939 verhuizen ze naar de States en ook daar stort ze zich in de jet set en is ze de uitgelezen portrettiste van de Hollywood gloriën.
Na de dood van de baron in 1960 leeft ze tussen de USA, Mexico, Frankrijk en Cuba.
Ze sterft in Cuernavacca, Mexico in 1980.

Volgens haar eigen wil wordt haar as boven de Popocatépetl-vulkaan uitgestrooid.


Boven zie je de kunstenares in haar groene Bugati, en verder nog de mooie Tadeusz


Bekijk en lees:

https://www.delempicka.org/

Portrait of a Little Girl with Her Teddy Bear (1922)

een brief aan Gustav (452)

405_e2fe0f221b6e33de6be9ad3f96ef6d57

Zeer geliefde Gustav,
Ich bins, der Friedrich.
Mijn pa wilde dat ik zoals hem jurist werd, en wat doe je met vaders?
Je volgt hun raad op om diezelfde raad daarna met alle heftigheid in de wind te slagen.
De enig juiste plaats voor goede raad.

Ik zag het levenslicht zoals dat zo mooi heet op 16 mei in 1788, in een dorp bij Coburg.(Schweinfurt!)
En je kunt die pastoors verketteren en al dan niet vals beschuldigen maar het was dank zij de pastoor van Oberlauringen dat ik de liefde voor de taal meekreeg.

Net zeventien was ik, Friedrich Rückert, toen ik in Würzburg aan de jura studie begon, maar al vlug meer interesse kreeg voor filologie en mooie mythologische verhalen.

Ik moet jou niets vertellen over sterven want toen mijn jongste zus Marie geboren werd hadden mijn ouders al drie kleine meisjes aan diezelfde dood afgegeven.
Ik schreef voor Marie in 1813 “Fünf Märlein zum Einschlafen” nadat ik intussen naar Heidelberg was verhuisd om er bij Creuzer me in de filologie te verdiepen.

Vergeet mijn thesis (de ideae philologiae) waarin ik het Duits als taal voor vertalingen uit de wereldliteratuur en eigen literaire scheppingen voorstelde.
Tenslotte waren dat ideeën die ik voorbeeldig van de heren Goethe en Herder heb ontvreemd.

We waren volop bezig met het verzet tegen Napoleon, en ik met mijn arme gezondheid had als enige wapen de pen die ik in mijn “Geharnischte Sonette” in het vreemde jaar 1812 publiceerde.
Jeugdzonden!

Net zo goed schreef ik dat jaar voor mijn gestorven zestienjarige vriendin Agnes Müller “Agnes’ Totenfeier” om de 75 sonnetten niet te vergeten die ik aan Marie Elisabeth opdroeg, de dochter van de herbergier.
Jeugdzonden! Maar stukken sterker dan het wapengekletter hierboven!

(ik heb ook nog een aantal woorden aan de vermoorde Abe Lincoln gewidmet!)

Dank zij belangrijke lieden kwam ik bij de Cotta uitgeverij in Stuttgart terecht, en toen mijn vriendschap met Ludwig Ühland was afgekoeld trok ik in oud Duitse klederdracht door Zwitserland, en Italië.
Jeugdzonden!

In Rome sloot ik vriendschap met de graveur Carl Barth (hij zou zich later in 1853 van het kostbare leven benemen) en naast deze innemende mens waren er ook de “Oktaven” en “Ritornelle”, de zingende vormen waarin de Italianen hun taal dichten.

Wie langs Wenen terugreist, weet dat hem iets vreemds zal overkomen.
Ik leerde er de Oriëntalist Hammer kennen (in feite Joseph von Hammer-Purgstall!) en die maakte ook bij mij de liefde voor de Oosterse literatuur los.
Ik bestudeerde Hafis, de grote Perzische dichter waaruit Goethe al had geput in zijn West-östlichter Divan”, en ikzelf schreef “Östliche Rosen”.

En waarde Gustav, met mijn liefde voor de Oosterse talen was het in één klap gedaan met mijn succes als Duitse nationalist.
Jaja, ze roemden mijn vertalingen, maar waarom zou een Duitser zich met die verre talen bemoeien?

Tegelijkertijd vertaalde ik “der Ghaselen” naar Dschelaladdin Rumi.
Deze in 1273 overleden Islamitische mystieker werd als de geestelijke vader van de dansende derwisjen aanzien.

Terug naar Coburg waar ik in de winter van 1820 de tien jaar jongere dochter van mijn huisbaas, Luise Wiethaus-Fischer ontmoette en…met haar trouwde, Kerstmis 1821.
Zij zal de moeder van mijn tien kinderen worden, de liefde van mijn leven.

De gedichten die ik voor haar schreef zal ik tot 1844 bijhouden en ze dan publiceren in “Liebesfrühling”.

Daarna heb ik verder in het Arabisch bekwaamd en grote stukken van de Koran vertaald.
Het allermoeilijkste werd “Makamen des Hariri”, een van de mooiste werken in het Arabisch.
Men verbaasde zich over mijn getrouwheid aan de tekst en aan de Islamitische cultuur die ik ten zeerste ben blijven bewonderen.

Met al dat volk in huis moest ik echter wel prof worden om hen te onderhouden.
In Erlangen werd ik dus hoogleraar voor Orientalische Sprachen.
Ik leerde mezelf Sanskriet, en zag mezelf als “abgedankte Poet und notgedrungene Orientalist”.

In 1838 (in dat kleine land België is intussen een Coburger koning geworden) verzamelde ik mijn jongste werk in “Haus-und Jahreslieder”.

Maar het was ook een droevige tijd.
Mijn twee jongste kinderen stierven, Ernst vijf jaar, Luise drie.
In mijn verdriet schreef ik voor hen meer dan 400 Kindertotenlieder.
Ook Marie voor wie ik ooit “Fünf Märlein” schreef, sterft in 1835.

In 1836 verschijnt mijn didactisch hoofdwerk: “Weisheit des Brahmanen” weg van alle dogmatiek van het Würtembergische protestantisme.
De roep naar Berlijn werd steeds maar groter.

Een eenzame tijd.
Ik besloot geen gedichten meer te publiceren en me toe te leggen op de Oosterse talen.

Ik bespaar je de rest.
Ik ben je dankbaar Gustav dat jij na je crisisjaar 1900 enkele van mijn teksten met muziek hebt vertaald. Je Rückert-liederen, je Kindertotenlieder zullen mijn werk lang overleven.

Ich bin der Welt abhanden gekommen,
mir der ich sonst viele Zeit verdorben,
sie hat so lange nichts von mir vernommen,
sie mag wohl glauben, ich sei gestorben !

Es ist mir auch gar nichts daran gelegen,
ob sie mich für gestorben hält,
ich kann auch gar nichts sagen dagegen,
denn wirklich bin ich gestorben der Welt.

Ich bin gestorben dem Weltgetümmel,
und ruh in einem stillen Gebiet.
Ich leb allein in meinem Himmel
in meinem Lieben, in meinem Lied.

De tekst van het prachtigste lied dat ik ooit heb gehoord, staat hierboven afgedrukt.
Als alles zwart is, de winter te lang duurt, de ziel verdrinkt in Weltgetümmel, beluister dan dit lied telkens weer.

Wij zullen dicht bij elkaar zijn.


kost en inwoning (294)


Kastanjes

Als we de steen mogen geloven
Dan rust jij, Wim, vier lentes net,
Hier haast een halve eeuw al met
Je broertje Joris, dat van boven

Boem! op je buikje werd geschoven
Als veel te groot verjaarspakket -
Geen toetertje deed rettettet,
Geen wimpeltje werd rondgewoven.

Er is sindsdien maar weinig leven
Behalve soms die doffe ploffen
Zo'n zes voet boven jullie bol.

Als jullie samen nu eens even
Naar buiten kwamen, zou je boffen:
Kastanjes, kerels! 't Ligt hier vol!

Hendrik van Teylingen

485_20e40a4dbc00f40e98e7bfc10e906053

“Kost en inwoning” heet een recent boek van Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie in enige nagekomen gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 2005.

“Poëzie is geen tijdelijk onderdak, poëzie is kost en inwoning.’
Aan die zin is de titel van dit boek ontleend. Er zullen in dit boek voornamelijk recente gedichten aan bod komen. En ook wel eens de gebreken van die gedichten.
Na de befaamde 11 september is er geen andere troost dan poëzie.
Je leest daar gek genoeg weinig over.
Waarschijnlijk omdat het voor die datum ook gold.”
Tot daar de inleiding.

Net als vele andere stervelingen huiver ik steeds bij het “uitleggen” van gedichten en menig middelbaarschooltrauma vond zijn oorsprong in deze activiteit waardoor de kandidaat-lezer(es) voor altijd overliep naar het voetbal en zich haastig repte als het nog maar in de verte over poëzie zou gaan. (alhoewel voor de “echten” voetbal ook poëzie kan zijn, geef ik toe.)

Gerrit Komrij zal je voor altijd van dit trauma genezen.
Al is het meer zijn gewoonte wonden toe te brengen en/of open te rijten in zijn onovertroffen opstellen en besprekingen (allemaal in bibliotheek en boekhandel te verkrijgen!) hier wordt helend opgetreden al geldt dat niet altijd voor de besproken dichterlijke geesten die meer dan eens (meestal terecht) meesterlijk in het poëtische hemd of negligé worden gezet.

Met helend bedoel ik eerder dat althans mijn honger naar smaken van het schone voortdurend gestild wordt terwijl ik juist door de nasmaak honger krijg naar meer.
Het geheim van de echte fijnproeverij.
De taal en de manier waarop Komrij poëzie benadert is op zijn beurt een unieke vorm van poëzie, en laat toch de lezer(es) toe zijn/haar eigen gangen te gaan.

Op 6 augustus, Hiroshima in het achterhoofd, kon ik niet anders dan dit prachtige gedicht van Hendrik van Teylingen (1938-1998) naar jullie doorsturen.
Zoals de meesten had ik voordien nog niets van deze dode Nederlandse dichter gehoord.
Er zijn er wel meer waar ik nooit van gehoord heb of zal horen, maar eens je het gedicht “kastanjes” hebt gelezen, zal het een schande zijn deze naam niet minstens één keer per week in de herinnering te koesteren.

Komrij ‘s commentaar bij deze tekst is op hetzelfde niveau. Net zo meesterlijk.
Best gaat u vandaag dat boek nog kopen of in de bibliotheek halen.

Om het gedicht niet met mijn teksten te beschadigen druk ik het hierboven af, samen met een mooi schilderij van Jean Frederic Schall (1752-1825)
Als zijn oudste dochtertje Palmyre op prille leeftijd sterft (1804) maakt hij dit schilderij.
Nauwelijks uit de wieg leunt het kind tegen het graf aan.
Hoog tijd dus om elkaar te koesteren.

Boven deze tekst een masker van ene Auguste Preault.


onzichtbaar worden (215)

865_e09daedc3f797ea12f9f0492ab0a3ac7

RECYCLING

When in a fit of anger my father killed the cat,
Bartolo my cat
because it put its tail in his broth
and because it was already old and didn’t catch mice as it should
and because it was expensive to maintain,
when my drunk father killed it with his hands
there was a noisy confusion at home.
All came, all:
my sister said: save me the eyes
for a pair of earrings, and Martino,
our blind neighbor, bagged the guts
– you can make violin strings with them –
and mother, who cried at first, cried with me;
she wanted the fur
to put as a collar on her jacket,
and the whiskers
were bagged by my brother Eladio the mechanic,
and the fur on its paws became
nice pincushions
for the fat witch that lives at the back of the courtyard
and is a dressmaker.
What was left they boiled with salt and onions.
They gave it to Luis, who sleeps on our street,
because with it you can also make cat broth for the hungry.
I asked for the bones.
I bite them one after another in front of my sister’s mirror
because my grandmother said
that if you bite the right one you become invisible.

PIEDAD BONNET
Colombia


RECYCLING

Toen in een vlaag van woede mijn vader de kat doodde,
Bartolo, mijn kat...
omdat hij zijn staart in zijn bouillon stak
en omdat hij al oud was en geen muizen ving zoals het moest...
en omdat hij duur in onderhoud was,
toen mijn dronken vader hem met zijn handen doodde
was er een luidruchtige verwarring in huis.
Allen kwamen, allen:
mijn zus zei: bespaar me de ogen
voor een paar oorbellen, en Martino,
onze blinde buurman, pakte de ingewanden.
- je kunt er vioolsnaren mee maken -
en moeder, die eerst huilde, huilde met mij mee;
ze wilde het bont
om als kraag op haar jas te zetten,
en de snorharen
werden ingepakt door mijn broer Eladio de monteur,
en het bont aan zijn poten werd
mooie speldenkussens
voor de dikke heks die achter op de binnenplaats woont...
en kleermaker is.
Wat overbleef werd gekookt met zout en uien.
Ze gaven het aan Luis, die bij ons in de straat slaapt,
omdat je er ook kattenbouillon mee kan maken voor de hongerigen.
Ik vroeg om de botten.
Ik beet ze een voor een voor de spiegel van mijn zus...
omdat mijn grootmoeder zei
dat als je in de juiste bijt, je onzichtbaar wordt.

PIEDAD BONNET
Colombia
Tabby cat with blue eyes gives a sweet look to the camera

een gedicht dat hij bewonderde (110)

255_93465b2e7f6456998c077af57f2de600

SER, SERENA, SERENITAS

I’m not talking about miracles,
nor of mysticism or gnosis, no.
I’m talking about the full and even fuller life
that bursts at the seams, honey-ripening.
About the direct touch between peel and fruit, about the joy
of fitting sensually into your skin.
I’m talking about the plenty of life that goes
through the pores, that bursts and sets off a new fullness
which floods the bloodless
so they put their heads and the scaffold together.

It’s the juice with a distinct taste I’m talking about.
About the momentary and the infinite pleasure of the everyday,
about happy children’s hands squashing their first strawberry
so it drips down to the elbow as they lift it to their mouths.
About the fortune of being alive, resisting the creeping of clichés.

I’m not afraid of conflicts, confrontations,
anger, tears, of ruptures, despair, no,
but of the suffocating breath –
inaudibly and invisibly invading space,
limiting and delimiting it,
poisoning life and what it lives in –
coming out of the topsy-turvy mouth
of those whose heads are stuck in the sand, their feet
still on the delusional floors of the ephemeral
sediments of the atmosphere.

TAJA KRAMBERGER (Slovenië)

Taja Kramberger page:
https://www.tajakramberger.com/

Foto door M Venter op Pexels.com

een paardenmolen in de regen (30)

021_7a6bd047707df5c7908a3988a3206e16

Stel dat je broertje je verraden heeft,
en je zusje verkocht tegen 40 zilverlingen je jongetjes-ziel.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Stel dat je moeder naar Antartika is afgereisd,
en je vader je harlekijn gekruisigd heeft.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Stel dat je geliefde je droom verkwanselde,
en je kind je laatste stuiver door het raam smeet.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Stel dat je in de neon-regenplas je gezicht verdrinkt,
en je te laat besefte waar je hart verborgen was.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Ik weet het, meer dan regen
is onze zielen niet gegeven als we wakker worden.
En de paardenmolen is ouder dan de nacht.

Je liefhebbende patiënt, Silverstein