Artist Wang Mansheng crafts his own brushes from found natural materials. In this short film, Mansheng reflects on the value of imperfection and the beauty of the handmade as he prepares for his exhibition “Wang Mansheng: Without Us." The video captures the artist at work and in conversation, revealing how years of experimentation have shaped his distinctive practice.
Na zijn afstuderen in 1985 aan de Chinese afdeling van de Fudan-universiteit in Shanghai, waar hij klassieke literatuur studeerde, werkte Wang meer dan tien jaar als redacteur, regisseur en producent bij China Central Television in Peking. Sinds zijn verhuis naar New York in 1996 heeft hij zich volledig toegelegd op schilderen en kalligrafie. De imaginaire landschappen die Wang creëert met behulp van experimentele technieken, gereedschappen en media in combinatie met traditionele penseelvoering, zijn vaak samengesteld in dialoog met Chinese klassieke thema’s.
De kunstenaar aan het werk voor zijn tentoonstelling ‘Without us’ (USA)
“When I paint a single piece, I usually use four or five brushes. For Without Us, the scale is much larger, so I needed bigger and more varied brushes. Over the course of the year I spent on this project, I used around 30 different brushes. They come in all shapes and sizes. I make one type myself from reeds that grow in the Hudson River near my home. There are hundreds of acres of reeds there—it’s very convenient. I’ve been using this kind of brush for about 15 years.” (The Huntington. Miranda Claxon)
Wang Mansheng’s collection of brushes, including a handmade brush created using reed flowers from the Hudson River. Photo by Andrew Shewell. | The Huntington.Gazing at Mt. Lu’s Waterfall Springs from Hukou, 2013
Wangs werken zijn voornamelijk gebaseerd op zijn verbeelding, gevoed door zijn diepe liefde voor de natuur, met name bergen, een favoriete bestemming voor de schetsen en foto's die als bron dienen. Zijn gevoelens en stemming leiden hem naar zijn onderwerp; hij begint vaak met een abstract monotype-beeld en zet dan een stap terug om te zien waar de ‘aders’ van de formaties en de stroming van het water zich openbaren. Door de gelaagdheid van gedurfde penseelstreken, inktwasbeurten en onconventionele technieken die drukwerk en schilderkunst combineren, voelen zijn werken meer driedimensionaal aan dan klassieke Chinese schilderijen. (fuquiumeng)
Detail uit ‘Without Us
“I love California for its variety of landscapes and its incredible diversity of plants. When I first walked into The Huntington, I thought, “This is heaven on Earth.” The exhibition is in the heart of the Chinese Garden, so by the time visitors reach the gallery, they’ve already experienced half a mile of trees, flowers, and bamboo—it’s the perfect setting.
I hope people will take a moment to think about the Earth: what it looks like with us, shaped by human hands, and what it might look like without us. We should all keep this in mind so we can preserve and enjoy our planet for as long as possible. That’s my hope.” “(The Huntington)
Late Autumn. 2009
Op basis van zijn ervaringen in de bergen legt Wang Mansheng het transformerende effect vast van het veranderende zonlicht op het landschap. Zijn afbeelding van bergen weerspiegelt deze dynamische verschuiving, met een subtiele waas die ontstaat wanneer het licht weerkaatst op de rotsen. Dit schilderij suggereert een zonsondergang, waarbij de nadruk ligt op de manier waarop het vervagende licht het uiterlijk van de berg verandert en het tafereel een diep gevoel van stilte en rust geeft.
In autumn, the reed flowers bloom. I comb out the seeds and trim the flowers. Depending on their size, I use one or tie several together to make a brush. Some are for fine lines; others cover larger areas, like the surface of a rock.
On a Cold New Year’s Eve - Poetry of Yu Qian 《除夜太原寒甚》
I tell those who roam To make light of cold. Spring wind will soon come Eastwards as foretold.
In a short film titled “Snovník,” or “Dreamer,” Czech Republic-based filmmaker Laura Boráros introduces a bright red protagonist who is unable to sleep when he can’t ignore the rowdiness resonating from above his bedroom ceiling. Taking matters into his own hands, he makes his way upstairs and knocks on his neighbor’s door—and...? (Colossal)
In de kortfilm “Snovník”, of “Dromer”, introduceert de in Tsjechië gevestigde filmmaakster Laura Boráros een knalrode hoofdpersoon die niet kan slapen als hij de luidruchtigheid niet kan negeren die van boven het plafond van zijn slaapkamer weerklinkt. Hij neemt het heft in eigen handen, baant zich een weg naar boven en klopt op de deur van zijn buurman – om vervolgens …
Bleek het in Picasso’s droom nog de droomster zelf het onderwerp en kon de kijker naar eigen nood en vermogen de inhoud aanvullen, dan was in de kinderlijke droomwereld de nachtmerrie een verwilderd paard dat je net voor de afgrond in de diepten van het eindeloos vallen kon werpen. Hieronder is wellicht de droomster de gedroomde.
Pablo Picasso De Droom. 1970
De gedroomde. Hoe zij in het mooie doek ‘Paysage Bleu’ uit 1949 de kijker aankijkt. Zij verbindt ons met de voorstelling die eerder in het onderbewuste huist. Het deel van de geest dat niet onmiddellijk toegankelijk is voor het bewuste denken maar wel invloed heeft op gedachten, gevoelens en gedrag zoals A.I. dat keurig formuleerde.
Marc Chagall, Paysage Bleu, 1949
Lees en bekijk: A clearing house for dreams and visions: Joseph Cornell.
Detail from the Garden of Earthly Delights (left panel) 1500–1505, oil on oak by Hieronymus Bosch (c.1450–1516)
Detail from the Garden of Earthly Delights (left panel)
De grenzeloze capaciteit die de droom en de artistieke verbeelding delen, werd levendig opgeroepen in de hersenschimmen van de Nederlandse schilder Jeroen Bosch (ca. 1450-1516), waarin mensen samensmelten met uitvergrote weekdieren en flanerend onder het vorstelijke plantenleven, zoals te zien is in het laat vijftiende-eeuwse drieluik 'De tuin der lusten'. (ArtUK 2020 The art of dreams. Chloe Nahum)
De wereld scheen vol lichtere geluiden en een soldaat sliep op zijn overjas. Hij droomde lachend dat het vrede was omdat er in zijn droom een klok ging luiden.
Er viel een vogel die geen vogel was niet ver van hem tussen de warme kruiden. en hij werd niet meer wakker want het gras werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.
Het regende en woei. Toen herbegon achter de grijze lijn der horizon het bulderen - goedmoedig - der kanonnen.
Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, bevrijdde zich het laatste wat hij schreef: liefste de oorlog is nog niet begonnen.
In de isolatie van wie je bent blijft er een uitweg naar het zoeken van een zelfbeeld. Menno Wigman schildert een zelfportret. Het beeld van de glazenwasser. Onzichtbaar voor anderen terwijl hij tenslotte zorgt voor zichtbaarheid. Een fraai beeld waarin de functie van kunst en kunstenaar ligt gevat. Kunnen kijken vanuit een denkbeeldig venster door woorden, kleuren en klanken of volumes. Zelf blijft degene die uitzicht verschaft schijnbaar ongezien. Of toch niet? Of is het eigen aan de ziener(ster) alleen te zijn?
"Als de kunstenaar vandaag het kunstenaarschap niet meer opneemt, maar er als een tewerkstelling op in- en uittekent, dan staat er dus meer op het spel dan een verouderde mythe. De nuchterheid die het afscheid van de roeping impliceert, is niet geruststellend. Het betekent dat de wereld nog positiever is geworden dan hij al was. Het betekent dat het leven niet meer uitgevonden kan worden, maar steeds al gegeven is. Het betekent dat het steeds onwaarschijnlijker wordt dat er iets gebeurt, dat er ons nog iets overkomt. Geen ontmoetingen meer die ons oproepen om te getuigen. In de plaats daarvan één uitgestrekte tautologie."
'De Roeping, de Kunstenaar en hun Carrière' Dirk Lauwaert 2004
“Het kunstenaarschap is iets wat je jezelf niet kunt toekennen. Het komt je als roeping overvallen. Maar de erkenning van je kunstenaarschap wordt door anderen geleverd. Het is dan ook onmogelijk om het eigen kunstenaarschap autonoom te beheren als een portefeuille beurswaarden.
De hypothese dat je dat vandaag toch zou kunnen, geeft aan dat het kunstenaarschap van statuut veranderd is. Geen roeping meer, maar ook geen erkenning, eerder een claim, een look, een pose.
Het kunstenaarschap dat het individu hypervaloriseert, kan geen wilsbeschikking van dat individu zijn: geroepen om het te zijn, extreem wachtend op de erkenning. De mythe van het kunstenaarschap is gedacht als een imperatief. De hypothese van een kunstenaar met brugpensioen ontneemt hem de verplichting die roeping en erkenning met zich meebrengen. De eis om eigentijds te zijn, wordt zo de vraag om modieus te zijn. (Dirk Lauwaert)
Het geplette woord, -herinner je dat bloem en tenslotte brood de molensteen vandoen hebben en je de wuivende halmen klankkleur en beweging kunt schenken met olieverf, muziek of poëzie, maar de beschouwer de hongerdood zou sterven zonder het proces waarvoor vroeger wind en wieken van doen waren en nu een industrieel gebeuren voor de productie van de dagelijkse boterham van node is. Het alledaagse woord of idee ‘pletten’ waauit combinaties, beelden, ritmes, ervaringen, angsten ontstaan -u zegt het maar- en het uitgezuiverd resultaat daarvan een heus gedicht, symfonie of schilderij zou worden. Transformatie? De menselijke ervaring met de tijd die tweevoetig (verleden-toekomst) door het nu wandelt, wel eens geblinddoekt of bebrild, maar niet te stoppen.
Gmt
Weg door de korenvelden in de nabijheid van de Zuider Zee. Jacob van Ruisdael (1628-1682)(klik op beeld om te vergroten)
VADER EN ZOON IN HEVIGE REGEN
Je zoon op je schouders. Boven hem je paraplu een lopend torentje In regen van nu. Zelf wees geweest en wees gebleven zit je daar zelf op schouders van ouders, zelf in de vorm van een zoontje, en boven de hoofden een ronde en kleine maar troostende droogte.
"Een kunstwerk vraagt om aandacht en verdient woorden. En aandacht is meer dan voelen, meer dan het ‘ondergaan’ en de woordeloze instemming van het duimen, van lekker of niet, tranen of applaus. Het zuivere, woordeloze kijken en voelen vergeet het werk. Hoe lang kan je gedachteloos kijken? Tien, vijftien seconden voor een schilderij is lang. Ah! een Rubens! Raveel! Twee stappen achteruit, nog tien seconden. Voilà, dertig seconden, gezien, de volgende. Zonder woorden in het hoofd is het lastig kijken. Beelden zijn glad, de aandacht schuift erop uit, en vergeet het beeld voor het volgende. De roman is uit, de voorstelling afgelopen, het ‘gevoel’ verdampt. En dan? Nieuwe roman, nieuwe voorstelling, koffie of een café, en de voorstelling of het werk zijn weg. De ‘ervaring’ brengt niet bij maar altijd voorbij het werk, en doet het vergeten.
Wat echt telt, is niet de beroemde ‘eerste, onmiddellijke ervaring’: wat echt telt, is de tweede keer, is het teruggaan naar een stad, het terugkeren naar een schilderij, het herlezen van een gedicht, gewapend met een vraag, een gedachte, een associatie, met het verlangen iets – de herinnering aan de ‘eerste keer’ bijvoorbeeld – te verifiëren. Om bij een werk te blijven moet men tegen de ‘ervaring’ in zwemmen. En het eerste middel om bij het werk te blijven en het écht aandacht te geven, is woorden te hebben. Om lang te kunnen kijken en geleidelijk iets te zien, moet men veel lezen.
Natuurlijk zijn er belangrijker dingen dan kunst. Maar omdat kunst zo concreet en zo onoverzichtelijk is, omdat het zo moeilijk is er iets over te zeggen en men bij elk werk opnieuw moet beginnen, omdat er vanzelf dissensus heerst, is kunst belangrijk: het is een slijpsteen voor het denken."
Bart Verschaffel. 1996 (De Witte Raaf, editie 60. maart-april 1996)
Het snijden van de kei. Een man zit vastgebonden in een stoel terwijl een man de kei uit zijn hoofd snijdt. Aan een tafel rechts zitten verschillende belangstellenden. Op tafel ligt een uitgesneden kei. Om de centrale ronde voorstelling heen zijn schetsmatige groteske figuren aangebracht. (klik op het onderschrift om de prent te vergroten)
Anne Redpath.(1895-1965). Scottish ‘The Worcester Jug’. (ingezoomd)
“Dit is een van een aantal stillevens en interieurs die Anne Redpath in de jaren 1940 schilderde in haar huis in Beaconsfield Terrace, Hawick. In 1947 beschreef een verslaggever de zitkamer van de kunstenares:
'Onmiddellijk bij binnenkomst… voelde ik me alsof ik in een van haar schilderijen was binnengestapt. Er stond een theebakje op een tafeltje zoals ik het zo vaak had gezien en, net als op de geschilderde tafeltjes, pasten de kopjes niet bij elkaar! Op de schoorsteenmantel stonden bekende stukken servies - een roze en witte theepot, een petuniakleurige kom, een Worcester kan met een felle blauwe band eromheen.' In de traditie van kunstenaars als Matisse en Vuillard zijn Redpaths schilderijen vaak intieme portretten van haar eigen huiselijke omgeving." (National Galleries)
Stillevens hebben wij in verschillende bijdragen belicht, tot in eigen huis waar wij allen alledaagse stillevens herbergen, al dan niet gewild. De vraag blijft waarom beeldende en schrijvende kunstenaars van alle tijden hen een belangrijke plaats in hun oeuvre blijven geven. Raadpleeg onze eerste aflevering over dit onderwerp:
In een zwijgzame zondagmorgen ligt op tafel het stilleven, een archipel van dingen waaraan ik hecht, een werelddeel. een samenraapsel, maaksel van makers, die niet meer kunnen worden voortgetroost, toegesproken of gestreeld. Hartvormige koperen onderzetter, goedig bol glas, een bord voor knoflook en tamme kastanjes; twee spitse appelmesjes liggen ook. Het buikig boekje dat ik weer een week niet las. De bloemenkan is leeg en heeft iets kookgraags als een aarden pot. En dan het drietal vroege krokussen – niet uit -, waaraan nog voortgewerkt wordt door een erg verlegen maar een vastbesloten god, tegen de botte doodsdrift in, waarin wat stil wil leven twijfelt tot het rot.
Ed Leeflang 1929-2008 uit: De hazen en andere gedichten 1979
Riebo Riebema Stilleven met kweeperen en kurkentrekker, olieverf op paneel, 36,5 x 51,5 cm (met lijst), 2019, particuliere collectie.
Overvloed
Ze noemen mij stilleven. Dat is een vergissing. Iets beweegt in alle dingen. Zie hoe zelfs een vin zindert aan een dode vis.
Bernard Dewulf (1960-2021)
Vis en Vis. Marc Terstroet
„Een hedendaagse, originele benadering van het traditionele stilleven”, noemt de vakjury van Nederland Fotografeert de foto Vis en Vis van Marc Terstroet. „Met slechts twee eierdopjes en een vis, gevoel voor humor en oog voor compositie schetst hij een heel prikkelend en bevreemdend tafereel.” (NRC en Nikon 2015)
Anne Redpath Het kanten tafellaken (c) BRIDGEMAN; Supplied by The Public Catalogue Foundation
Je zou het een beredeneerde verzameling van levenloze dingen kunnen noemen, natura morte, op een bijzondere manier geordend, belicht en al. dan niet betekend. Saskia de Bodt noemt het in folio ‘een reis naar de grote stilte’.
De verregaand impressionistisch werkende Kees Verwey (1900-1995) ontdekte op zijn zeventigste opeens zijn atelier als bron. Hij had er dertig jaar geschilderd, maar ineens veranderde de onbeschrijflijke bende die er organisch was gegroeid, in ‘een stilleven van adembenemende schoonheid’, aldus Max van Rooy in 2005. (ibidem)
Kees Verwey. (1972). Atelier Interieur 180cm x 200cm
Boeiende lectuur: Het stilleven: een reis naar de grote stilte.
This video was filmed within a span of 3 days and a half. The piece is called "Second Omen", 5x8 graphite on paper. Karla is an award winning artist who enjoys working on a diverse and wide variety of projects.
Karla loves good music, good stories, good laughs and good food. She paints her days away with her cat Keedy Bady , and that's how she likes it.
Had ik de wereld geschreven, ik had haar direct weer geschrapt. Niet uit hypochondrie
maar uit vakmanschap. De wereld is samen te vatten in de witheid van één blad en dan moet je dat doen ook, geen gezeur. Maar omdat je daar niet van kunt leven, schrijf ik meestal om het even wat en maak mijn lezers wijs dat daarin de wereld ligt vervat. Ik schrijf
bijvoorbeeld: ‘Wit is waarheid. Woorden bedrog.’ Of: ‘Zo is het toch?’ Of nog:
‘Maar ik hou niet van wat waar is! Geef mij maar notaris Van der Leugen. Die legt alles in een officieel geheugen vast en, door de kracht van zijn pen, wordt wat hij heeft beschreven voorgoed van onbestaand naar onvergankelijk verheven.’
Is dat niet mooi omschreven?
Tom Lanoye (1958). Uit: ‘De meeste gedichten’
Hagelwit. Zo zag het iconische Gentse Graffitistraatje er vandaag heel even uit. Het GUM (Gents Universiteitsmuseum) schildert samen met Gentse street art-kunstenaars dit straatje wit als ode aan het witte blad en kondigt zo ook een bijzonder boek aan: ‘Welkom in het hoofd van de wetenschapper’, een boek van Marjan Doom. Zij is directeur van het GUM. Dat nieuwe wetenschapsmuseum opende op 21 en 22 maart 2020 de deuren.
Het boek van Marjan Doom is niet zomaar een boek: het is een leeg boek, met enkel een inleiding en het statement: “Soms moet je van een wit blad beginnen om tot nieuwe inzichten te komen.” (Gum: Gents Universiteits Museum en Plantentuin. 2020)
"Het 'GUM' is een museale vertaling van het Durf Denken-ideé. Het is een wetenschapsmuseum dat de klemtoon legt op de zoektocht naar kennis. Wetenschap geïllustreerd als een creatief, steeds evoluerend en pluralistisch concept. De schoonheid van dat proces wilden we naar buiten brengen. Het witte Graffitistraatje en de witte boeken leken ons de perfecte manier om dat te doen." (Marjan Doom, directeur GUM.
In de onderstaande video vertellen acht schrijvers hoe ze de confrontatie met het witte blad aangaan of doorstaan. Met: Jonathan Franzen, Lydia Davis, Joyce Carol Oates, Margaret Atwood en David Mitchell. Je kunt onderschriften activeren. (5’04”)
Margaret Atwood:
‘It’s a bit like skiing: if you’re skiing downhill and you stop in the middle to think ‘How am I doing this?’, you’ll fall over.’
Het witte blad klinkt vernieuwend, maar grijpt in feite terug naar een verleden dat nooit heeft bestaan. Het roept een wereld op waar belangen ondergeschikt zijn aan logische regels die iedereen erkent, ook als ze hem of haar niet goed uitkomen. Maar de mens heeft de politiek juist bedacht omdat zijn natuur anders in elkaar steekt. We hebben zelf het beste met de gemeenschap voor, maar we vermoeden dat anderen niet zo zijn. En dus stellen we grenzen aan ons altruïsme. Het gemeenschappelijke doel waarover we het eens moeten zijn voor we het witte blad bovenhalen, bestaat niet. We beweren van wel, maar we weten dat het niet zo is. En daarnaar gedragen we ons.
(Uit: De paradox van het witte blad, Bart Sturtewagen in ‘De Standaard’ van 12 juni 2015)
‘Ik wilde het eindelijk weleens weten. Hoe vals, hoe bescheiden of hoogmoedig, hoe nederig of hovaardig ben ik? Kortom, wie denk ik eigenlijk dat ik ben? Uiteraard kwam ik er niet uit. Nog nooit ben ik al denkend ergens uitgekomen.’ (Bernard Dewulf)
René Magritte, La Page blanche (Het onbeschreven blad), 1967, olie op doek, 54 x 65 cm
Volgens Georgette Magritte is dit het laatste werk van de kunstenaar voor zijn overlijden in augustus 1967. Enkele weken eerder had Magritte aan een bezoekend journalist gevraagd om het werk te beschrijven. Toen de journalist een halve maan achter bladeren zag, veranderde Magritte het werk: het werd een volle maan op het gebladerte. Daarna zagen nog twee andere bezoekers het werk en telkens hield Magritte rekening met hun commentaar en paste het aan.
Syndrome de la page blanche
Sneeuw
Wij hebben niets meer dan het witte blad van noode, waar – zooals zuiver sneeuwen op de aarde dwaalt de overluchtsche vlucht van de gedachte daalt, door ééne wenk der wimpers tot dit uur ontboden.
Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden, in ’t hart der stilte, wit van een volstrekt gemis. Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is, hebben wij niets meer dan het witte blad van noode.
Ida Gerhardt (ca. 1950) ‘Sneeuw’, een ongepubliceerd gedicht van Ida Gerhardt, is op 31 januari 2002 verschenen in het eerste nummer van het poëzietijdschrift Awater
Verdampt, verdwenen, gesmolten, uitgeveegd? Eens woorden of kleuren in hoofden en in open zielen zijn gaan wonen beginnen ze hun eigen levens te leiden. Ze vermengen zich met dromen van de ontvanger, worden wel eens fluisterend herhaald of schieten wortel in een zoekende ziel.
Het volgende witte veld wacht als een moeder op de thuiskomst van haar kinderen.
Harvey, Harold C.; A Kitchen Interior; 1918; Brighton and Hove Museums and Art Galleries; This domestic scene depicts Harvey’s wife Gertrude in their kitchen at Maen Cottage.
De Newlyn School-schilder Harold Harvey (1874-1941) staat bekend om zijn portretten van het dagelijks leven van Cornish-vissers, mijnwerkers, boeren en figuren in huiselijke interieurs evenals voorstellingen van het Cornish landschap. Hij werd geboren in Penzance, volgde zijn opleiding bij Norman Garstin aan de Académie Julian in Parijs en bleef in Penzance wonen totdat hij er Gertrude Bodinnar ontmoette, collega en model aan de Stanhope Forbes School of Painting. Na hun huwelijk in 1911 woonden ze in Maen Cottage in Newlyn. Gertrude poseerde vaak voor Harvey in zijn schilderijen van huiselijke interieurs en ze waren bevriend met zowel Laura en Harold Knight als Dod en Ernest Procter, waarmee ze in de jaren 1920 een schilderschool runden.
(David Saywell. ARTUK)
Harold Harvey ‘Winding wool’
De onderwerpen die hem inspireerden waren de onderwerpen die hij voor zijn deur vond: Cornish’ mensen aan het werk, spelende kinderen en intieme interieurs. Veel van zijn tijdgenoten in Newlyn waren bezoekende ‘waarnemers’, maar voor Harold Harvey, die Cornwall zelden verliet, hoewel hij regelmatig exposeerde in de Royal Academy, was het schilderen van de Cornish-wereld zijn hele leven.
While his early work is very much of the style of the founders of the Newlyn School, in the early 1900s the colony itself began to change and new influences made their mark. Laura and Harold Knight arrived in the village in 1907 and Ernest Procter and his later wife Doris (Dod) Shaw in the same year. Not far away, in the Lamorna valley, worked Samuel John 'Lamorna' Birch, Robert and Eleanor Hughes, Frank and Jessica Heath, and Charles and Ella Naper.
Harold Knight. “A Cornish Boy’. 1917. Oil on canvas Maas Gallery
Rond de Eerste Wereldoorlog gingen Harold en Laura Knight vaak op schildervakantie in Cornwall. Ze verbleven in caravans bij hun vrienden Harold en Gertrude Harvey en Charles en Ella Naper. Harold Harvey schilderde onmiskenbaar dezelfde jongen in 1917 (Narcissen, Christie’s 28 november 1996), naar ons kijkend met een mand bloemen in zijn typisch brede hand. Knight gaf de voorkeur aan een hard profiel en een vlakkere behandeling en schilderde dezelfde jongen in hetzelfde jaar, met een hoed die typisch is voor vissers uit Newlyn (Knight droeg er zelf ook een).
Harold Harvey Daffodils Oil on Canvas 20 x 16 in.
In het vissersdorp Newlyn, in het EngelseCornwall, vlak bij Penzance, bestond van omstreeks 1880 tot in het begin van de twintigste eeuw een artiestenkolonie, de Newlyn School genoemd. Het dorp was aantrekkelijk voor schilders: mooi licht, goedkoop leven en betaalbare modellen. Vaak was het strand, de haven van Penzance, de zee of het harde leven van de vissers onderwerp van hun schilderijen. Over Walter Langley, de eerste schilder die er zich vestigde, maakten we in 2006 een bijdrage: ‘Armoede en sentiment: Walter Langley’, hier te raadplegen.
En dan is er het licht. Vanuit het raam, over de blonde hoofdjes van de twee kleine kinderen, weerkaatst door het witte tafelkleed en verzacht met het tedere geel van de sjaal om moeders schouders. Het kleine meisje drinkt, moeder geeft een bord door aan de nabije jongen. Man en zoontjes wachten. Het is nog vroeg in de morgen. Links in beeld een kom met een goudvisje. Er is een zekere gelatenheid, maar ook rust. Thuis zijn, nog even voor het uitzwermen naar school en werk. Stilte. Nog even en dan begint het tafereel te bewegen en kan ik mij de lege tafel voorstellen.
Familie aan tafel circa 1912
This superb British figurative interior oil painting is by noted Newlyn school artist Harold Harvey. Painted circa 1912 the composition is a Cornish family, bathed in golden light, seated around a table having a simple meal. The mother, dressed in a yellow shawl and standing next to her husband is passing a plate to her son. The two younger children, sat in the bay window, are drinking their tea. The wall paper is also yellow with flowers and the children's hair gleams like gold. There are some lovely little details such as a gold fish in a bowl on a nearby dresser and bellows hanging by the fire surround. The British Impressionist brushwork and impasto are superb. This is a really warm and intimate portrayal of a family and a lovely example of Harvey's earlier work with good provenance. (Richard Taylor Fine Art)
The young Ménage. (1932)
Met de kinderen verschuift de tijd. Het licht is genadig, belicht ’the young ménage’ in het tijdperk tussen de wereldoorlogen, maakt de aarzelingen zichtbaar, de nieuwe modes en oude gewoonten en hoe we daarmee de dag doorkomen. Kritisch? Inderdaad.
Gertrude and Harold Harvey set up home at Maen Cottage, Newlyn, high above the rest of the village, with a magnificent view of Newlyn Harbour, Mount’s Bay and Penzance. Gertrude was proud of her house and garden, and Harold’s own love for his home is evident in his paintings. The house, the garden, the view and Gertrude herself all feature regularly in Harvey’s work, although he also had a studio in the village.
Rear view of a woman (Gertrude Harvey) standing to the right of a dressing table by a window, adjusting her hair (1920)
Harvey painted a number of works with this theme. Harold and Gertrude loved children but did not have any of their own. It is felt by some that works such as this one express this lack in his life. The models for this painting are Nannie Pearce Tregenza Tregenza and her son Joseph. (ART UK)
De twee mannen op de voorgrond zijn Nicholas Grenfell en Sidney Angove, die in de mijnen Geevor en Botallack in de parochie St Just werkten. Achter hen heeft Harvey een tinmijn in Maleisië geschilderd. Aan het eind van de jaren 1920, met de opening van alluviale tinafzettingen in Malaya, werd de prijs van Cornish tin onderboden, waardoor veel mijnwerkers naar Zuidoost-Azië, de VS, Australië en Zuid-Afrika emigreerden op zoek naar werk. Dit werk werd in 1936 tentoongesteld in de Royal Academy. (Art UK)
Harold Harvey died on Monday 19 May 1941 at his home in Maen Cottage, aged 67. Stanhope Forbes wrote ‘…Cornwall may indeed be proud to have produced so fine and sincere an artist.’ Judging by the warmth of affection with which his work is held in his native county, Cornwall is still justly proud.
Willem Goeree, Jan Luyken, Maet-redige tronie-stellingh, (Drawing heads according measuring), Four Natural positions of Heads.1682.
In Goeree’s General Art of Painting the importance of philosophers, mathematics, geometry, symmetry,Liberal Arts and Cesare Ripa’s Iconologia is mentioned, in the Art of Drawing, the use of ovals, of a grid, diagonals and a lead-line as an axis of symmetry while drawing after plaster statue, is recommended. This practice is in the 18 th century also used by artists, like Gerard De Laraisse and Abraham Bosse. (The hart of Rembrandt Symbolism and geometry in the Dutch 17th century. by Theo Elsing)
In 1670 publiceerde Willem Goeree (1635-1711) een kleine verhandeling getiteld: Inleyding tot de practijck der algemeene schilder-konst Acht jaar later publiceerde Samuel van Hoogstraten (1627-1678) zijn langere Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst . Hun interesses waren zeker niet beperkt tot de beeldende kunst. Na het publiceren van verschillende titels over kunst, richtte Goeree zijn aandacht op andere kennisgebieden, zoals theologie en wereldgeschiedenis. Van Hoogstraten schreef, naast zijn verhandeling over schilderkunst, als ondertitel: De zichtbaere werelt, een pendant getiteld: De onzichtbare werelt. De exacte inhoud blijft onbekend, omdat het boek nooit gepubliceerd is, maar experts vermoeden dat het over filosofische zaken ging.
Uit: ‘Willem Goeree versus Samuel van Hoogstraten ‘ (Gijsbert M. van de Roemer)
Dit om duidelijk te maken dat de theorieën die beide heren kunstenaars verspreidden niet alleen over maten en gewichten handelden, kennis omtrent het in beeld brengen van de werkelijkheid, (de natuurlijke uitzichten van de tronies) maar de werkelijkheid zelf in haar filosofische en technische gedaantes als onderwerp kreeg.
"As a prolific author, publisher and bookseller operating between Middelburg and Amsterdam, Goeree represents a remarkable case study through which to investigate the processes of producing, printing and publishing knowledge in the Dutch Republic. As his early biographer David van Hoogstraten remarked, Goeree demonstrated “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – an affection for knowledge in the widest sense, as understood at a time when disciplinary boundaries were still in flux. Goeree’s diverse interests and vast erudition are reflected in his own books, in which he discusses topics ranging from the art of painting to the history of the Jews, from cosmological theories to the ideas of Descartes. Similarly, his library suggests a learned owner conversant with natural history and ancient civilisations, curious about the latest philosophical debates and recent developments in the field of medicine." (Workshop Willem Goeree and the production of knowledge in the early Modern Netherlands)
Syrian Sheep Or Ram, Jan Luyken, Willem Goeree is a drawing by Jan Luyken And Willem Goeree
Als productieve auteur, uitgever en boekverkoper die opereerde tussen Middelburg en Amsterdam, vormt Goeree een opmerkelijke casestudy aan de hand waarvan de processen van het produceren, drukken en uitgeven van kennis in de Nederlandse Republiek kunnen worden onderzocht. Zoals zijn vroege biograaf David van Hoogstraten opmerkte, gaf Goeree blijk van “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – een genegenheid voor kennis in de breedste zin van het woord, zoals begrepen in een tijd waarin disciplinaire grenzen nog in beweging waren. Goeree’s uiteenlopende interesses en enorme eruditie worden weerspiegeld in zijn eigen boeken, waarin hij onderwerpen bespreekt die variëren van schilderkunst tot de geschiedenis van de Joden, van kosmologische theorieën tot de ideeën van Descartes. Ook zijn bibliotheek suggereert een geleerde eigenaar die vertrouwd is met natuurlijke historie en oude beschavingen, nieuwsgierig naar de laatste filosofische debatten en recente ontwikkelingen op het gebied van geneeskunde.” (Werkplaats Willem Goeree en de productie van kennis in de vroegmoderne Nederlanden)
In het biografisch woordenboek der Nederlanden deel 7 wil ik je graag de samenvatting van zijn bio meegeven:
GOEREE (Willem), zoon van den voorgaande, werd te Middelburg den 11den December 1635 geboren. Hij toonde van zijne jeugd af aan eene groote neiging voor de beoefening van kunsten en wetenschappen, en vond, meer tot jaren gekomen, zijn grootste vermaak in den omgang met geleerde mannen. Tot zijn ongeluk verloor hij vroeg zijn vader, en geraakte daardoor onder de tucht van een onkundigen en strengen stiefvader, die hem, niet willende toestaan dat hij zich aan de studie toewijdde, noodzaakte eene andere werkkring te zoeken. Hij koos hierop den boekhandel, doch vergat daarbij echter de kunsten en wetenschappen niet
A.J. Van der Aa. 1862
In 2004 schrijft Inger Leemans in ‘Nederlandse Letterkunde Jaargang 9: “De weg naar de hel is geplaveid met boeken over de bijbel Vrijgeest en veelschrijver Willem Goeree (1635-1711)”.
Of hoe je ook nog in deze eeuw op de brandstapel kunt belanden. Vandaar de aandacht van universiteiten om geschiedenis, wetenschap en letterkunde vanuit de tijd waarin ze ontstonden te onderzoeken zoals Weststeijn, T dat deed in 2013 met “The universal art of Samuel van Hoogstraten (1627-1678): painter, writer, and courtier. (University of Amsterdam) en te raadplegen:
Hanneke Grootenboer schrijft in ‘De Witte Raaf’, editie 217 van mei-juni 2022 een heel mooie tekst over een ook door mezelf gekoesterd schilderijtje van Rembrandt. ‘Inrtieme ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst.’ Een fragment.
“Rembrandt is een schilder van denkers. In 1632 maakte hij een paneeltje van een filosoof die met de handen over de buik gevouwen in een kamer zit. Goud licht valt door het raam. Met het hoofd iets naar voren geleund neemt hij een typerend peinzende pose aan. Het grote folio dat opengeslagen op tafel ligt is wellicht de aanzet geweest tot de mijmeringen waaraan hij ten prooi is gevallen. Terwijl hij niets doet dan denken, als het vleesgeworden vita contemplativa, staat rechtsonder de tegenhanger: de vrouwelijke belichaming van het vita activa, het actieve leven, die met een pook het vuur onder een kookpot opstookt. De twee figuren, hun rol en de verschillende ruimtes rondom hen (de private ruimte van het huishouden en de intieme ruimte van het innerlijk) worden gescheiden door een opvallende s-vormige wenteltrap die beschouwers al kijkend kunnen betreden, tot ze blijven steken in de duistere bocht halverwege, en hun ogen de spiraal naar boven afronden via de onderkant van de trap. De binnen- en buitenzijde van de trap zijn als een DNA-streng helemaal verwikkeld geraakt. Moeten vita contemplativa en vita activa als twee gescheiden leefwijzen gezien worden, of vormen ze samen een wenteltrap, als twee in elkaar gedraaide vormen die elkaar volledig aanvullen?”
Dit kleine paneeltje van 28 bij 34 centimeter – de afmetingen van een iPad – zit vol met gedachten, die zich niet alleen in het hoofd van de oude man afspelen, maar ook de binnenruimte lijken te vullen. Als dit vertrek een metafoor is voor zijn denkruimte, dan speelt de opvallende wenteltrap een grote rol, als een denkfiguur waarmee de filosoof hoger of dieper in zichzelf kan spiralen. Wenteltrappen werden vaker afgebeeld in combinatie met filosofen, zoals in een tafereel van Salomon Koninck – ongeveer een decennium later gemaakt, en met bijna dezelfde afmetingen – dat lang als een pendant is gezien van Rembrandts paneel.
Hanneke Grootenboer “Intieme Ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst” (fragment) De witte raaf. editie 217. mei-juni 2022
Een versie van deze tekst is uitgesproken op 13 mei als oratie van de auteur als hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Rembrandt. De filosoof mediterend. Klik op afbeelding om te vergroten
Er is dus meer dan ‘de natuurlijke stand der troniën’. Er is nieuwsgierigheid. Aanvoelen. Kiezen. Nieuwsgierig zijn en blijven. Soms vragen stellen, twijfel uitdrukken, vooral: waar-nemen. Je toont niet alleen het denken, je zet aan tot denken. Nog even Hanneke aan het woord:
“Rembrandts paneeltje kan bekeken worden met de definities van Van Hoogstraten of Goeree in het achterhoofd, maar het roept, als verbeelding van het denken, ook de fundamentele vraag op die door Hannah Arendt zo helder is geformuleerd in haar meesterwerk The Life of the Mind uit 1971. Ze vraagt zich af wat we precies doen als we denken. Wat is het dat ons aanzet tot denken, en waar en wanneer grijpt het denken plaats? Arendt laat zien dat we ons moeten afsluiten van de wereld om ons heen vooraleer een denkproces te kunnen starten. We moeten ons terugtrekken uit de publieke sfeer en de private sfeer betreden – of juister nog: een domein binnen die private sfeer, een intieme ruimte waarin een denker slechts van gedachten vergezeld wordt, en zo met zichzelf in gesprek kan gaan. Denken valt altijd buiten de gewone bezigheden en staat daarmee in contrast, schrijft Arendt: ‘Het onderbreekt telkens weer de gewone levensprocessen, juist zoals het gewone leven telkens weer het denken onderbreekt.’ Een denker heeft altijd een object nodig: hij of zij denkt niet ‘iets’, maar denkt na over iets. Zo’n object noemt Arendt een thought-object, een ‘denkding’. Kunstwerken zijn voor Arendt denkdingen bij uitstek, en betrokkenheid bij kunstwerken leidt niet zozeer tot kennis (of tot waarheid), maar gaat juist voorbij aan de grenzen van kennis en leidt tot betekenisgeving. “(ibidem)
In het zeventiende eeuwse Parijs werd Aristoteles’ filosofie op onderstaande manier verbeeld. Het zal dus eerder bij tuinieren dan bij diep zuchten te zoeken zijn.
Meurisse and Gaultier’s Artificiosa totius logices descriptio, 1614 — Source.
Tom Duncan (b. 1939) 1939-A War Toy for a German Child-1945, 1989 mixed media 15 x 27 x 13
Tom Duncan werd in 1939 in Shotts, Schotland geboren. Zijn jeugd kreeg vorm door het geschreeuw van sirenes, vluchten naar schuilkelders en de ervaring waar zijn moeder door nazi-piloten gedood kon worden. Als toevluchtsoord begon Duncan met het maken van kunst toen hij 4 jaar oud was. In 1947 verhuisde zijn familie naar de Verenigde Staten. Op 20-jarige leeftijd ging hij naar de kunstacademie, maar werd hij ontmoedigd door medestudenten die dachten dat abstract impressionisme “de enige echte kunstvorm” was. Tom werkte als modelbouwer voor de NYC Port Authority, inclusief het maken van de architecturale modellen voor de geplande World Trade Center Towers. Getuige van de instorting van deze torens vanop het dak van zijn studio, 11 september 2001, versterkte deze gebeurtenis voor hem nog meer de onvoorspelbaarheid van het leven. In een interview zegt hij: “I’m not sure if I would say I’m an inventor. But I love to make things and find out how things work. I guess I’d prefer to say I’m a sculptor.”
Tom Duncan (b. 1939) Portrait of Tom with a Migraine Headache (No. 3), 2020 Found objects, acrylic, graphite, collage and tin cutouts 42.5 x 25.75 x 2 inches
Portrait of Tom with a Migraine (2020), is a double relief, consisting of found objects, collage, and tin cutouts. The work consists of two reliefs– green on the verso and red on the recto. The two busts are placed within a frame with curving embellishments. Considerable open space occurs. Both figures’ bodies incorporate found objects that make their torsos more intricate, even if we don’t really know what these objects symbolize. Their heads, too, are filled with unknowable things–an obvious reference to the migraine Duncan is referring to. The manufacture of the sculpture is fairly rough, yet the overall effect is cultivated in some idiosyncratic, nearly 19th-century manner. Duncan communicates the migraine in subtle ways despite the work’s aura of directness. (Whitehot Magazine. Jonathan Goodman. 2023)
Tom Duncan (b. 1939), Portrait of Tom with a Migraine Headache, 2013, Mixed media, 128.5 x 61.5 inches
Een ander werk, met dezelfde titel als het eerste reliëf dat in de recensie wordt genoemd, “Portrait of Tom with a Migraine“, is gemaakt in 2013. Het toont een robotachtige vorm in het wit, bestaande uit verschillende doosvormige objecten die op elkaar gestapeld zijn. Er is een hoofd bovenaan de kolom, maar het lijkt meer op een dier dan op een persoon. Het hoofd, dat herkenbare gelaatstrekken heeft, geeft enige menselijke zwaarte aan het object, maar het suggereert ook een brute achtergrond: we weten niet of het werk een zelfportret is, of een afschuwelijk wezen met pijn. Een aantal pijplengtes lopen van het middenrif van het beeld naar de sokkel. Deze laatste, onregelmatig gevormd maar met rechte randen, ondersteunt het werk van bijna 130 centimeter hoog. Terwijl de titel duidelijk maakt dat het werk verwijst naar de kunstenaar zelf, is er ook het gevoel dat deze werken emblematisch zijn voor de menselijke conditie in het algemeen. Het ogenschijnlijke gebrek aan academische verfijning in veel van Duncans sculpturen kan de toevallige kunstkijker voor de gek houden door te veronderstellen dat hij directe communicatie wil tussen hem en zijn publiek. Dat is niet echt het geval. In plaats daarvan zou je kunnen veronderstellen dat zijn rauwe benadering van het werk een manier is om contact te maken met een groter publiek dan degenen die zich doorgaans bezighouden met beeldende kunst. (ibidem)
Tom Duncan (b. 1939) The Blue Madonna and her Friends, 1981 Wood, collage, paris craft, acrylic, lights, found objects 79 x 42 x 12 inches
Duncan cites Flannery O’Connor as an abiding influence. His images evoke the uncanny and can be unsettling, involving viewers in a narrative much like good fiction. Set as they are within seductively theatrical cabinets (that some pieces resemble altars seems no accident), the dramatic scenes possess at once the depth of storytelling as well as the epiphanic flash of poetry. In his recurring depictions of wartime violence as seen through the eyes of a child, history is particularized, personalized, and charged with mystery. The past, as another Southern author, William Faulkner, once said, isn’t dead, it isn’t even past. (Andrew Edlin Gallery. NY)
Tom Duncan (b. 1939) 1939-A War Toy for a German Child-1945, 1989 mixed media 15 x 27 x 13
“Een van de eerste herinneringen waar ik bijvoorbeeld een stuk over maakte, was de eerste zomer dat ik in Amerika was toen ik op kamp ging. Ik was nog nooit bij mijn moeder weg geweest. Ik ging twee weken op slaapkamp. Ik kreeg ruzie met kinderen. Er was een stationwagen die ons over een grindpad naar het zwembad bracht. Ze stapten in de stationwagon en ik hing aan de achterkant van de auto en ze sloegen me en sloegen me eraf. Ik hield me vast. Ik ben erg vasthoudend. Plotseling reed de auto weg en de kinderen sloegen me nog steeds op mijn handen om me eraf te krijgen. Uiteindelijk realiseerde ik me dat ik los moest laten. Ik liet los en rende zo snel als ik kon. Ik probeerde mezelf overeind te houden, maar dat lukte niet en ik maakte een buiksprong op het grindpad. Ik sneed mijn hele borst open. Ik kwam terug bij de kleedkamer en een non kwam naar me toe en zei: Ga naar het kampziekenhuis. De non smeerde me in met mercurochrome en ik had een knalrode borst die er de hele tijd dat ik op kamp was niet afwaste. Alle kinderen kwamen naar me toe en vroegen: “Kun je je borst aan mijn vriend laten zien? En dan tilde ik mijn shirt op. Het voelde alsof ik een stigmata had, maar ze behandelden me met ongelooflijk respect. ( Westbeth home tot the arts Terry Stoller)
The Mercurochrome Kid Finally Comes Home. 1988. Mixed media, 16 x 25 x 2½ inches.
Kijk naar zijn werk ‘dedicated to Coney Island’ waar hij vijftien jaar aan werkte. (werking zie YouTube)
Tom Duncan (b. 1939) Dedicated to Coney Island, 1984-2002 Mixed media 96 x 90 x 84 inches
In werking? Kijk naar:
Coney Island, vijftien jaar werkplezier
Dedicated to Coney Island, a giant three-dimensional scene and vivid recreation of the amusement park. This recreation of the New York City landmark is based on Tom Duncan's memories of growing up near Coney Island. The myriad details of the work show, among other things, the beach crowded with bathers, various amusement rides, a balloon, trains... By pushing buttons, the viewer can activate different moving parts of the work such as the Wonder Wheel and the trains. In this video, Andrew Edlin introduces us to the fantastical world of Tom Duncan, who was strongly influenced by his childhood in World War II Scotland and postwar New York. (Vernissage TV)
Tommy and the Scottish Sky. 2007. Mixed media, 47½ inches in diameter, 1½ inches deep.
“I apparently was strafed while I was out in the brandy by a German plane when I was 2 years old. The brandy was a cow pasture that doubled as a playground. My mother heard the siren and came running to get me. I don’t remember the event of the strafing. I know unconsciously I must have seen the bombers. Whether I saw them in Edinburgh or in Shotts, it doesn’t matter. For me it’s an iconic image that reappears in my work.” (Westbeth Home to Arts)
Tom Duncan (b. 1939) Homage to William Blake, 1982 Mixed media 11 x 14 x 1.5 inches
De kunst van Tom Duncan wordt gekenmerkt door een kinderlijke kijk op zowel trauma als plezier in al zijn vormen. Zijn kunstwerken staan ook vol eerbetoon aan de vele fascinerende en krachtige vrouwen die hij in zijn leven heeft gekend. Duncan maakte een werk als eerbetoon aan zijn tante Meg die Tom voor het eerst boetseerklei gaf. Gekleed in haar uniform van het Woman’s Air Corps herinnert Tom zich hoe tante Meg hem stiekem chocolaatjes van de zwarte markt gaf en hem leerde om miniatuurkelkjes van de wikkels te maken. Nonnen waren ook een vast onderdeel van Duncan’s jeugd en adolescentie. Tom Duncan’s 500 nonnen doneren hun hersenen aan de wetenschap in de iconische Duncan-stijl, het waar gebeurde verhaal van de zusters van de Notre Dame, in de leeftijd van 75-106 jaar, die er moedig voor kozen om deel te nemen aan een historische studie die meerdere decennia duurde. Het onderzoek onder leiding van Dr. David Snowden van de Universiteit van Kentucky in Lexington, naar veroudering, beroerte en de ziekte van Alzheimer. “Ik beschouw mezelf als ex-katholiek nadat Vaticanum II niet ver genoeg ging in het doorvoeren van hervormingen, maar ik heb mijn liefde voor de verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament en al mijn spiritualiteit behouden.” (American Visionary Art Museum)
Tom Duncan (b. 1939) Dream Nun, 2000 Mixed media 13 x 10 x 2.5 inches
Hij zal nu 86 worden. Maar zijn werk blijft het mooie van de kinderlijke inspiratie hebben, aangevuld met de angsten en waarderingen met wat ons allen op allerlei leeftijden overkomt. Zijn werkwijze steunt op ervaringen, op een sterke open kijk waarin eerder een ‘art brut’ het haalt op een modieuze afstandelijkheid. De intensiteit van herinneringen en verwachtingen behoudt juist daardoor haar herkenning die ook vaak de onze mag worden.
My Guardian Angel and My Devil Fighting Over My Soul From My Conception to My Death, 2014 Mixed media 28 x 11 x 11 inches
Het zuchtje licht kust je, verbindt je uiteindelijk, dat alles inclusieve woord waarin wij allen zullen slapen. Het puntje bij het paaltje.
Het dromen hoort bij leven te gebeuren.
‘Man in Hammock’. Albert Gleizes. 1913
Je zou het niet van een Engelse stadsarchitect verwachten, zelfs niet met de nogal bewegelijke naam ‘George Dance the Younger’, net tweehonderd jaar geleden overleden (1741-1825) schepper van innovatieve plannen voor gebouwen die op dit ogenblik in meerderheid zijn geslecht, tekende hij, samen met zijn vriend architect William Daniel, ook voortreffelijk -hoofdzakelijk voor de vriendenkring- grappige scenes uit het alledaagse leven naast fraaie portretjes van huisgenoten en bekenden. Maar, naar goede Britse traditie, ook dit:
George Danse A ghost appearing to a group of figuresRepose & Exertion George Dance RA
Hoewel de schetsen over het algemeen zwelgen in het absurde, zijn sommige duidelijk beïnvloed door hedendaagse gedachten en historische gebeurtenissen. Dance gaf het album zelfs de titel “The Sublime and the Beautiful”, een luchtige verwijzing naar Edmund Burke's zeer invloedrijke On the Sublime and the Beautiful uit 1756. Een reeks karikaturen van hoogwaardigheidsbekleders satireert ineffectieve buitenlandse overheden en ten minste één kan specifiek in verband worden gebracht met de gebeurtenissen tijdens de Peninsulaire Oorlog, waaraan Dans zoon William deelnam. Een aantal tekeningen is ook verbonden met toneelstukken en opera's die in die periode werden opgevoerd. Dit is misschien niet verwonderlijk gezien de sterke theaterconnecties van de familie Dance. James, de oudste van de gebroeders Dance (gestorven in 1774), was een ietwat guitige acteur en schrijver die een theater runde in Richmond en optrad in Drury Lane en zijn zoon William (gestorven in 1840) was muzikant in het King's Theatre Orchestra.
A skeleton and two figures in a Gothic building George Dance RA (1741 – 1825)
Deze belangstelling voor spoken en griezels zal een blijvend thema zijn in de Angelsaksische literatuur, kijk maar even bij onze serie ‘The turn of the screw” naar het bekende en vaak gedramatiseerde verhaal van Henry James.
Dance’s profile portraits were well known to his contemporaries but his caricatures seem to have been reserved for his own private entertainment and that of his family and friends. Nevertheless, while staying with Sir George Beaumont at Coleorton, Dance frequently entertained his host and patron by ‘drawing humorous figures’. The album was possibly assembled for Dance’s own family, and the inscription on the first page reminding “Nobody (so well known to Everybody)” to “put their fingers, toes, or elbows &c. upon the Gigs in pensil only” certainly suggests that he anticipated its use by persons perhaps less respectful than Sir George Beaumont. (RA)
Dance was a sociable man. He played musical instruments and drew for the amusement of others. This included satirical drawings and portraits. Some were published, and over 200 of his portraits survive in various collections, including four at the Soane Museum. Dance’s portraiture style was meticulous, usually depicting the subject seated, at half-length, and produced in short strokes with hatching, usually in pencil and sometimes with colour in wash or chalk. Dance described his portraits as ‘relaxation from the severer studies and more laborious employment of professional life’. Between being widowed in 1791 and left to care for three young sons, and his busy professional activities, Dance’s life may have been onerous, and drawing portraits offered relaxation and sociability. This informal likeness of George Soane (1789-1860), the younger son of John and Eliza Soane, was probably produced at a social gathering: as Soane’s architectural master, Dance became a close family friend. (Sir John Soane's Museum London)
Dance was een gezellige man. Hij bespeelde muziekinstrumenten en tekende voor het vermaak van anderen. Hieronder vielen ook satirische tekeningen en portretten. Sommige werden gepubliceerd en er zijn meer dan 200 van zijn portretten bewaard gebleven in verschillende collecties, waaronder vier in het Soane Museum. Dance’s portretstijl was nauwgezet, meestal zittend, op halve lengte, en uitgevoerd in korte streken met arceringen, meestal in potlood en soms met kleur in was of krijt. Dance beschreef zijn portretten als “ontspanning van de strengere studies en het meer arbeidsintensieve werk van het professionele leven”. Omdat Dance in 1791 weduwnaar werd en de zorg voor drie jonge zonen op zich moest nemen, en zijn drukke professionele activiteiten, kan zijn leven zwaar zijn geweest en het tekenen van portretten bood ontspanning en gezelligheid. Deze informele beeltenis hierboven van George Soane (1789-1860), de jongere zoon van John en Eliza Soane, werd waarschijnlijk gemaakt tijdens een sociale bijeenkomst: als architecturale meester van Soane werd Dance een goede vriend van de familie
George Dance the Younger ‘A Man doing the Splits’
En nu?…NOG STEEDS bang in het donker?
Binnen lig ik in mijn bed met gedachten aan daarbuiten waar kabouters vrolijk fluiten, want die hebben altijd pret.
Binnen in mijn warme hol hoor ik mijn gedachten lopen, die tevoorschijn zijn gekropen en ik voel me boordevol.
Vol verwarring en plezier om de koude nacht daarbuiten, klamme handjes op de ruiten van het een of andere dier.
Vast een soort van chimpansee. Zal ik hem eens binnenlaten? Nee, in godsnaam laat maar praten, ik zit genoeg in de puree.
Lekker is het hier in bed. 'k Heb mijn allermooiste dromen nu vanavond laten komen en de wekker afgezet.
Maar des nachts om twaalf uur komt een kerel van de zolder met een grote zak vol kolder en een fles vol apezuur.
Daarvan ben ik toch wel bang, maar gelukkig gaan mijn kleren dan elkaar weer mores leren en ze rennen door de gang.
De zanger en de verteller, beiden in 1944 geboren. Kind in de wederopbouw, vaak in denkpatronen terug naar de jaren dertig eens de overlevenden in de vijftiger jaren weer thuis waren. De oorlog onder de mat geschoven tot de Frankfürter processen (1963-65) een fel ontwaken veroorzaakten.
De grote beeldbak, televisie begon aarzelend de avonden te vullen. Ruimte om te vertellen bij het invallend duister bleef voorradig. Zelfs de ‘acht-uren-moeder’ (Kempische uitspraak “Muiër”) bleek nog wel eens op pad te zijn om kinderen die rond die tijd nog buiten speelden schrik aan te jagen, en naar verteld werd, ja zelfs mee te nemen. Op zijn vraag ‘waar naar toe?’ kreeg hij een onduidelijk antwoord. Het donker echter, vooral de diepe nachtelijke duisternis, bleef op hem wegen. Maar, zei men, er kwam een nieuwe tijd, een tijd waarin de wetenschap die oude angsten zou oplossen. En het zou nooit meer donker worden.
Robert Dickerson (1924-2015). Man sleeping on the steps. (1952)
Transfiguratie (De blinde II) werd geschilderd in de eerste helft van 1915 en is een van de meest raadselachtige werken uit deze tijd. Twee figuren lijken te zweven boven een fragmentarisch, gestileerd landschap, waarbij de onderste figuur steviger geworteld is in de grond. In dit dubbelportret is de kunstenaar, die zichzelf vroeger vaak afbeeldde als een “ziener”, nu ook blind. Een mogelijke interpretatie is dat Schiele afscheid neemt van zijn vroegere zelf en zijn jeugdige narcisme, dat “blind was voor anderen”, terwijl de meer volwassen Schiele, die geaard blijft, “blind is voor zichzelf” – voorlopig. (Jane Kallir. Leopoldmuseum. Wenen)
Halverwege een carrière die in 1909 begon en nauwelijks tien jaar duurde, nam het leven van de in Tulln geboren kunstenaar Egon Schiele (1890-1918) een dramatische wending. De troonopvolger van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk werd op 28 juni 1914 vermoord en in augustus was het grootste deel van Europa in oorlog. In november 1914 trouwde de favoriete zus van de kunstenaar, Gertrude “Gerti” (1894-1981), na een tumultueuze buitenechtelijke relatie met zijn vriend en oud-klasgenoot Anton Peschka (1885-1940). In dezelfde periode nam Schiele geleidelijk afstand van zijn oude metgezellin, Walburga “Wally” Neuzil (1884-1917). Vlak voordat hij in militaire dienst ging, eerst in Praag en daarna in Neuhaus in Bohemen, trouwde hij op 17 juni 1915 met het ingetogen buurmeisje Edith Harms (1893-1918).
3 portretten van Edith
De familie Harms, bestaande uit Edith, haar oudere zus Adele en hun ouders Johann en Josefine, verhuisde begin 1913 naar het pand tegenover het atelier van de kunstenaar aan de Hietzinger Hauptstrasse. De zussen groeiden op in een beschermde omgeving; ze leerden allebei naaien en koken en spraken vloeiend Engels en Frans. Schiele maakte schijnbaar voor het eerst contact met de twee vrouwen in januari 1914, een relatie die in december van dat jaar intensiever werd. Begin 1915 bekenden Egon en Edith hun liefde voor elkaar.
Egon Schiele Woman removing her Blouse (presumably. Edith schiele). 1917
Slechts drie dagen na hun huwelijk en een korte huwelijksreis in Praag moest Schiele Edith op 21 juni achterlaten in een hotel in Praag en zich melden bij zijn regiment. De 21-jarige vrouw was nog nooit alleen geweest en vond het extreem moeilijk om de langdurige afwezigheid van haar man te verdragen. In haar dagboek – dat ze oorspronkelijk als schetsboek van Egon had gekregen en sinds hun huwelijk bijhield – schreef ze onder andere over ondraaglijke eenzaamheid. Ediths wisselende stemmingen, die vooral te wijten waren aan haar langdurige eenzaamheid, brachten Egon ertoe om te worstelen met menselijke intimiteit op een manier die voor hem volkomen onbekend was. In zijn portrettekeningen werd hij zeer ontvankelijk voor elk van haar vluchtige stemmingen, die hij met grote gevoeligheid vastlegde.
Egon Schiele. Edit Schiele in an striped Dress, Seated. 1915. Photo Leopold Museum Vienna
In juni 1916 – een jaar waarin Schiele vanwege de oorlog slechts negen schilderijen voltooide – schilderde hij een oude molen aan de rivier de Erlauf bij Mühling in Neder-Oostenrijk, waar hij gestationeerd was. Het werk is ongewoon gedetailleerd en heeft een bijna documentaire-achtige objectiviteit. Kort daarna noemde de kunstenaar dit schilderij “waarschijnlijk mijn beste landschap”. Het onderwerp kan ook worden gelezen als emblematisch voor die tijd: als afspiegeling van de turbulente omstandigheden lijkt het krachtige, kolkende water op het punt te staan de vervallen molen omver te werpen. De symbolische weergave van vergankelijkheid, van leven en dood, maar ook van eeuwigdurende vernieuwing, komt in het hele oeuvre van Schiele terug.
Als je Schiele’s enige bekende zelfportret als soldaat (midden) vergelijkt met een zelfportret uit 1912 (links), wordt het sterke contrast in stijl en expressie meteen duidelijk. Het portret uit 1916, geschilderd met een soms losse maar assertieve potloodstreek, toont de kunstenaar op een ongewoon realistische manier – zijn blik is sceptisch en plechtig, zijn voorhoofd licht gegroefd en zijn vermoeide ogen donker gearceerd. Er is geen spoor van de theatrale posering of expressionistische vervormingen die kenmerkend zijn voor zijn eerdere werken. Het rechtse portret van een Russische krijgsgevangene toont vooral de menselijke kant van het gebeuren, de hulpeloosheid.
Toen Schiele in februari 1917 terugkeerde naar zijn Weense atelier en weer toegang had tot modellen, vertoonden zijn werken in dit genre een duidelijke stilistische verschuiving ten opzichte van eerdere werken.
De figuren werden merkbaar meer sculpturaal, met een nadruk op vrouwelijke rondingen. “Nu zijn het lichamen, gezwollen van leven,” merkte de schilder Anton Faistauer op, verwijzend naar de late werken van zijn vriend. Bovendien demonstreerde Schiele zijn steeds verfijndere vaardigheid door middel van weloverwogen poses en geraffineerd gebruik van perspectief. Bepaalde houdingen – hurkend, liggend, staand of buigend – werden herhaaldelijk onderzocht, verfijnd en geperfectioneerd.
Zijn omgang met kleur in werken vanaf 1914/15 onderstreept Schiele’s interesse in plasticiteit. De weergave van de huid werd steeds genuanceerder en vertoonde vaak meer detail en differentiatie.
In de laatste twee jaar van zijn leven begon Schiele te werken aan een cyclus van allegorische naaktportretten, die hij wilde presenteren in een speciaal daarvoor gebouwd mausoleum. Deze cyclus, ontworpen om de grote thema’s van het aardse bestaan, de dood en wederopstanding te behandelen, was zowel een samenvatting van de levenslange spirituele verkenningen van de kunstenaar als een poging om de immense menselijke verliezen van de Eerste Wereldoorlog te verwerken.
Kaurendes Menschenpaar. ‘Die Familie’ (1918)
Het gezin dat nooit de werkelijkheid zou halen. Edith sterft in oktober 1918, zes maanden zwanger. Egon drie dagen later. De Spaanse griep. Schieles moeder, Marie, zou hen zeventien jaar overleven.
„Eine Epoche zeigt der Künstler ein Stück seines Lebens. Und immer durch ein großes Erlebnis im Sein der Künstlerindividualität beginnt eine neue Epoche die kurz oder länger dauert […].“
Egon Schiele, Manifest der Neukunstgruppe, 1909
Edith 1917-Edith met Egon en haar neefje Paul Erdmann rond 1915
In formele termen maken Op Art werken, die voor het grootste deel gebruik maken van een geometrisch vocabulaire, deel uit van de 20e-eeuwse traditie van abstracte concrete kunst, waartoe ook de Minimal Art behoort die in de jaren 1960 (en dus laat) opkwam. Op Art onderscheidt zich echter van deze andere vormen door het uitgesproken verlaten van de comfortzone van harmonieuze gematigdheid ten gunste van dramatische effecten, vervormingen en andere vormen van zintuiglijke overbelasting.
Deze werken illustreren hoe een engagement met vibrerende patronen, pulserende en vluchtige nabeelden, paradoxale ruimtelijke illusies, anamorfoses, moiré en verschuivende effecten, evenals andere methoden van optische illusie en fysieke invloeden, al in vroegere tijdperken te vinden zijn als tegenwicht voor meer “klassieke” artistieke benaderingen.
In formal terms, Op Art works, which for the most part make use of a geometric vocabulary, are part of the 20th-century tradition of abstract concrete art, which also includes the Minimal Art that came onto the scene in the 1960s (and thus at a late date). Op Art is distinguished from these other forms, however, in its pronounced departure from the comfort zone of harmonious moderation in favor of dramatic effects, distortions, and other forms of sensory overload. (ibidem)
Theoretische grondslagen voor deze benadering zijn bijvoorbeeld te vinden in Umberto Eco’s boek Opera Aperta (1962), waarin de auteur de toeschouwers erkent als actieve deelnemers aan de totstandkoming van de kunstwerken – ja, zelfs als een noodzakelijke voorwaarde voor hun volledigheid. Gebaseerd op dit concept werden Eco als denker en Op Art als artistieke beweging vroege protagonisten in de participatieve kunst van de tweede helft van de twintigste eeuw en het postmoderne denken in het algemeen. Umberto Eco werd met name ook een vroege Op Art-theoreticus met zijn tekst. (ibidem)
Fundamenteel in Salvador Dalí’s werk uit deze periode is zijn interesse in nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, met name kwantumfysica en kernfysica. In Confesiones inconfesables (Bruguera, 1975) herinnert hij zich dat “de atoomexplosie van 6 augustus 1945 mij seismisch had geschokt. Vanaf dat moment was het atoom mijn favoriete onderwerp van reflectie”. Naast deze nieuwe fascinatie kwam de kunstenaar in de jaren 1940 dichter bij de katholieke religie en keerde hij ook terug naar het academisme door middel van thema’s die geïnspireerd waren door de westerse traditie, zoals de Italiaanse Renaissance en de Spaanse Gouden Eeuw. De combinatie van beide invloeden zal leiden tot wat bekend staat als de “atomaire periode”, en tot de publicatie van het Mystieke Manifest (1951) waarin Dalí de symbiose uitlegt die hem tot de nucleaire mystiek heeft gebracht: “Elk kwartier en elke seconde bevindt de materie zich in een constant en versneld proces van dematerialisatie, van desintegratie, ontsnappend aan de handen van de wijzen en ons zo de spiritualiteit van alle materie tonend […]”. In Raphaels Madonna Maximum Speed leent de kunstenaar het beeld van een van de madonna’s van Raphael Sanzio, een van de grote renaissancemeesters die hij het meest bewonderde. Het werk synthetiseert de grote klassieke traditie via het religieuze thema, met de ontdekkingen en ervaringen van de moderne kunst, wat de kunstenaar de mogelijkheid geeft om een kunstwerk te creëren met een heel andere stijl.
Ruth Gallego Fernández
Maximum Speed of Raphael’s Madonna (Máxima velocidad de la Madonna de Rafael) Salvador Dalí. 1954 Figueras, Girona, España, 1904 – 1989
"We must keep in mind that whatever we observe its not Nature itself but Nature as exposed to our way of framing questions."
Werner Heisenberg.
ROBERT SILVERS (1968- ) Migrant Mother. PhotoMosaic
1968 New York. Robert Silvers works with the medium of photo-mosaics. Out of an infinite number of photographs he assembles motifs that often reproduces famous works of the history of art or represent personalities from te realms of politics and cinema. To do this he use a software which he developed himself, so that his works might be designated as a kind of high-tech pointillisme.
Giuseppe Arcimboldo, The Libarian, ca. 1566, oil on canvas. Wikimedia Commons
Maximiliaan II was gefascineerd door de natuurlijke wereld en deze interesse in biologie en andere gebieden lokte wetenschappers en filosofen naar zijn hof. Het is dan ook geen verrassing dat Arcimboldo’s eerste projecten voor Maximiliaan II – de series “De Vier Jaargetijden” (zie bovenaan deze bijdrage), waarmee hij in 1563 begon, en “De Elementen”, voltooid in 1566 – voortkwamen uit die liefde voor de wetenschap. “De vier seizoenen” bestaat uit vier profielportretten van figuren die zijn gemaakt van ingewikkelde arrangementen van natuurlijke materialen zoals fruit, groenten, bloemen en planten die specifiek zijn voor de zomer, herfst, winter of lente. Arcimboldo hanteerde een vergelijkbare benadering voor de vierdelige serie “De Elementen”, met spookachtige afbeeldingen van figuren die respectievelijk zijn samengesteld uit vuur en goud, veelvuldige zeedieren en parels, groepen vogels en diverse fauna.
Adam en Eva. Volger van Arcimbold. 1578
Tot zijn meest idiosyncratische schilderijen behoren De bibliothecaris (ca. 1566), dat volgens sommigen de Oostenrijkse humanist, historicus en arts Wolfgang Lazius voorstelt en een stoïcijnse, antropomorfe piramide van boeken toont; portretten van Adam en Eva uit 1578 die de gezichten van een vrouw en een man tonen die zijn samengesteld uit groepen menselijke lichamen; en De kok (ca. 1570), dat een serveerschaal toont die op een houten tafel wordt gepresenteerd die, wanneer deze ondersteboven wordt gekeerd, een dreigend gezicht onthult. (Claire Selvin. ARTnews 2020)
De Kok. Het schilderij omgekeerd en de juiste kant op. va 1570
Een heerlijke tocht wordt het als je Giuseppe Arcimbold intikt en de grote diversiteit van zijn werk en tijdgenoten bekijkt. Van een ‘follower’ is deze ‘Allegorie van Water’ circa 1560-70.
Volger van Arcimboldo ‘Allegorie van Water’ 1569-70
Een zelfde composiet-techniek vind je bijvoorbeeld in de Indische vormgeving toegepast in de Deccan-school uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Kijk naar dit fraaie paard.
Anoniem. Deccan school India eerste helft 17de eeuw
Natuurlijk mag je Antwerpenaar Joos de Momper niet vergeten. (1564-1635) ook als Josse of Jan aangesproken. We willen de nieuwsgierige lezer-kijker zijn winter-allegorie niet onthouden. De andere seizoenen vind je in allerlei formaten op het net.
Joos de Momper. de Jongere uit een serie van vier seizoenen in antropomorfische landschappen: Allegorie van de winter
Liefelijke plaats waar alleen het ware zijn onverbloemde beweging zingt in verre velden traagzaamheid. Geen wraak of wrevel maar eindelijk de tederste stilte waarin belletjes de aankomst van de nieuwe maan verwelkomen. O, liefste, eindelijk ontdaan van woorden.
Gmt
Verschijning van een gezicht op het strand. Salvador Dali
Petras Kalpolkas (1880-1945) Landschap in Litouwen 1945
De ziel uitlaten? Geen slechte lucht te vrezen, gewoon uit de dagelijkse kortzichtigheid een deur naar landschappen openduwen en zonder bekommernis of wetenswaardigheden het vaak nog onbekende landschap in. Ziel onder de arm. Kijken. Onder de balken door de weide oplopen. Je omdraaien en even wachten of degene die je liefhebt je achterna komt. Waarom je op de loop bent zou de geschiedenis je kunnen leren, die jaren in Litouwen, maar nu -op dit heiligste ogenblik- is het schuldenvrij. Jouw landschap.
Petras Kalpokas. Brug in maanlicht (1906)
Kwebbelend kwamen ze uit de wind tevoorschijn
Kwetterend doken ze op uit de wind naderden de krakende poorten van de dood passeerden
en - oh hemel - zonder het te beseffen kletsten ze verder
Petras Kalpokas. Vissershut in Palanga Strandlaken
Laten we het bronwater, 1910, nemen door Vilhelms Purvitis. De Letse kunstenaar kopieert de gevolgen van het ontdooien niet graag. Hoewel het water verstoken is van winterijs en er berken en sparren in worden gereflecteerd, speelt het tafereel zich elders af. Een verbeelding die verder gaat dan de pure en eenvoudige beschrijving, akkoorden anders dan de directe van bomen. Oppervlak-effecten als een soort meditatie, de zoektocht naar een innerlijke ruimte die openstaat voor de droom en die als een spiegel waarin de flora deze keer geen van beide is, maar onze eigen aarzelingen in de schaduw van een kosmos, zowel ver als dichtbij.
(Baltische verf: terra incognita. Bertrand Raison)
“De diepste essentie van een kunstwerk kan niet worden begrepen en uitgeput. (...) De werken van de grote meesters zijn eeuwig mooi en onverwoestbaar door het feit dat ze gecreëerd zijn met een immense kracht van de geest. (...) Eeuwig onpeilbare schoonheid komt voort uit een waar kunstwerk.”
(Vilhelms Purvītis)
Vilhelms Purvitis. Winter 1910
Dat zullen we doen.
We zullen mensen van heinde en verre oproepen en we zullen het doen. Samen zullen we creëren.
We zullen de natuur doen. We maken een appelboomgaard, we maken een bos, we maken een bloem in de wei. Stilte in de avond. Vrede zullen we doen.
We zullen streven naar het mooie. “Handen moeten getraind worden, geesten moeten gewekt worden.” We zullen alle dingen harmonieus doen. We zullen doen om de schoonheid van Letland te laten doorschijnen.
We zullen een wit overhemd aantrekken en de aarde uitgraven. We zullen de aarde uitgraven zoals niemand voor ons dat ooit heeft gedaan. We zullen het museum maken, we zullen de tempel maken.
En ons werk zal ons creëren. De werken zullen onze wegwijzers zijn. We zullen het zelf doen.
Visual music’ – these are the words often used to describe the oeuvre of Mikalojus Konstantinas Čiurlionis (1875–1911), one of the most prolific figures in the history of Lithuanian art. A composer and an artist, Čiurlionis produced more than 200 musical compositions and 300 paintings despite his untimely death at the age of thirty-five. Working at the turn of the twentieth century, he was keenly aware of both pan-European intellectual developments and tensions within Lithuania, especially the growing concern for the nation’s independence from the Russian Empire. In his works Čiurlionis combined international fin de siècle ideas of Symbolism, cosmology, and metaphysics with motifs from Lithuanian folk culture, and presented them all in compositions centred around music.
Gusté Matiulionyte. Hasta 2021
Mikalojus Konstantinas Čiurlionis, Žvaigždžių Sonata. Allegro [Sonata of the Stars. Allegro], 1908, tempera on paper, 72.2 x 61.4 cm. Source: http://www.ciurlionis.eu
Kandinsky has generally been seen as the forefather of abstract art.
But in 1951 the art critic Aleksis Rannit claimed that the Lithuanian artist M.K. Čiurlionis had beaten Kandinsky to the punch by several years. Was he correct? Watch and find out! (5')
Between 1894 and 1899, Čiurlionis, a talented young pianist and organist, travelled to the Conservatorium in Warsaw where he studied music, and then to the Conservatorium in Leipzig from 1901 to 1902. It was not until 1899 that he took up drawing and painting, enrolling in the Warsaw Art Academy in 1904 when he was 29 years old, and remaining there until 1906. After 1906, painting came to dominate his output until he died in 1911, although he remained an active composer. (ART UK)
Fairy Tale (Fairy Tale of Kings) 1909, tempera on paper by M. K. Čiurlionis (1875–1911)
[in het diepst van een koude winter...]
een diepe koude winter toen er zelfs geen stoom uit de mond kwam maar giraffen rond dartelden op stoppelvelden eilanden en fregatten haakten in de zeilen er liep een kind aan de rand van het bos, het sloeg af naar het pad dat langer was maar alleen de kleine vos die met het kind meeliep zag deze beelden - een witte witte witte drie keer.
Donaldas Kajokas. (1953)
Mikalojus Konstantinas Čiurlioniš, 1875-1911, L’été, 1907, tempera sur toile Kaunas, musée national des Beaux-arts M.K. Čiurlioniš.
Vanaf februari 2025 zijn ze niet meer verbonden met het Russische stroom-netwerk, de Baltische Staten. De Litouwse minister Šakalienė haalde tijdens de HCSS-bijeenkomst ‘Baltic Defence Line’ een persoonlijk verhaal aan. Een oom van een van haar ouders belandde in een Siberische cel. “Hij verspreidde pamfletten, waarop ‘Litouwen is vrij’ stond. Hij werd gevangen genomen en gemarteld. Rusland gaat met niemand medelijden hebben. Het maakt niet uit of je man of vrouw bent, volwassen of nog maar een kind. We moeten ons zo goed mogelijk voorbereiden. Want afschrikking is onze beste defensie.” De Baltische landen zijn uiterst kwetsbaar voor Russische dreigingen. Ze hebben ze een 520 kilometer lange grens met Rusland en de Russische enclave Kaliningrad, thuisbasis van de Russische Baltische vloot, ligt direct naast Litouwen. Daarnaast is hun bevolkingsaantal, 6,2 miljoen in totaal, zeer gering en liggen ze geografisch geïsoleerd t.o.v. de EU- en Navo-kernlanden.
Petras Kalpokas, 1880-1945, Arbres près d’un lac, huile sur toile, avant 1914, Kaunas, musée des Beaux-Arts M.K. Čiurlioniš.
Een duidelijke boodschap? Nieuw Zeeland koos best voor “equal electorals rights’, dus stemrecht voor mannen en vrouwen. The funny old machine voor male electors only was werkelijk uit de tijd. Male and female als equal electoral rights hoorde bij het nieuwe, frisse denken. Zeg het met fietsen:
Met een beetje kennis van de geschiedenis kom je er makkelijk achter of deze ‘right way’ dat ook was, als er al zo’n enige echte weg zou bestaan.
In deze bijdrage echter wordt de vraag gesteld, politiek, goed en wel, maar wat betekende de zelfstandige vrouw in de mannenwereld van de kunsten, einde 19de tot half twintigste eeuw? De tijd van Dada? Met een boeiend voorbeeld in leven en werk van de Duitse kunstenares Johanna Höch.(1889-1978) die als titel van een collage koos: “Schnitt mt dem Küchenmesser Dada durch die letzte weimarer Bierbauchkulturepoche Deutschlandes’ (Snee met het keukenmes Dada door de laatste bierbuikcultuurperiode van Weimar-Duitsland).
Hannah Hoch – Cut with the Dada Kitchen Knife through the Last Weimar Beer-Belly Cultural Epoch in Germany (1919)
Hannah Höch had haar hele leven al te maken met dit soort schooljongensseksisme. Ze werd op 1 november 1889 geboren als Anna Therese Johanne Höch in een respectabel, bevoorrecht gezin uit de middenklasse in Gotha. Vanaf haar vroegste jaren was Höch een veelbelovend kunstenares. Maar haar vader maakte zich daar zorgen over. Hij vertelde haar dat vrouwen niet voorbestemd waren om kunstenares te worden, maar dat ze (door de goede God van boven) alleen bedoeld waren om moeder en verzorger te zijn – “een meisje moet trouwen en haar kunststudie vergeten”, zei hij vaak tegen haar.
Dada-Ernst / Hannah Hoch / 1920
Als oudste van vijf kinderen moest Höch voor haar jongere broertjes en zusjes zorgen. Wees een moeder, dat zul je worden. Op haar vijftiende werd Höch van school gehaald (onderwijs is slecht, liefje, je hoeft alleen maar te weten hoe je voor kinderen moet zorgen en een man tevreden moet houden) om voor haar broers en zussen te zorgen. Haar dromen om kunstenares te worden werden op een zijspoor gezet tot ze in 1912 besloot haar droom te volgen en zij zich inschreef aan de Kunstnijverheidsschool in Berlijn om glas- en keramiekdesign te studeren. Maar het lot is wispelturig en de Eerste Wereldoorlog annuleerde al snel haar studie.
Höch ging bij het Rode Kruis. Maar haar ambities om kunstenaar te worden bleken te groot om te ontkennen. Ze keerde terug naar Berlijn en studeerde grafische kunst aan de school van het Koninklijk Museum voor Toegepaste Kunsten. Hier ontmoette ze de dadaïsten Raoul Hausmann (met wie ze een relatie kreeg) en Kurt Schwitters (van wie gezegd wordt dat hij een “H” aan haar naam toevoegde zodat het een palindroom werd).
Ohne Titel (Aus einem ethnographischen Museum) / Hannah Hoch / 1930
Aangemoedigd door haar nieuwe vrienden met eindelijk de controle over haar leven, begon Höch collages te maken. Haar inspiratie haalde ze uit de ansichtkaarten die Duitse soldaten naar hun geliefden stuurden waarop ze foto’s van hun gezichten plakten bovenop de afbeeldingen van cavaliers of boeren.
Höch werkte daarna voor verschillende tijdschriften en schreef artikelen over handwerk en borduren. Ze werkte omdat haar minnaar, de zwakke, zelfingenomen Hausmann, zei dat het haar plicht was om hem te steunen omdat hij de echte kunstenaar was. Höch beschreef haar relatie met Hausmann later in het korte verhaal “De schilder”, waarin een mannelijke kunstenaar vervuld is van bittere wrok wanneer zijn vrouw hem (“minstens vier keer in vier jaar”) vraagt om de afwas te doen.
The Father / Hannah Hoch / 1920
In 1920 werd Höchs werk opgenomen in de Eerste Internationale Tentoonstelling in Berlijn. Grosz en Heartfield verwierpen haar opname omdat ze een vrouw was. Pas toen Hausmann dreigde zijn eigen werk terug te trekken als Höch niet werd opgenomen, gaven Grosz en Heartfield schoorvoetend toe.
Maar eerlijk gezegd had Höch een hekel aan het luide, onstuimige, opschepperige exhibitionisme van haar mede-dadaïsten. Ze vond ze kinderachtig, dwaas en gênant. Terwijl hun werk vooral bedoeld was om te shockeren en verontwaardiging te veroorzaken, was Höch meer geïnteresseerd in gender, seksisme, identiteit, etniciteit en de verdeelde ongelijkheden in de maatschappij. Ze legde uit hoe ze foto’s gebruikte zoals een schilder kleur gebruikt of een dichter woorden.
Flucht (Flight) / Hannah Hoch / 1931
In 1922 trok Hausmann zich terug uit de Dada-groep. Ze begon een relatie met de Nederlandse dichter en schrijfster Til Brugman, die tien jaar duurde voordat ze in 1938 de zakenman Kurt Matthies ontmoette en met hem trouwde.
De Tweede Wereldoorlog bracht ze door in een bijna anoniem leven in een klein huisje met een overwoekerde tuin waar ze in stilte bleef werken. In 1944 scheidde ze van Matthies. Na de oorlog evolueerde Höchs werk in de richting van abstractie met een interesse in de natuur en het milieu. Hoewel haar werk vanaf deze tijd tot aan haar dood niet zo bekend is, was Höch nog steeds zeer productief en controversieel. Ze beschouwde het als de rol van de kunstenaar om geaccepteerde waarden in twijfel te trekken en zich in te zetten voor een betere en gelijkwaardiger samenleving. Höch verloor nooit haar verlangen om “de wereld van vandaag te laten zien zoals een mier haar ziet en morgen zoals de maan haar ziet”. Ze stierf op 31 mei 1978, 88 jaar oud.
Portret van Hannah Höch (1933) door Chris Lebeau (op een stoel ontworpen door Cornelis van der Sluys
The Dada Art Style of Hannah Höch’s Collages
Dada was an art concept that began in Zurich, Switzerland in 1915. The movement was anti-monarchy, military, and conservatives, and it was deeply rooted in an “anti-art” mindset. Dadaists believed that art should be free of restrictions and that it should be humorous and fun. These sentiments emerged in the aftermath of the Great War, which drove society to doubt the role of government and to denounce militarization in the face of war’s atrocities.
Many Dada works criticized the Weimar Republic and its unsuccessful attempt to establish democracy in post-World War One Germany. In terms of bourgeois culture, the Dada phenomenon had a fundamentally negative tone. The name “dada” has no genuine meaning; it is only a childish phrase used to indicate the lack of explanation or logic in most of the artwork. (Art in context-Isabella Meyer. 2022-2024)
Jan Brueghel de Oude ‘1568-1625) ‘Het grote boeket’. 1607. Kunsthistorisches Museum, Vienna, Austria.
Het was Jan Brueghel de Oude die zijn bloemencompositie tegen een donkere achtergrond plaatste en er kleine details aan toevoegde: vliegen, slakken, vlinders in alle stadia van de metamorfose als symbool voor transformatie en wederopstanding. Ook libellen als teken voor ‘vergankelijkheid’. Uiteraard alles ‘net echt’, een bewijs voor het meesterschap van de schilder.
Flowers also held symbolism that had Christian connotations inherited from the Middle Ages: roses and lilies for Virgin Mary and purity, tulips for nobility, poppies for power as well as death. (DailyArt 2024)
Jan Brueghel de Oudere. Bloemenboeket. 1606 National Museum of Art of Romania, Bucharest, Romania.
Vreemd dat net bloemenstillevens de toenemende verstedelijking van de Vlaamse en Nederlandse samenleving weerspiegelen. Er is een huis, persoonlijke bezittingen, handel. Niet voor iedereen, eerder een gecultiveerd publiek met ‘middelen’ was vragende partij.
Bloemstillevens waren vooral prominent in de vroege jaren 1600 en richtten zich in hun zeer verfijnde uitvoering en in hun onderwerpen en symboliek tot een gecultiveerd publiek. Schilders als Ambrosius Bosschaert de Oude, Balthasar van der Ast, Roelandt Savery en Jacob Vosmaer verwezen vaak naar kruidenboeken en andere botanische teksten bij het samenstellen van “boeketten” (zoals Vosmaers Een vaas met bloemen; ) waarin meestal bloemen uit verschillende landen en zelfs verschillende continenten in één vaas en op één moment van bloei werden gecombineerd. Een mooie presentatie daarover: site van het Rijksmuseum A'dam.
Jacob Vosmaer. Een vaas met bloemen. waarschijnlijk 1613
De aantrekkingskracht van ‘de veelheid’ in dit leven zorgt naast jacht op ‘nog meer‘ ook voor verwarring. De ‘veelheid’ is moeilijk waar te nemen. Overschouw de wereld en hoor ons bijna luidop ‘veel te veel en te druk!’ roepen. De verwarring kun je zelfs lijfelijk aanvoelen. Stillevens kunnen een middel zijn om een reeks ingewikkelde gevoelens en ideeën over het bestaan terug te brengen naar één eenvoudig begrijpbaar beeld dat de kern kan vormen van een morele bedenking, bv. als een allegorie. Hier een vanitas-stilleven (vanitas: ijdelheid) van de Nederlandse schilder David Bailly. Maar…ook een zelfportret?
‘Het is een complex werk. Zelfportret en stilleven lopen door elkaar, een spel met de tijd. Het rechtergedeelte van het schilderij geeft een groot aantal objecten te zien die typisch zijn voor een vanitas-stilleven: de schedel, een boek, de uitgedoofde kaars waaraan nog een kleine rookpluim ontsnapt, een horloge, een zandloper en zelfs een wierookhouder. Als om het thema nog extra te onderstrepen staat op het papier in de rechterbenedenhoek geschreven: “Vanitas . vani[ta]tum . et . omnia . vanitas” (“IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid”); een zin uit Prediker. Ook de muntstukken, het omgevallen glas, de fluit, de beeldhouwwerken, de bloemcorsage en de parels kunnen stuk voor stuk geïnterpreteerd worden als symbolen van de ijdelheid.
Tegelijkertijd zijn op het schilderij een aantal voorwerpen te zien die zelden voorkomen op een vanitas-stilleven en die vooral te maken hebben met het ambacht als kunstschilder: de schildersstok en het palet aan de muur, een schets van een oude man die doet denken aan een werk van Jan Lievens en een kopie van De luitspeler van Frans Hals, een tekening die Bailly ook daadwerkelijk zelf heeft gemaakt, in 1626, dus 25 jaar eerder dan het hier besproken werk. De beide tekeningen op het schilderij, gescheiden door zeepbellen, refereren qua thema trouwens andermaal aan de vanitas-symboliek van ijdelheid en verstrijkende tijd.
Wie de jonge schilder is, is niet zeker. Het zou een collega-schilder kunnen zijn, of misschien heeft Bailly zichzelf geschilderd als jonge man. In zijn handen houdt hij een klein portret dat een zelfportret van de kunstenaar is, maar dan op latere leeftijd, aan het einde van zijn carrière. Bailly speelt hier nadrukkelijk met het tijdsaspect en draait de rollen feitelijk om: eigenlijk zou het de oude man moeten zijn die een portret van de jongere vasthoudt. Het lijkt nu alsof de afgebeelde persoon in de toekomst kijkt. Opvallend in dat opzicht is ook het omhoog krullend papier van de Hals-kopie, hetgeen suggereert dat het werkje al jaren oud moet zijn; dat was het geval op het moment dat het hier besproken schilderij werd gemaakt, maar dus niet toen de schilder de leeftijd had waarop hij zichzelf hier afbeeldt. Het ovale portret in het midden toont mogelijk de echtgenote van de schilder op jonge leeftijd en vormt aldus een merkwaardige pendant met het portretje van de oudere Bailly links ervan. Haar gezicht doemt nog een tweede keer op als schim vanachter het fluitglas. In feite toont de oudere Bailly op het schilderijtje het zelfportret van zijn jongere ik dat ons recht in de ogen kijkt. Ingenieus! Het is ook zijn beste werk gebleven. (fragm Wikipedia).
Bailly’s De luitspeler, kopie naar Frans Hals, 1626.
Waarschijnlijk bezitten we in onze collecties meer stillevens dan doeken van welk ander genre ook. Kijk naar een werk van de Amerikaanse hedendaagse Hopie Hill uit 2024.
Hopie Hill, Ingres with Oranges (2024). Photo by Jeff McLane.
Los Angeles in de 21e eeuw en het Franse neoclassicisme van de 19e eeuw komen onverwacht samen in het schilderij van kunstenares Hopie Hill waar een zak citrusvruchten nonchalant bovenop een hardcover boek van Jean Auguste Dominique Ingres is geplaatst. In dit schilderij, getiteld “Ingres met sinaasappels”, toont Hill’s creatie een plastic zak met fruit, lichtgevend met doorschijnende plooien die ze op een lokale boerenmarkt kocht. Haar aanpak is hier niet minder precies of eerbiedig dan de manier waarop ze de uitgebreide juwelen en zijden en kanten kledingstukken die op de omslag van het boek staan heeft nagemaakt. L.A. heeft tenslotte altijd haar manieren gehad om traditionele hiërarchieën te ondermijnen. (Artnet)
Hill is adept at synthesizing signifiers of a millennial creative’s life in Los Angeles with her enduring admiration for still-life paintings from the Dutch Golden Age. “The sense of wonder at beauty defining the 17th-century still-life tradition has always felt thrilling to me,” the New Jersey native shared. She and her three sisters, including painter Lily Stockman who is also represented at Moffett, were raised with a broad exposure to art. “My mom used to sit me in her lap and we would open up art books” focusing on canonical figures such as Holbein, John Singer Sargent, and others. “We would look at clues that helped tell the story of the subject.” (Artnet)
Het veilinghuis Charles Moffet toonde haar collectie in ‘The Souvenir’ nog te zien via het net:
Het geschenk (olie op paneel, 14×18) door Janet Rickus
Dit mooie werk van de Amerikaanse Janet Rickus is geen foto maar een heus schilderij. In the Artists network vertelt ze uitvoerig hoe ze te werk gaat en begint met acht dunne lagen acryl gesso, telkens tussen de lagen schurend om een glad oppervlak te krijgen. Vervolgens brengt ze een dunne laag acrylverf aan om het hele canvas te verven. “Ik gebruik een rauwe ombrage, maar zou mezelf gemakkelijk elke neutrale kleur kunnen zien gebruiken – zwart, blauwgrijze of andere bruine tinten,” zegt ze.
Ik kan niet vinden waar gij zijt. Langs uw gelaat gaat noodweer aan; de bittere branding zie ik slaan, met zilt dat in de ogen bijt. Ik kan niet vinden waar gij zijt, noch waar ik zelf ben in mijn pijn. O onmacht van dit samenzijn, verholen riffen, blind ravijn en dieplood van het zelfverwijt – Ik kan niet vinden waar gij zijt.
Ida Gerhardt. Verzamelde gedichten (A'dam 1999)
Eighteenth century Katabira (summer kimono) with patterns of dry hedges, carnations, and swallows. Achttiende-eeuwse Katabira (zomerkimono) met patronen van droge hagen, anjers en zwaluwen.
The word is split into two terms: kyo (経) which means Buddhist sutra, and katabira (帷子) which is a light, unlined kimono worn on informal occasions, such as rising in your own house in the morning. Katabira were traditionally made from hemp and came into fashion around the Heian period (794 to 1185).
Het woord is opgesplitst in twee termen: kyo (経) wat boeddhistische soetra betekent, en katabira (帷子) wat een lichte, ongevoerde kimono is die gedragen wordt bij informele gelegenheden, zoals 's ochtends opstaan in je eigen huis. Katabira's werden traditioneel gemaakt van hennep en kwamen in de mode rond de Heian periode (794 tot 1185)
Heggen waarin het goddelijk vuur ontspringt. Uit de as rood gevlamd nog: anjers en daaruit losgekomen de terugkeer naar het licht: zwaluwen in de morgenlucht.
Hedges In which the divine fire springs. From the ashes flamed red still carnations and from them released the return to the light: swallows in the morning sky.
Gmt
Daughter of Nefertiti & Akhenaten. Amarna Princess
De ‘Amarna-revolutie‘ was niet alleen een religieuze maar ook een artistieke revolutie. De kunst van dit tijdperk is herkenbaar aan de onmiskenbare kronkelige vormen en de bijzondere expressiviteit van gezichten en gebaren, die uiteindelijk, zij het op een minder uitgesproken manier, in het volgende tijdperk overeind blijven. De Amarna-periode duurde minder dan twintig jaar: met de komst van het nog jonge kind Toetanchaten (‘levend beeld van Aton’), dat weldra Toetanchamon (‘levend beeld van Amon’) zou heten, werden de traditionele culten hersteld. Akhetaten werd verlaten en werd een steengroeve voor bouwmateriaal. Het intermezzo van Amarna markeerde echter de overgang naar een nieuwe politieke, culturele en artistieke fase. (Egypt Museum)
Limestone head of a princess New Kingdom, 18th Dynasty, reign of Akhenaten, c. 1353–1336 B.C. Museum of Fine Arts, Boston. 1976.602
Ongelukken bij het waarnemen van de tijd
Wijze van waarneming: tussen de kanalen. Woordloze dagen, jaren, perioden. Eeuwenlang tekenen met inkt of gebrande sienna op de rots. Onrustige krassen. Silhouetten van onhandige figuren. Wirwar van lijnen (dieren in beweging). Millennialang woorden die het lichaam omwikkelen, geselen, silhouetten van onhandige zinnen. De ruimte erachter. Verstilling – en dwang van drukke beelden. Ontwarren. Overbruggen. Begrip tonen, doen alsof. Hand voor plezier: tekenen. Een hand. Hand: overleven, doden. Mond voor de stem (spelen, bedriegen). Openen. Voor een ander. Gelijke bij gelijke (Picasso in de grot). En bruggen! Voor zichzelf. Voor een ander.
"De grot was dus niet alleen maar een museum. Het was een kunstacademie waar mensen leerden schilderen van degenen die hun waren voorgegaan en vervolgens hun vaardigheden toepasten in de volgende geschikte grot die ze tegenkwamen. Al doende, en met de hulp van flikkerend licht, schiepen zij animatie. De beweging van groepen mensen door het landschap leidde tot de schijnbare beweging van de dieren op de wanden van de grotten. Naarmate mensen over ouder schilderwerk heen schilderden, verder trokken en weer gingen schilderen, werd grotkunst – of, bij ontstentenis van grotten, rotskunst – in de loop van tienduizenden jaren een mondiale meme."
(Hier zijn wij, wezens zoals jullie--Barbara Ehrenreich. De Groene A'dammer 18 december 2019 (51-52)
Tijd
Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook nooit te zullen weten wat het is
en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven
zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt naar iets in zichzelf, iets ziet daar wat het meekreeg
zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat een verte voorbij onze ogen
het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken dat ooit niemand meer zal weten dat we hebben geleefd
te bedenken hoe nu we leven, hoe hier maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd
niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik buiten onze gedachte is geen tijd
we stonden deze zomer op de rand van een dal om ons heen alleen wind