053_8ad6cb93f1721124e7beadf36c508822

Ik stuur je een foto op van Charles Baudelaire au fauteuil, gemaakt in 1855 door de grote portrettist Felix Nadar.

Nadar heeft verschillende foto’ s van zijn vriend gemaakt tussen 1855 en 1858.
Van deze proef is het negatief vernietigd en is ons alleen een afdruk op papier gebleven.
Het is de enige afdruk van de eerste sessie die waarschijnlijk in het begin van het jaar 1855 plaats vond.

De dichter en Nadar hadden elkaar al ontmoet in het begin van de jaren 1840, en ondanks hun karakteriële tegenstellingen bleef een hechte vriendschap hen beiden verbinden.
Die vriendschap bleef tot aan de dood van Baudelaire duren. (1867) en zelfs daarna bleef hij aan zijn vriend denken.
Getuige daarvan een portret dat hij in 1911 publiceerde: “Charles Baudelaire intime: le poète vierge.

In 1862 poseerde Baudelaire een laatste keer voor de lens van Felix Nadar.
Van één van die proeven zou Manet een gravure maken.

Uit zijn dagboek, “mon coeur mis a nu”, wil ik je toch (op veilige afstand in Florence) deze zinnen citeren:

La croyance au progrès est une doctrine de paresseux, une doctrine de Belges.
C’est l’individu qui compte sur ses voisins pour faire sa besogne.
Il ne peut y avoir de progrès (vrai, c’est-à-dire moral) que dans l’individu et par l’individu lui-même.
Mais le monde est fait de gens qui ne peuvent penser qu’en commun, en bandes. Ainsi les Sociétés belges.
Il y a aussi des gens qui ne peuvent s’amuser qu’en troupe. Le vrai héros s’amuse tout seul.

Hij had natuurlijk in België de gelegenheid gehad om zich “alleen” te amuseren, waardoor deze reactie enigszins begrijpelijk is, al herken ik wel een beetje dat “penser qu’en commun” als ik over mijn verlaten vaderland schrijf.

Om het goed te maken stuur ik je toch nog het eerste deel van zijn “Chant d’ Automne” uit de tweede editie van zijn Fleurs du Mal (1861)
Je wordt er niet vrolijker van, maar het hart heeft zijn raisons die de ziel makkelijk herkent.
Hier is het zacht zoals oktober alleen zacht kan zijn: de brutaliteit van de zomer geneest onder dit kortstondige licht.
John Sargent zou zijn geboortestad herkennen.

Bientôt nous plongerons dans les froides ténèbres ;
Adieu, vive clarté de nos étés trop courts !
J’entends déjà tomber avec des chocs funèbres
Le bois retentissant sur le pavé des cours.

Tout l’hiver va rentrer dans mon être : colère,
Haine, frissons, horreur, labeur dur et forcé,
Et, comme le soleil dans son enfer polaire,
Mon cœur ne sera plus qu’un bloc rouge et glacé.

J’écoute en frémissant chaque bûche qui tombe ;
L’échafaud qu’on bâtit n’a pas d’écho plus sourd.
Mon esprit est pareil à la tour qui succombe
Sous les coups du bélier infatigable et lourd.

Il me semble, bercé par ce choc monotone,
Qu’on cloue en grande hâte un cercueil quelque part.
Pour qui ? – c’était hier l’été ; voici l’automne !
Ce bruit mystérieux sonne comme un départ.