Onder invloed van Descartes die de geest als één geheel beschouwde is men lange tijd gaan geloven dat intelligentie één vermogen was, het vermogen om problemen op te lossen, afgekort g (general intelligence)

Wie dus goed is in het één is ook goed in het ander.
Problemen in het leven zijn veelvormig: rekenen, een vreemde taal leren, bladerdeeg bakken zonder oven, een computertaal leren, een sonate van Beethoven spelen, koffie zetten, vier carburateurs van een motorfiets synchroon afstellen, een weigeraar tijdens parachutespringen te lijf gaan, ruzie met de levenspartner beslechten, enz.
Niet iedereen is even goed of even slecht in dat alles.

Men heeft al te vaak intelligentie beschouwd als dat wat op de school wordt aangeleerd.
(Vroon zegt er fijntjes bij: behalve dan op de technische school en de huishoudschool)

In feite beschikt de mens over drie typen intelligentie, namelijk een vermogen tot het oplossen van analytische, van creatieve en van sociaal-emotionele problemen.

Zo kan iemand die op de middelbare school en eerste jaren van de universiteit erg goed is, toch mislukken omdat hij bij het opzetten van persoonlijke stellingen faalt bij gebrek aan creatieve vermogens daar waar hij altijd kon teren op zijn zeer goede analytisch kunnen.

Omgekeerd kan iemand die in het middelbaar telkens weer met de hakken over de sloot het haalt, zeer goed zijn bij het opzetten van experimenten in zijn verdere loopbaan.

Deze drie hoofdvormen hangen statistisch niet erg samen, kijk maar naar de niet bestaande correlatie tussen IQ en het succes binnen een beroep.

Ook de structuur van het analytisch intellect voldoet niet aan g.
Vroon noemt zeven verschillende intelligentiefactoren (zoals verbaal denken, numeriek denken, ruimtelijk inzicht)
Iemand noemt er zelfs 120!

Verstandelijke vermogens hebben dus een groot aantal mogelijke combinaties en opereren vaak los van elkaar.
Die meervoudigheid wordt in ons onderwijs nog steeds geweld aangedaan omdat men de opleiding steeds weer naar de 19de eeuwse analytische vermogens richt waarbij emotionele intelligentie en creativiteit in de kou blijven staan.

In onze taal hebben we zo maar eventjes 1200 woorden die met persoonlijkheidskenmerken of karaktertrekken te maken hebben.
Statische analyses laten zien dat je deze overvloed kunt terugbrengen tot 5-7 verzamelingen van begrippen.
Ons gedrag wordt in feite veel meer door situaties bepaald dan door interne karaktertrekken.
(denk even aan het experiment waarin een groep proefpersonen wordt verdeeld in bewakers en gevangenen, een experiment dat moest worden stopgezet wegens de ver doorgedreven wreedheid van de kandidaat-bewakers!)

Menselijk gedrag is vanuit karaktertrekken lang niet zo begrijpelijk en voorspelbaar als wij geneigd zijn te denken, zegt Vroon.
Veel van ons gedrag wordt bepaald door ‘de logica van de situatie’.
Als we mensen vragen een lijst met karakterkenmerken van elkaar op te maken dan zie je dat mensen die met elkaar in onmin leven elkaar veel meer negatieve eigenschappen toekennen, een duidelijk bewijs van een dubbele moraal.
De vijand is altijd slechter dan wijzelf.

Deze fenomenen worden bestudeerd in het kader van de attributietheorie, en een belangrijk begrip hier is de attributiefout

Deze fout heeft twee kanten.
Geven we een verklaring voor het gedrag van anderen dan wordt de situatie in het algemeen onderschat en de persoonlijkheid overschat.
Bij de beoordeling van ons eigen gedrag is dat net andersom.
Bij mislukkingen van onszelf wordt graag naar omstandigheden verwezen, en bij succes naar onze persoonlijkheid en in forse mate aanwezige intelligentie!

Kijk naar de politiek.
Als de regering een fout maakt, ligt dat aan de economische conjunctuur of de dreiging in het midden oosten, maar voor de oppositie is er duidelijk sprake van ‘een slechte ploeg’.
Na de verkiezingen zijn de rollen verwisseld en dezelfde mensen draaien plots een halve slag en geven dan dezelfde verklaringen.
Bij verlies worden niet de omstandigheden door de kiezer beoordeeld maar steeds de partij, een mooi voorbeeld van de attributiefout.

Dat mensen vaak door de situationeel druk handelen vergeten we al te vlug en de persoonlijkheid heeft meestal minder te betekenen dan wij veronderstellen.
Als wijzelf ons moeten rechtvaardigen hanteren we maar al te graag deze stelling: het was de schuld van Jan, het weer zat tegen, de computer viel uit.
Mijn persoonlijkheid heeft dan weer veel te weinig aandeel in mijn analyse.
Beoordeelt een andere persoon mij dat ervaart hij mij eerder tegen een wazige achtergrond en daardoor worden mijn karakterfouten en persoonlijkheidseigenschappen dan verantwoordelijk gesteld voor mijn falen.

Dat deze attributiefouten ook belangrijk zijn in de rechtspraak spreekt voor zichzelf, maar in regel worden ze steeds weer gemaakt omdat de samenhang tussen persoonlijkheid en omstandigheden nooit evenwichtig naar voren komen.
Feitelijkheden zoals men die in een wetboek van strafrecht vindt worden immers steeds losgekoppeld van persoonlijkheid en/of omstandigheden, naargelang het goed uit komt voor de ene of de andere partij.

De stelling van de gemeenschap die de rechter zou moeten verdedigen en/of beschermen ziet immers ook alleen maar die vage achtergrond waartegen een persoonlijkheid zich aftekent.

Maar dat is dan weer een ander verhaal!


De mooie poppen zijn van Akira en Larry Blount