Voor mijn derde bijdrage over de zoektocht naar de essentie toon ik je een stuk uit de prachtige collectie van kunsthandelaars Luc en Tin De Backker (Brussel, Wortel) wiens website (www.debackker.be) ik ook in mijn ‘linken’ opnam.

Ik toon je ‘de goede moordenaar’, een houten beeld toegeschreven aan de Brusselse meester Jan Borman.
De goede moordenaar werd samen met zijn kompaan en met Christus gekruisigd.
Zoals het een goede moordenaar betaamt, vroeg hij in zijn stervensmoment om vergiffenis over zijn wandaden en de stervende Heiland beloofde dat hij weldra met hem in het paradijs zou zijn.

De laatgotische verbeelding van Jan Borman (werkzaam rond 1479-1520) is zeker schatplichtig aan de Franse maniëristische hofstijl uit die dagen.
De details van de fijne vingers, het gerokken lichaam, de smartelijke gelaatsuitdrukking, en specialisten zoals Luc en Tin zouden me dadelijk op nog een serie andere details wijzen, plaatsen het stuk temidden van de tijdgenoten en de smaak van het gegoede publiek.

We staan aan het begin van de 16de eeuw, een eeuw waarin de mens het zou halen op het goddelijke idee.
Het is dan ook een lijdende mens die naar Jezus aan het kruis opkijkt.
Een mooie mens, te mooi om het icoon van een moordenaar te zijn, maar waarschijnlijk is het zijn inkeer die hem ook deze uiterlijke schoonheid laat uitstralen.

Hij houdt zijn mond lichtjes geopend, de vraag om vergeving wordt zichtbaar gemaakt.
Hoe pijnlijk uitgerokken hij ook is, zijn handen blijven sierlijkheid verraden.
De touwen waarmee hij op het hout is vast gesnoerd tonen op een bijna voyeuristische nog middeleeuwse wijze het toch al anatomisch herkenbare lichaam.

dyn003_original_639_527_jpeg_20344_2996f1e173e6b605058f1f6bcc225389

Hier kijk je naar een kunstenaar voor wie de menselijke kant van het verhaal steeds maar belangrijker werd.

Ik zou je willen meenemen naar het praalgraf van Marie van Bourgondië in de Onze Lievevrouwenkerk in Brugge.
Jan Borman voerde het houten ontwerp uit dat daarna door Renier van Thienen in metaal werd omgezet.
Hier merk je dat kunstenaars samenwerken aan een ‘Gesammtkunstwerk’.
Zelfs Jan Van Eyck voelde zich niet te goed om beelden van zijn tijdgenoten te beschilderen, en het vak van vergulder stond in hoog aanzien.
Vakmensen dus.
Vakmensen die ook kunstenaar in de hedendaagse betekenis van het woord waren.

In de Antwerpse en Brussel retabel-industrie merk je dat ook.
Waar Antwerpen voor de open markt werkte, richtten de Brusselaars zich meer naar belangrijke opdrachtgevers, maar ze verzamelden beiden rondom zich allerlei specialisten om de fraaie retabels, waarin zowel schilderwerk als beeldhouwwerk en aanverwante kunsten bij te pas kwamen, over heel Europa uit te voeren.
Hetzelfde gold voor Mechelen dat zich vooral in beelden van Maria’s met kind specialiseerde, de zgn. Mechelse popjes.

De Leuvense brouwers richten in 1507 een brief naar Jan Borman waarin ze vragen dat hij de centrale luifel (baldakijn) van hun retabel inderdaad zou onderscheiden van de baldakijnen boven de zijluiken, een voor die tijd erg gedurfde stijl (gezien bij Gossaert!) die weldra overal zou worden nagevolgd.
De ontwerper en beeldhouwer gaat op hun vraag in en zoekt onmiddellijk een kunstenaar voor het miniatuur houtwerk dat hiervoor nodig was.
Hij vraagt Jan Petercels die op zijn beurt beroep doet op de tekeningen van Matthijs Keldermans, een lid van de prestigieuze Mechelse architecten – en beeldhouwersfamilie.

(Art Bulletin, The, June 2000, Etan Matt Kavaler)

Dit gemeenschappelijke werk leidde uiteraard tot een grote verrijking van het geheel.
De essentie kreeg verschillende invalshoeken, de kunstenaars inspireerden elkaar, pasten zich aan elkaar aan en zo ontstond een kunstwerk dat niet één naam droeg maar vooral de naam van kunstwerk waardig was.

Ik verwijs naar dit aardige werk dat in menig antiquariaat voor een luttele 20 euro nog steeds te koop is:

De Borchgrave d’ Altena (compte Joseph). Le Retable de saint Georges de Jan Borgman, Bruxelles, Dupriez, 1947

Ik zal enkele dagen het land inruilen voor de zaak, want na zoveels schoons uit de voorbije en hedendaagse tijd is het het nodig om het landschap in de vroege herfst te zien.

Zonder dat landschap verlies ik het contact met de dingen uit het verleden, want de levende kleuren die elk moment veranderen zorgden voor zoveel neerslag in al het fraais om me heen.
Zonder de bron echter droogt ook het beekje uit.

Tot donderdag.