93057796_07ee796ec5

Achtentwintig jonge mannen baden aan de kust,
Achtentwintig jonge mannen allemaal zo aardig;
Achtentwintig jaren vrouwelijk leven en allemaal zo eenzaam.

Zij bezit het mooie huis waar de oever stijgt,
Zij verbergt zich knap en rijk gekleed achter de luiken van het raam.
Welke jonge man vindt zij de leukste?
Ha, de eenvoudigste vindt zij de mooiste.

Waar gaat u heen, vrouwe? want ik zie u,
U spettert daar in het water, al zit u stokstijf in uw kamer.
Dansend en lachend kwam de negenentwintigste bader langs het strand,
De rest zag haar niet, maar zij zag hen en had hen lief.

De baarden van de jonge mannen glinsterden vochtig, het water liep uit hun lange haar,
Kleine stroompjes gleden overal over hun lichaam.

Een ongeziene hand gleed ook over hun lichaam,
En streek bevend omlaag langs hun slapen en ribben.

De jonge mannen drijven op hun rug, hun witte buiken bollen naar de zon, en ze vragen niet wie zich aan hen vastklampt,
Ze weten niet wie er hijgt en zich hangend en krommend buigt,
Zij bedenken niet wie zij met opspattend vocht doordrenken.

dyn001_original_333_500_jpeg_20344_a01d8d89b6727b7dd37678e29b887e04

Dit is het volgende deel van het gedicht dat hij bijna religieus geïnspireerd ‘een parabel’ noemt.
De zgn. parabel schildert het vrouwelijk seksueel verlangen en van de manier waarop vrouwen door moraal en gewoonten van volledige seksuele bevrediging en publieke erkenning als seksueel wezen worden uitgesloten, zegt Nussbaum erg treffend.

Maar er is nog een derde partij die uitgesloten wordt.
Hij verwijst ook naar de verleidelijkheid van het mannelijk lichaam, de uitsluiting van homoseksuelen dus.

Hun verlangen naar het mannelijke lichaam moet nog meer verborgen blijven dan de vrouwelijke begeerte.
De blik van de vrouw -ik gebruik Nussbaums woorden- is evenals de blik van de verbeeldingskracht van de dichter in het eerdere gedeelte teder erotisch en haar liefkozing laat de lichamen in hun naakte kwetsbaarheid zien, hun zachte buik naar de zon gekeerd.

Ik stap even naar het mooie boek van Ykio Mishima ‘Bekentenissen van een gemaskerde’.
Daaruit dat fragment dat aansluit bij deze tekst:

Jakoemoe lag op het gras met zijn gespierde blanke armen onder zijn hoofd, en liet de wind over zijn gebruinde borst spelen, terwijl hij zo nu en dan op zijn lippen beet, alsof dat een spelletje was voor zijn mooie blanke tanden.
De zonnebaders begonnen zich langzaam te verzamelen in een schaduw van een grote beuk bij de vijver, en ik slaagde erin in zijn nabijheid te komen. Met gretige ogen mat ik zijn slanke lichaam en zag hoe de ademhaling zijn buik op en neer liet gaan.
Ik herinnerde mij een regel van Walt Whitman:

‘De jongens drijven op hun ruggen- hun witte buiken bollen in de zon’

(vertaald door jef last!)

dyn001_original_500_498_jpeg_20344_0becb1dc2a4e09cc64b9a9c4682cc8c9

En waarom moet de blik van de vrouw verborgen worden?
In het Zuiden van Amerika kon je nog overtredingen met je blik begaan.
Een zwarte moest zijn ogen neerslaan als hij een blanke vrouw passeerde, en er waren al zwarten veroordeeld voor ‘vermetel kijken’.

In de bijbel was naar vrouwen kijken met wellust een zonde.
Zwarte mannen waren een teken, een symbool voor ongeremde erotiek want zij kwamen uit het barbaarse Afrika.
Ze moesten zich voor hun lichaam schamen in plaats van er trots op te zijn.
De zwarte man wordt deels gehaat, deels gevreesd omdat hij wordt gezien als een beeld van seksueel verlangen en van diepte en kracht van de seksualiteit.

En dat gold ook voor de vrouw: zij moesten niet met begeerte kijken, hun chtonische seksualiteit zou de mannelijk beheersing bezoedelen.
We hebben daarover uitvoerig geschreven toen we Paglia onder de loep namen, en Nussbaums visie sluit zich daar bij aan.

En dan heb je de blik van de homoseksueel.
Die blik van begeerte was de voornaamste reden waarom homo’s uit het Amerikaanse leger waren uitgesloten.
De erotische blik sluit uit.

Whitman echter stelt dat de bereidheid om met begeerte worden gezien tevens een bereidheid inhoudt om je eigen sterfelijkheid en tijdgebondenheid te accepteren, om deel te zijn van de zelfvernieuwende en doorgaande stromen van de natuur.

‘Het komt doordat we in onze sterfelijkheid worden geraakt dat seks zo krachtig is en een bron van grote schoonheid.’

dyn001_original_375_500_jpeg_20344_7b649fbb4d83ea3d2f6d95ebbbbc518b

Deze rehabilitatie van seks betekent niet dat hij de vrije liefde of de promiscuiteit voorstaat.
Zowel in zijn prozawerk als in zijn poëzie is Whitman een strenge moralist.
Hij veroordeelt vercommercialisering van seks en pornografie omdat het mensen tot object maakt.
Maar dit zijn geen bijverschijnselen van de erotische begeerte maar wel bij verschijnselen van de puriteinse afwijzing van de begeerte, net zoals de Amerikaanse afschuw van de waarlijk erotische blik.

En waar blijft dan de dichter?
In zijn antwoorden op de vragen van het kind schilderde Whitman de dichter af als iemand wiens verbeelding niet terugschrikt voor het liefkozen van de werkelijkheid.
Met inbegrip de realiteit van dood en verval.

In het vervolg schildert hij de dichter af als iemand die zich schuilhoudt, en wiens fantasieën in de coulissen verborgen moeten blijven.
De beste manier om tegenwicht te bieden aan de macht en de diepte van seks is haar tot een oppervlakkig, commercieels en onpoëtisch iets van te maken.
Ook zo met de blik van de vrouw: je doet alsof ze louter een ding is dat gekocht en verkocht kan worden, net zoals de zwarte slaaf.

De dichter is echter iemand die hier door kijkt en die je dus moet vrezen.
Dat is precies de reden waarom de dichter zo noodzakelijk is in de democratische gemeenschappen.

‘Hij oordeelt niet zoals een rechter oordeelt, maar zoals de zon op een hulpeloos ding valt.
Hij ziet elk hoekje, ieder scheurtje ervan, dus ziet hij ook de hulpeloosheid ervan scherp, maar verlicht door liefde.

En dan moeten we nog iets over het mededogen vertellen, dat reddende woord in barre tijden.