slapende eros

Ik ben opzettelijk met de slapende eros begonnen, want hoe groot de betekenis voor Whitman is van deze kracht, toch zal Eros meer slapen dan je lief is, en ook wakker is hij niet altijd het probleemloze jongetje.

Er is natuurlijk het mededogen waarin je en je angst voor je eigen zachtheid en afhankelijkheid leert overwinnen en de onpartijdige liefde leert plaatsen.

‘Woede over de omstandigheden waarin mensen leven- en over de mensen die deze omstandigheden symboliseren- wordt vervangen door woede over onrechtvaardigheid en maatschappelijke hiërarchie.’

Er wordt een aannemelijk beeld geschetst van de democratische wederkeringheid (mededogen), terwijl elk afzonderlijk individu toch met vreugde wordt omhelsd.

Maar zoals ik al zei, ook in deze kosmos is eros vaak slapend aangetroffen.
Whitmans poëzie is erg wisselvallig en varieert van uitzonderlijk tot genant.
De dichter loopt zichzelf, in zijn alomtegenwoordigheid, wel eens in de weg, struikelt over zijn eigen goede bedoelingen en wekt daardoor de indruk een nogal zelfgenoegzame egoïst te zijn.
Ook hij verschuilt zichzelf wel eens achter bravoure.
Je kunt daarbij de alledaagsheid niet zo maar afwijzen, ook al zeg je dat je de alledaagsheid liefhebt.

‘De nadruk op de mystieke erotische ervaring van samensmelten en eenheid vormt een groot deel van dit probleem, want lichamen versmelten nu eenmaal niet.
Meestal zitten er ellebogen en knieën in de weg en soms zelfs de geslachtsorganen die Whitman zo belangrijk vindt.’

En een criticus, Lawrence, schrijft dat zelfs op zijn hoogtepunt een man nooit meer dan zichzelf is. Hij heeft nog steeds een neus die hij moet snuiten.

Dat ontbreken van humor in zijn poëzie is een duidelijk symptoon voor het euvel de alledaagsheid niet in rekening te brengen bij al die grote ideeën over de rehabilitatie van de liefde, en naar wij allen uit ervaring weten, is er met onszelf en artis amoris wel wat af te lachen. (gelukkig maar)

dyn001_original_450_337_jpeg_20344_d389a14ed9b0682ffb56e626bd8362d2

En net zoals op het bijgaande prentje old people en musicians samenvallen, bekijkt Whitman de dood als een iets te gemakkelijk te ontkennen idee.
Hij noemt zich ‘doodloos’, ‘weet dat hij niet zal verdwijnen als een tiralntijntje van een kind dat ’s avonds met houtskool wordt getekend?’

Hij beroept zich ietsje te veel op de indiaanse ideeën over het één zijn, en door aan te geven dat de dood niet werkelijk een verlies is of niet echt dood ondermijnt hij juist de houding jegens erotiek en verlies die de poëzie in haar beste momenten propageert.

Die verwarring vind je niet in al zijn werk.
In prachtige woorden schrijft hij over de eindigheid in ‘When lilacs last in the dooryard bloom’, een treurdicht bij de dood van Lincoln.

De hele natie is doortrokken van de dood, schrijft Nussbaum.
En als de dichter zich afvraagt hoe hij de wanden van Lincolns grafkelder moet versieren, dan kan dat alleen met portretten van het land dat ze beiden liefhebben, portretten die hij in zijn dichterlijke taal schildert:

Ziet! Lichaam en ziel- dit land,
Mijn eigen Manhattan met torenspitsen en het fonkelende, snelle getij, en de schepen,
Het afwisselende, ruime land, het Zuiden en het Noorden inhet licht, Ohio’s kust en de schitterende Missouri.
En steeds de uitgestrekte prairies bedekt met gras en graan.

En we kunnen best eindigen met nog eens Whitmans eigen woorden:

Ieder die een ander vernedert, vernedert mij,
En alles wat gedaan of gezegd wordt komt uiteindelijk weer bij mij terug
Ik geef het wachtwoord uit vroeger tijden, ik geef het teken van democratie.
Bij God! Ik zal niets accepteren waarvan niet allen op dezelfde voorwaarden hun deel kunnen hebben.

Voor het grootse Idee, het idee van volmaakte en vrije individuen.
Daarvoor loopt de bard vooruit, als leider van leiders,
Zijn houding vrolijkt slaven op en is voor vreemde despoten een gruwel.

Zonder uitroeiing is Vrijheid, zonder achteruitgang Gelijkheid,
Ze leven in gevoelens van mannen en vrouwen.

Het zou de twintigste eeuw zijn die zowel de gruwel van de despoten buiten ons voelbaar maakte als het kleine despootje in ons.
Maak hem dus zachtjes wakker, die kleine liefdesgod, en kussen wij elkaar voor de aarde ons kust met haar zanderige natte lippen die naar nog en nog en nog smaken.