dyn008_original_500_375_jpeg_20344_79e03df0613d29dd47253b3078352090

In een glazen huis wonen is een revolutionaire deugd par excellence.
Ook dat is een roes, een moreel exhibitionisme dat we erg hard nodig hebben.
Discretie met betrekking tot het eigen bestaan is van een aristocratische deugd meer en meer een zaak van opgeklommen kleinburgers geworden.’

(Walter Benjamin)

dyn008_original_293_243_jpeg_20344_c2e91a88c385dc803ea73175a7dd13ed

Als ik dit las, dan gingen mijn gedachten onmiddellijk naar het vreemde programma ‘Big Brother’ waarin deze principes worden toegepast.
Nochthans is de tekst van een man die in 1940 op vlucht voor de gestapo zelfmoord heeft gepleegd, en zijn marxistische idealen zullen tot aan het big brother house wel een aantal vraagtekens hebben opgeroepen.

Volgens Benjamin was de burgerlijke beschaving door de grote oorlog (1914-18) in diskrediet gebracht, geen woord dus over de status van het individu. (of het waren woorden die de ziekelijkheid, het isolement of de wanhoop van dat individu uitdrukten zoals in de romans van Kafka en Proust)

Architecten als Adolf Loos met een aanval op de valse ornamentiek of Walter Gropius die de arbeiderswoning als de kathedraal van de twintigste eeuw beschouwde, en de eerlijkheid van een nieuw bouwmateriaal als glas dat in al zijn transparantie elke valse scheiding tussen privé en openbaar doorbrak en bovendien een eerlijk uitzicht bood op de armoede van de Europese cultuur: overal dezelfde kaalheid, funcionaliteit en simpele nuttigheid, om het met Boomkens woorden te citeren. (pag 66)

In deze woningen kon je vrijwel geen sporen achterlaten, geen uitingen die iets zouden onthullen over de identiteit van de bewoner.

dyn008_original_433_351_jpeg_20344_c21c199475bc307e9210d20b38b34609

‘Wis de sporen uit,’ zei Bertolt Brecht, Benjamins vriend, en daarmee zou het burgerlijke individu verdwenen zijn, de prive-persoon die door het glas genadeloos uit de cocon is gesleurd en als anonymus achtergelaten op de marktplaats van de nieuwe grootschalige industriële samenleving (Boomkens, 67)

Daarmee is een aansluiting met het verleden uitgesloten en moest de zaak helemaal opnieuw begonnen worden. (dacht men)

De nieuw-zakelijke massawoningbouw van het interbellum wees vooruit naar een nieuwe, grootschalige en anonieme cultuur en samenleving, die pas na de Tweede Wereldoorlog, werkelijk vorm kreeg.’

(Boomkens, 67)

Wat Benjamin over het hoofd zag (of tegen de hoofden aankeek want hij zat er nog met zijn neus op) was dat de tabula rasa van de avant-gardes meer vernietigde dan alleen de valse geborgenheid van de burgerlijke privésfeer.
In feite was zijn aanval ook op de woning zelf gericht, en vervolgens op de stadsstraat, en op de stad zelf die volgens diezelfde Benjamin nu juist model stond voor de open collectieve betekenissamenhang van de stedelijke massa’s waar het moderne wonen pas tot zijn recht kon komen. (Boomkens, 68)

Om de volle omvang van deze contradictie te begrijpen moet je zijn achterliggend idee erbij voegen: voor Benjamin was het verschuilen om zo nodig de cultuur (1933!!) te overleven mogelijk in deze woningen.
Boomkens zegt fijntjes: en over welke cultuur het dan ging is nu wel duidelijk geworden.

Voor Benjamin was wonen immers ook een herinnering aan het verblijf in de moederschoot:

De oervorm van elk wonen is niet zozeer het verblijven in een huis, maar in een omhulsel.’

(Benjamin)

Geborgenheid en bescherming, ziedaar de nieuwe sleutelwoorden, of zijn ze al zo oud als het wonen zelf?