Ze was enkele dagen ziek.
Hoest, neus keel en oren.
Nu, als ‘studente van het eerste leerjaar, moest ze bijwerken.

Ze had een bundel contractjes (opdrachten) bij en werkformulieren waarop het geheim van de ‘sch’ uit de doeken werd gedaan, en de even en oneven getallen werden ingeoefend naast het belangrijke begrip zowel in de filosofie als in de rekenkunde, groter dan, kleiner dan, en is gelijk aan.

Voor ze ging slapen, wilde ze toch nog even met haar draagbaar playmobil-huisje spelen.
En bij grootouders kan dat.
Ze werkte een tijdje heel geconcentreerd aan de opstelling van meubelen en bijbehorenden en vertelde mij dat er een papa, een mama en een kindje aanwezig waren.

Mama boven in de slaapkamer, bezig met het dekbed op te schudden.
Papa beneden bij de kachel (plaats waar de grootvader wel eens vertoeft op dagen als dezen) en het kind druk bezig in de woonruimte met de poes terwijl het opvallend stil was in de kinderkamer boven.

Ik moet haar morgen nog vragen wat die pinguin in de keuken doet.
En ook viel het mij op -Playmobil mag daaromtrent een brief van mij verwachten- dat de bedden van de ouders lit jumeaux zijn, netjes door een nachtkastje gescheiden.

Voor de rest is alles aanwezig wat in een huis aanwezig moet zijn, met uitzondering van de pinguïn, maar ook daarvoor heeft ze zeker een filosofische uitleg.

dyn008_original_450_600_jpeg_20344_9d580cfa9ab8c60a9a6272893b4ff40e

Net zoals in het sprookjeshuis bestaat haar huis en naar ik meen in de opvatting van de meeste kinderen, in een innerlijke kern die door een aantal kamers of ruimten wordt verdeeld.
Ik merk het ook als ze op de computer speelhuizen inricht, ze voortdurend de ramen vergeet.

Het huis is een binnenkern, een vergroting van de innige relatie tussen moeder en kind, maar tegelijkertijd een afstand nemen van die innigheid door op zoek te gaan naar eigen plekjes in die innigheid.

Er zijn huisdieren en huisgenoten aanwezig, maar de aantrekkelijkheid van dit speelgoedhuis ligt in de verzameling kamers, in de mooie opdeling van innerlijke ruimtes die door allerlei middelen (deur, trap, gang) met elkaar in contact staan.

In de opvatting van het Duitse sprookjesachtige huis hiernaast zie je dat de buitenkant een soort verdediging tegen de boosheid buiten is gebleven, zij het dan in gestileerde vorm.

De buitenwereld is nog te groot, te onoverzichtelijk.
Je moet je kunnen verschansen.
En zelfs in het grote huis hier leven er nog geesten met een onbepaald karakter.
Als de kamers donker zijn, moet eerst de volwassene binnengaan om het licht te ontsteken.

Het is buiten bijna altijd donker in verhaaltjes.
Of dat nu komt door het toverbos, of door de bedreigende toverkrachten, het huis is je toevlucht, en als je verdwaald bent zoals Hansje en Grietje dan is er ook de ‘valse’ toevlucht, het spiegelbeeld van het bekende huis.
Aan de buitenkant ziet het er heel smakelijk uit, maar binnen zijn al de krachten die anders je buiten bedreigen aanwezig.
Het huis van de heks is het binnenste buiten getrokken huis van je kindertijd.

Die donkerte van buiten moet je ook buiten zien te houden.
In onze kindertijd knipten onze ouders ongenadig het licht uit, en ja hoor daar waren ze al!
De clowns en circusartiesten van op het behang begonnen als gekken rond mijn bedje te rennen tot ik het uitriep van angst en mijn vader of moeder ter hulp kwamen en het veilige licht aanknipten waarbij de lafaards hun plaats op de wand weer innamen zodat ik voor aap stond.

Opvoeden tot licht.
Klinkt gek, maar het is de moeite waard om als je laat met de trein terugkeert en je de achterkant van de huizen inkijkt, te zien hoe schamel wij het innerlijke van het huis verlichten.
Blote billenlicht.
Licht dat als een spin aan de hoge zoldering hangt en voor een doodse atmosfeer zorgt.

In die innerlijkheid zijn er vele lichtpunten nodig zodat de schemering daartussen niet meer zo bedreigend is maar haast vriendelijk wordt.
Later wordt hun rol door de sterren overgenomen en bij een nachtelijke wandeling zijn zij het met de moeder maan die ons de weg wijzen.

Als je ziet hoe ziekenkamers, vergaderzalen, openbare ruimtes en bijvoorbeeld trams en bussen verlicht zijn, dan is het huilen met de pet op.

Experimenteer maar eens met lichtpunten allerlei.
Het dreigende donker zal een dankbare schemergezel worden.


Het raadsel van de pinguin is opgelost.
Het is geen pinguin, opi.
Het is een kinderstoeltje waarop een pinguin is getekend.
Oculos habent et non videbunt, ze hebben ogen en zien geen steek, zegt de psalmist.