autohond

Waarschijnlijk lag de hond van een van mijn overgrootmoeders aan de basis van wat later in autotermen ‘de claxon’ werd genoemd.

Bij aankomst en vertrek in de overigens prachtige automobiel van Agatha begon de hond ‘Liverpool’ (al haar honden kregen de namen van Engelse steden gezien haar vroeg overleden derde echtgenoot een ‘lord’ zou geweest zijn) hartstochtelijk te huilen.
Bij vertrek was dat omdat hij gek was op autorijden en bij aankomst uit spijt dat de rit blijkbaar ten einde was.

Bij familiebezoek werd je dus tijdig verwittigd door de wolvenklanken van Liverpool (in de wandeling ‘Poelie’ of Liffie’ geheten) zodat je je beste glimlach kon prepareren, je colbertje rechttrekken, en je armen spreiden om haar dan met een hartelijke ‘…maar kijk eens aan wie we daar hebben…’ tegemoet te treden.

Terwijl je in elkaars armen viel -een beeldspraak voor de kus op haar uitgestoken hand- bleef Liffie nog een tijdje zingen tot hij er zeker van was dat de rit de eerste uren niet hernomen werd.

Ik betrap er mij op dat ik in de je-vorm schrijf, alsof ik het zelf heb meegemaakt, maar mijn prachtige wilde grootvader -dat is een grootvader die via een tweede of derde huwelijk de officiële grootvaders vervoegde- kon zo fraai over haar vertellen dat je overtuigd was haar gezien en gekend te hebben.

dyn010_original_379_503_jpeg__b53ec30235d41d5125af685268f329a5

Ik geef toe dat zijn brieven uit de States en vooral de foto van een van mijn stiefmoeders als prachtig jong meisje mijn negenjarige jongensfantasie meermaals de incestueuze kant uitdreef, al bleek de vervulling van die droom ver van mogelijk want er was toch een leeftijdsverschil van zo’n vierenveertig jaar tussen ons, met daarbij de oceaan en de voltooid verleden tijd als duidelijke hindernissen.

Het mysterieuze woord ‘chicago’ onder de foto riep zeker niet de geur van kruit en drank op, maar bleef levenslang het eerste lentegroen suggereren, groen dat zij zo liefdevol met haar kinderhandjes vasthield.

Het waren echter vooral haar ogen die me als kind betoverden.
Met die prachtige ogen keek ze over de oceanen tot in mijn donker jongenskamertje waar de schemering het flou artistique van de foto nog eens extra beklemtoonde.

Ik begreep ook niet dadelijk uit welke relatie deze jonge godin ontsproten was, want dat ze maar enigzins met Agatha in verband kon gebracht worden, leek mij net zo onmogelijk alsof een perzik uit een treurwilg of half vergane cypres werd geplukt.

dyn008_original_379_488_jpeg__d6c1fcdb85681984744e42be566cad4b

Ouder geworden wil je het archief ordenen, ben je nieuwsgierig naar je voorouders alsof zij enig inzicht in je eigen vreemde emotionaliteit zouden geven of als excuses voor je gebreken moesten opdraaien.
Zo kwam ik pas veel later bij de witte prins uit, blijkbaar een broertje van het goddelijke meisje.

Eens iemand een voornaam heeft, verliest hij of zij de onbepaaldheid waarin het mysterie welig kan gisten.
Noch de zogezegde stiefmoeder en het witte broertje dat schalks door de autoband kijkt, bleken zo’n roepnaam te hebben.
Wij geven de goden en godinnen namen, maar dat is een goocheltruc om hen naar de aardse regionen te halen, om ze met aardse voeten tussen ons te laten wandelen terwijl hun goddelijke hoofden nog de wolken rond de olympus opsnuiven.

Ik besloot dus hen geen namen te geven, een hulde aan mijn wilde grootvader die tijdens zijn Amerikaanse werkzaamheden niet alleen in diamant handelde maar ook op een vrij vleselijke manier de ‘american dream’ had waar gemaakt.

In mijn verdrietige zoektocht naar de wereld, ook wel puberteit genoemd, besloot ik de witte kinderen als mijn ware ouders te adopteren.
Tot ik veel later, iets minder verdrietig maar nog altijd op zoek naar de wereld, een foto vond, weggestopt achter een spiegel in een toilettas.

dyn007_original_581_366_jpeg__3d066d0cf2f27d7db81c5ab76d38022f

Zonder twijfel was zij de moeder van de witte kinderen uit Chicago.
Dat zag je aan haar wilde schoonheid.
De manier waarop mensen liggen immers verklaart meer dan de manier waarop we rechtstaand poseren.

Ik kende de fotootjes waarop blote babytjes op schapenpelsen de wereld inblikken, maar hier was het een vrouw waaruit het witte jongetje en de jonge prinses ontsproten waren; zij lag niet, zij troonde.
Was zij geen gevluchte adelijke toekomstige koningin, een wetenschaptster die moest onderduiken na de ontdekking van een wondermiddel dat echter ook de aarde kon verwoesten?

Vaak moest mijn pseudologica fantastica, mijn wanendrang, me voor de povere werkelijkheid behoeden.
Chicago, chicago.

Ik besloot bij het onbereikbare te huilen als Liverpool.
Lang en klagelijk.Met al het spijt van een voorbije rit, maar met een beetje hoop dat we ooit weer zouden vertrekken naar het landgoed waar mijn ware moeder met haar witte kinderen leefde.