27274979

Lieve Vriendin,

Terwijl jij op weg bent naar Birmingham (en dan bedoel ik niet de hond van groottante Agatha, maar de real city) probeer ik een idee te ontwikkelen waarin jouw geliefd Berlijn (er is daar een heus Elisabeth Bergner-park!) niet onvermeld blijft maar waarin de groezelige geschiedenis van het ‘roepen’ tot op onze dagen zijn leeghoofd blijft opsteken.
Een mooie uitdrukking overigens, ‘onze’ dagen.
Terwijl ik vaak eerder de voorbije dagen als ‘mijn’ dagen beschouw.

In de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw (‘mijn’ dagen dus) kwam ik door allerlei toeval en het winnen van een wedstrijd op de brt-radio terecht, toen nog werkzaam op het Flageyplein.
In dat merkwaardige gebouw was er naast een heuse koffiekamer op het hoogste niveau, de bovenste verdieping van het torentje, ook een ‘galm-kelder’.
Dat was een kelderruimte waardoor je een signaal kon sturen dat door de kelderruimte van galm voorzien werd en met deze natuurlijke galm opnieuw werd opgenomen.
Wie de kelder nodig had moest die bij de technische directie die instond voor de studio-verdeling aanvragen.
De kelder was dan voorbehouden van drie tot vijf in de namiddag bijvoorbeeld aan jouw productie en vanuit de studio kon je een lijn openen naar de kelder en op een andere apparaat de bewerkte stem met galm opnemen.

Ik heb nooit die reëele ruimte bezocht, maar het feit dat zoveel leegte een stem een schrikwekkend, goddelijk of mysterieus karakter kon geven is me bijgebleven.

In de nieuwe luisterspelstudio’s in het Reyerscomplex was die ruimte vervangen door nieuwe technologische snufjes en de digitale mogelijkheden om galm van milliseconde tot oneindig lang te produceren kun je nu tot in de gewoonste speelgoedjes terugvinden.

Blijkbaar was er toch een probleem met een andere klankkleur, namelijk een stem van een buiten-effect voorzien.
Daarvoor bestonden er in alle luisterspelstudio’s ter wereld ( en in beschaafde landen bestaan die nog altijd) een ‘dode’ kamer, een ruimte dus waarin de klassieke bak met grint stond, een zandbaan aanwezig was, kortom een ruimte met nul komma nul galm.
Eens je de zware deur van die ruimte sloot, was je ‘buiten’, en werd vreemd genoeg zo’n buitenruimte ‘dood’ genoemd, bij gebrek aan enige galm dus.

dyn004_original_447_500_jpeg__f4c05e183be2f2f5000e5353b15726bd

Galm wekte ontzag op.
Goddelijke boodschappen werden met galm omkleed.
Ook de innerlijke wereld vond vaak onderdak bij een beetje galm, en slechte zangers zorgen voor net genoeg galm om de valse noten te verdoezelen.
In de grote leegte blijft de stem hangen, krijgt ze een extra betekenis.

Dat voorzien van belang door veel leegte is een voorname functie van de media.

In jouw Berlijn werd de kunst van het ‘galmen’ vaak gebruikt in de nazi-tijd.
Je moet daarbij dan ook het daglicht schuwen, en fakkels en zoeklichten gebruiken om de galmende stem van de grote leider dat boven-natuurlijke karakter in het duister mee te geven.
De godendeemstering.
Het verdoezelen van de alledaagse werkelijkheid om een nieuwe utopische wakker te maken.

De ‘nieuwe’ werkelijkheid.
Ze moet hoe dan ook aansluiten bij de menselijke drang naar ‘vergroting’.
Ik weiger het ‘dramatisering’ te noemen, want dat kan nog een eerlijke bezigheid blijven als je probeert abstracties uit het verleden voor te stellen.

De dingen die gebeuren.
Van galm voorzien.
Vers van de pers.
Dit voortdurend aanvullen met leegte (en hoe is het daar, Bert, weten we al iets over de oorzaken…) geeft de gewoonste gebeurtenis iets sacraals.
Het focussen in korte tijd versterkt de dramatiek, maakt bij lezers, kijkers, luisteraars, die sfeer van deemstering los.

Natuurlijk is er de ongelijkheid van mogelijkheden.
Tegenover de toeter staat een menselijke stem in de dode kamer.
Hij of zij wordt uit zijn/haar eigen verhaal buitengesloten.
Onmiddellijk is hij of zij een dader of een slachtoffer, een monster of een zielepoot.

De groot gedrukte titels van elke dag, de koppen, de heet van de naald reportages, zwelgen in hun galmleegte.
Het leed dat zij aanrichten wordt nauwelijks verhaald, laat staan belicht.
Gelukkig verlost van religieuze vingertjes in de lucht staat het leger hoofdredacteurs in de plaats van de eerwaardigen te toeteren.

dyn003_original_450_500_jpeg__468e8d8260eb828efa9ea2db88f27c54

En dan hebben wij het over ‘het verwerken van leed door de bevolking’, en wij verwarren wij het beertjes-en-bloemetjesgevoel met het werkelijke leed van de betrokkenen dat alleen door stilte, stilte en nog eens stilte gediend is.

Dutroux, Incest in Oostenrijk, Schoolterreur in Duitsland, hoe pijnlijk en verschrikkelijk ook voor de betrokkenen, laten we niet vergeten dat de buitenstaanders in de dode ruimte de galm van de pers nodig hebben zodat ze kunnen zwelgen, omdat ze zich pas veilig voelen als anderen de rol van monster mogen spelen en onze monsterlijke aard in afkeur en boe-geroep kan gecamoufleerd worden.

Verwerking?
Terug naar de middeleeuwen zul je bedoelen.
Buiten het gewauwel van snel opgeroepen ‘deskundigen’ zijn we met de wetenschap nog geen stap verder als het over de werkelijkheid gaat.

Universiteiten zijn er als de kippen bij wanneer ze asielzoekers en sans papiers herbergen, en gelukkig maar, hun eigenlijke taak zou erin kunnen bestaan om specifiek onderzoek omtrent seksualiteit en agressie te doen bij grote lagen van de bevolking, maar…dat kost heel veel geld, en bedrijfsmatig ben je daar niets mee.

Het verwekken van kortademige sympathie mag nog onschuldig zijn, maar het plaatsen van vraagtekens, het laten uitspreken van andersdenkenden, meneer we hebben de tijd niet.
De krant moet gedrukt worden, het programma uitgezonden, en morgen is er weer meer nieuws.

Je zou kunnen pleiten voor het minimaliseren van de galm, een eigenschap die het medium al heeft door zijn snelheid en beperkte tijd.
Het lanceren van ‘koppen’ in kranten en titels van programma’ s draagt ook aardig bij tot het getoeter.

En al zijn de verhalen uit de dode kamer niet dadelijk stuf voor de zwelgers, de werkelijkheid speelt zich wel daar af, in de galmloze ruimte van elke dag.

Hoe moet ik die verkocht krijgen, hoor ik de redacteuren zuchten.
Beperk het bomenverbruik tot het drukken van literatuur.
En hoe moeten we die verkocht krijgen, zuchten de uitgevers en boekenverkopers.

Door uitvoerige boekenbijlages in de krant te publiceren, als wiedergutmachung, om de gemeenschappelijke stank te verdrijven.

Weet je wel, dat gat in mijn emmer, dear Lisa, dear Lisa.
In de stilte leer je luisteren.
En om terug bij groottante Agaat uit te komen: Petit bonhomme, elke medaille heeft een andere kant.


De schilderijen zijn van de Amerikaanse kunstenaar Erik Parker

Mr. Parker wasn’t thinking about Arcimboldo when he began making these works two years ago; he was looking at Picasso’s broadly expressionistic late paintings, and then at Francis Bacon. “They both took the figure to some nasty places,” he said. “I wanted to see if that could be done in the 21st century.”