dyn004_original_480_360_jpeg_20344_284d48024e460f0699f59148c539f8a0

Van m’n reizen (virtuele en lijfelijke) breng ik wel eens prenten mee van kerkhoven.

Of ik een doodsverlangen of een morbide hersenkronkel heb bij de al mij toegedichte andere afwijkingen?

Meestal ben ik een vrolijk mens.
De laatste tijd iets minder, maar het zal u niet verbazen, een kerkhof is een geliefkoosde wandelplaats om met de voorbij-geganen te praten.
Terwijl ik hen voorbij ga, voel ik al iets wat voorbijgaan in de definitieve zin betekent.

dyn004_original_488_366_jpeg_20344_21ba8086f4b0013e8b7606146ac7b6d1

We hangen vast.
Vast aan het verleden, de angst voor morgen.
De onzekerheid.

We zijn geen helden.
En als je de rustplaatsen van grote groepen jongens en jongemannen bezoekt dan smaakt die term nog viezer.

Wij gaan voorbij.
Dat is een tragiek die we met alle mogelijke middelen bekampen.

dyn006_original_480_320_jpeg__0d5d0b49f029c17c3cca4644b04c48ce

We verschansen ons in ons karakter-harnas: geloof me, zegt godin publiciteit, het geluk is eeuwig als je maar genoeg van dit probiotisch drankje slurpt.
En dat doen we.

Ik wandel met mijn vader langs de voorbij geganen.
Hij is al twintig jaar dood, maar de doden zijn aanspreekbaar.
Ik wil hem vragen of de tijd voor hem ook zo pijnlijk kon zijn, maar nog voor ik het eerste woord heb uitgesproken zegt hij al:
‘Jongen, het is een kwestie van loslaten.’

Ik knik.
Ik weet hoe we de tijd van liefde en geluk, hoe schaars ook, vastklemmen, er een burchtmuur rond bouwen, ons met huid en haar verdedigen tegen het verdwijnen.

Ik denk aan het liedje van Cohen: alles is gebarsten, en door die barsten komt het licht.

‘Weet je nog pa, toen ik bang was in het donker, en ik dan op je riep: pa, zegt eens heilige petrus van Rome!’
En na enig aandringen klonk uit jullie kamer je nog half slapende stem:
‘Heilige Petrus van Rome, heilige Petrus in zijn graf, neem onze Guido al zijn kwade dromen af.’

Ik voel hem glimlachen.
‘Het hielp echt, pa.’

dyn004_original_524_327_jpeg_20344_ef89880cc04e35154da89655f2b65f85

Hij is nooit veel van woorden geweest, maar zijn kuch achteraan zijn keel zegt me dat hij me begrijpt.

‘Ik zou geld geven om het ’s nachts nog eens te horen.’
Hij schudt zijn krullig hoofd.
‘Je zult het horen, ook zonder geld,’ zegt hij zacht.
‘En zal het helpen,’ vraag ik want ik ben een twijfelend mens.
‘Zeker.’

We verlaten het kerkhof.
Ik ben weer het jongetje achteraan op de fiets.
Zijn brede rug als schild.
Hij kent de weg.