2 vazen.jpeg

Een andere betovering uit mijn kindertijd waren twee porseleinen beeldjes van zittende Chinese ouderlingen.  Ze zaten op een houten plankje in de etalage van de koffiewinkel die ik elke dag op weg naar school voorbij moest.

Natuurlijk kenden we de Chinese cultuur zij het dan via paters en nonnen die er werkten en nu en dan neerstreken om kunstig uitgewerkte ivoren ballen en torentjes aan de rijke westerling te verpatsen, maar op de fascinatie voor die twee beeldjes had die kennis (of net het gebrek eraan) geen invloed.

Pas veel later vernam ik dat het in feite ‘mud figurines’ waren, kleine beeldjes die gebruikt werden in de Tang dynastie om tussen de bonsai’s de indruk van menselijke aanwezigheid te suggeren in landschappen die de zinnen zouden strelen.  De echte mud beeldjes werden met de hand gemaakt, maar mijn zittende figuurtjes kwamen waarschijnlijk uit Hong Kong en waren zeker geen handwerk, want na enkele maanden sparen kon ik ze op een dag gaan halen en op mijn kamer zetten.

De fascinatie kan ik niet verklaren.  Was het de lokroep van de verte, hoorde het bij de ijver waarmee ik via La Vache Qui Rit het Congolese dorp verzamelde en tentoonstelde? Had ik daarna lange gesprekken met mijn zittende piepkleine beeldjes op hun beeldig gevernist plankje?  Helemaal niet.  Ze hoorden bij mijn wereldje.  Werd je ’s morgens wakker dan waren zij er, kwam je overdag je omkleden of speelgoed zoeken dan keken zij toe.  En ’s avonds hoorden ze bij de schemerige beelden waarmee de dag uit mijn bewustzijn verdween.

Dat erbij horen had ik ook toen ik de grote vazen hierboven afgebeeld voor mijn collectie inkocht. Niet eens prijzig, zonder enige aanduiding stonden ze tussen de rubriek varia mooi te wezen. Het zijn stevige knapen, 31 cm hoog, poreus aardewerk dat over de blauw-witte tekening geglazuurd werd. Natuurlijk is er de liefde voor flow blue, aardewerk in verlopende tinten van blauw zoals blijkt uit de verzameling, er is de ronding van het deksel  en de rondingen die de rechthoekige vlakken verzachten, maar zelfs al zouden ze seriewerk zijn, ze spraken mij aan bij de eerste aanblik en als ze hier vertrekken zal dat met de nodige weemoed gepaard gaan.

Hedendaagsen hebben blijkbaar geen horror vacui, integendeel, ze gaan er prat op dat hun leefruimtes een zekere kaalheid bezitten die ze verstoppen onder de naam ‘design’, een vrij dure vorm van binnenhuis-architectuur die soms eerder de dure kant van de zaak dan wel de esthetische moet beklemtonen. Ik begrijp de afschuw voor ‘postuurkes’, de eindeloze rij af te stoffen vazen, vaasjes, kaders en spiegeltjes, maar toch wil ik pleiten om het kind niet met het spreekwoordelijke badwater weg te kieperen.

Misschien is er een tekort aan fascinatie want vele stukken uit voorbije tijden laten zich perfect in moderne interieurs integreren. Met deze grote dekselvazen kun je dus wonderen doen.

Ik besef dat er in talrijke huizen mooie dingen zich dood staan te vervelen.  Een museum heeft zijn collectie en zijn kelders.  Berg dus geregeld dingen op en haal ze na een jaar weer boven, herschik ze, tover ander licht bij hun staanplaats, geef ze gezelschap, en als de fascinatie ontbreekt wend je tot ebay en andere digitale marktplaatsen.

Het zal inderdaad een kwestie van je kwetsbaar opstellen zijn.  Luister niet naar de boekjes of de dure blaadjes die je een koel interieur aansmeren als je zelf gefascineerd bent door objecten:  beelden, vazen, schalen, enz.

Ga aan het werk. Ik aanbid de ruimte en de leegte ook, maar ik schuw de aanwezigheid van mijn vrienden(innen) niet. Ze weten dat ik niet wil uitpakken met hun schoonheid, maar dat ik me door hen heb laten inpakken, en daar zijn ze blij om. We hebben met elkaar te maken.

Nu de eerste geut van de blauwe regen is uitgebloeid en de seringen in blauwe brokjes naar de grond dwarrelen kijk ik vaak naar hen want bij verdriet en treurnis bloeien hun blauwe bloemen zo maar voor me open, dag en nacht, seizoen na seizoen.