DE GELUKKIGSTE ILLUSIES (3)

 

258791333Was de aanwezigheid van de dood, het kwaad een bekend thema, nu kreeg het in de kunst een hoofdrol. Twee wereldoorlogen zorgden voor de duidelijke illustratie bij Nietzsche’ s uitroep dat god dood was.
Ger Groot heeft het in dat verband over de ‘versombering’ van de Europese cultuur, een begrijpelijke houding bij het verlies van de oude droom van verlossing, en het zal Adorno zijn die beweert dat na de gruwel van de concentratiekampen er geen poëzie meer mogelijk is.

‘De afgelopen decennia hebben een ware explosie van acties te zien gegeven die eerst ‘liefdadig’ en later ‘humanitair’ werden genoemd, kennelijk omdat de televisiekijker vond dat het ‘moest’.  Niet om het geweten te sussen, maar omdat het verschrikkelijke werkelijk schokte en een antwoord eiste dat niet gratuit was.  Dat men zich na tientallen jaren van min of meer hopeloze offerbereidheid, daartoe nog altijd laat overhalen, wijst erop dat vermogen geschokt te worden niet is afgenomen en dus het morele bewustzijn- in weerwil van alle pessimistische cultuurkritiek- allerminst is afgestompt.’ (102-103)

‘Beroerd te worden door het verschrikkelijke is een van de betrouwbaarste maatstaven van fatsoen.’

586091036

Ikzelf heb daar wel enkele bedenkingen bij.
Het is niet dadelijk een soort eelt op de ziel die ons onbereikbaar maakt voor het verschrikkelijke, maar de volumes die op je afkomen terwijl het leed nog volop bezig is.  Een krant pocht met 350 aanpassingen aan zijn website per dag, en dan spreek ik nog niet van alle andere media zoals radio en televisie. Een dergelijke ‘massaliteit’ brengt vaak de tegenovergestelde reactie teweeg. We zijn immers maar mensen in een veel te grote en te snelle wereld en ons bevattingsvermogen blijft hoe dan ook beperkt.  We ontlenen dus niet altijd onze ‘doofheid’ aan onze dove ziel, maar aan het te veel aan lawaai dat dan nog op een weinig genuanceerde versie op de ontvanger wordt losgelaten.

2516158282

‘Wanneer de kunst haar eigen thematiek (het verborgen schrikwekkende) aan de onverborgen schrikwekkende alledaagsheid verliest en daardoor zelfs wordt overtroefd, rest haar niets anders meer dan een lege beweging van vernietiging, in een steeds verder nagejaagd shockeringsvermogen.  Niet alleen maakt ze zich daardoor nihilistisch, maar ze veroordeelt zichzelf ook tot een irrelevantie ten opzichte van de samenleving die ze tracht te bereiken maar niet niet meer begrijpt.  En waardoor zij -alleen tot haar eigen verbazing- dan ook niet begrepen wordt.’ (104)

In feite speelt de kunst vaak in op de heisa in de media en worden ze beiden slachtoffer van hun exclusieve focus op shockerende gebeurtenissen. Wij draaien hen de rug toe, niet uit ongevoeligheid, maar omdat hun selectie een verschraald beeld is van de werkelijkheid waarin we ook nog andere aspecten of nuanceringen van de samenleving vermoeden maar niet zien, noch in de kunst, noch in de media.

Kunst en media doen mensen voortdurend pijn, niet omdat kunst en media de pijn en kwaadaardigheid onthullen maar ze HERHALEN.

Anders dan een doeltreffende eigen waarheid over de werkelijkheid uit te spreken, beoefent zij (de kunst) een op die werkelijkheid parasiterend sadisme.’

De media vervullen diezelfde rol door hun schrijnend tekort aan nuancering of diepgang.  Een sadisme gecamoufleerd onder de veel misbruikte mantel van de vrije meningsuiting, die zich echter beperkt tot de mening van één of enkele personen waartegen de ontvanger geen verhaal heeft.