Waarschijnlijk zijn we voor het ‘nationaal gevoel’ vooral in ‘den vreemde’ vatbaarder dan thuis, want Mechelse volk uit de zeventiende eeuw tegenkomen in New York laat me even de gallery’s vergeten en volop mee genieten van de kleine maar selecte tentoonstelling die curator Walter Liedtke, verantwoordelijk voor Hollandse en Vlaamse schilderkunst, in het Metropolitan museum organiseerde. Frans Hals in the Metropolitan Museum. Daar word je toch even stil van want buiten een Frans Halsvest hebben we nog weinig in de moederstede dat ons aan deze bijzondere kunstenaar laat herinneren.
Zoals menig cultureel mens verhuisde de Hals-familie van Antwerpen waar ze zich vanuit Mechelen hadden gevestigd naar Haarlem, een stad die op een haartje na bijna model stond voor onze gesproken taal, maar dat is een ander verhaal.
De New York Times, bij monde van Roberta Smith, vat het mooi samen: ‘He was an amazingly gifted technician, capable of defining the human face in passages of seemingly quick, vivacious brush strokes that convey both physical solidity and expressive fluidity. He was also something of an empath, intuitively alert, it would seem, to what was going on behind those faces. He approached his subjects with an open, nonjudgmental equanimity, whether he depicted them singly or in groups, in dignified repose or unbridled revelry.’
Die ‘physical solidity’ en ‘expressive fluidity’ maken van Frans Hals een buitenstaander in de toenmalige schilderswereld, zeker in de volgende eeuwen waar ‘het serieux’ voor waarheid en deugdzaamheid moest borg staan. Het zijn de impressionisten en o.a. Van Gogh die hem einde 19de eeuw herontdekken.
Zijn portretten voelen het onderwerp aan met een nooit geziene direktheid, een stijl die wel zijn inspiratie zocht bij Rubens, Jordaens en Van Dijck (hij keerde terug naar Antwerpen om er gedurende drie maanden deze roemrijke tijdgenoten te bezoeken) maar waarvan hij wel ‘het volume’ of de compositie copieerde maar zich van hen onderscheidde door een feilloze intuïtie voor de alledaagse mens, in welk deftig pak hij zich dan ook mag verkleed hebben.
Het portret hierboven als het duo aan de andere kant blijven ook in het poseren mensen van vandaag, al overspannen ze daarmee zo’n 340 jaar.
De curator heeft de elf werken, verworven tussen 1887 en 1913, in twee gallerijen ondergebracht. De eerste toont werk gemaakt tussen 1616 en 1625 en daar zien we de jonge Frans Hals aan het werk: drinkebroers, muzikanten, karnavalvierders.
‘ Mostly through cropping and enlargement, these works elevate genre painting into a form of clear-eyed portraiture, even when based on stereotypes rather than on real people, and in their sense of motion they sometimes presage
the modern snapshot’
Het was nu net dat ‘clear-eyed portraiture’ dat tegelijkertijd de zeventiende-eeuwse mens aantrok en de kunstliefhebber van de volgende eeuw eerder afstootte
De tweede set verzamelt de portretten van de Haarlemse elite of wat daarvoor moest doorgaan. Hier is de kleur minder belangrijk. Maar ook hier ervaar je een sympathie voor de dames en heren van stand. De schilder maakt immers duidelijk dat onder deze vrij dure pakken mensen zitten die wel de maatschappelijke ladder hebben beklommen, maar daarvoor niet minder menselijke trekjes vertonen en blijkbaar iets hebben prijsgegeven van hun manier van laddertje klimmen zodat de toeschouwer de pracht en praal kan bewonderen maar ook weet dat ‘de lange arm’ wel eens toeschietelijk is geweest.
Het is een zeer onconventionele manier de burgerij bij de menselijke lurf te vatten, en juist dat plaatst Frans Hals’ werk zo dichtbij onze tijd waarin de sjieke pakken allemaal wel hetzelfde kleurtje hebben gekregen, meestal muisgrijs, maar waar dan de omgeving borg staat voor de verworven status. De rijke biebrouwer hierboven zou zich nu misschien aan het stuur van een luxewagen laten schilderen of in het clublokaal van de pas verworven voetbalploeg.
Kijk naar het portret van Petrus Scriverius dat Hals in 1626 schilderde en waarbij de leeftijd van het onderwerp (50 jaar) zonder schroom vermeld wordt.
Grappig is het gebaar waarmee de edele man zich aan de onderste geschilderde kader vasthoudt. Het gebaartje hoort misschien bij de vorderende leeftijd (50 was toen al wat!) maar doet elk serieux te niet waarmee zijn tijdgenoten zich lieten afbeelden. Er is geen grens tussen de man op het doek en de lijfelijke man uit 1626.
Zijn opvolgers die al volop aan het werk waren tijdens zijn leven Velasquez (1599-1666) en Rembrandt (1606-1669) zullen het menselijke karakter zichtbaarder dan ooit maken, maar Hals ’trumped them in terms of irrepressible, earthbound immediacy’ zoals Roberta Smith dat zo gevat beschrijft.
‘Hals’s combination of life, light and brushwork ultimately made him one of the riverheads of modernity. But it took some time. In the 200 years after his death, his loose handling of paint, which the Dutch called rough style, was out of fashion to such an extent that his canvases were often viewed as unfinished. But this roughness attracted French painters of the 19th century who harbored realist or Impressionist inclinations, starting with Courbet, Manet and Monet, as well as later figures, including van Gogh and Americans like James McNeill Whistler, Mary Cassatt and John Singer Sargent. The high regard for Hals among 19th-century artists rubbed off on 19th-century collectors, particularly Americans of the Gilded Age who helped establish and stock the Met’
Met enige fierheid kun je tot 10 oktober komen kijken in The Metropiltan Museum of art.













Een intuïtieve expressie van vloeibare intelligentie. Een distillatie van jaren zien, fotografisch denken. Het zijn van de mooiste bepalingen die ik omtrent het fotografische medium las. Daarom is fotografie voor mij een bij uitstek zeer vrouwelijk medium, juist omdat de intuïtie er zo’n belangrijk onderdeel van is.












Hijzelf, in zijn welsprekend blog ‘I shot myself, they did too, a cinemascapist subsidiary, zegt het op deze manier:






Langs de New Yorkse Galleries lopend word je onder beelden bedolven. Enige systematiek is nodig om vondsten of indrukken te bewaren, te duiden of te bevragen. Daarom neem ik je eerst mee naar de Chelsea art galleries en we beginnen langs de Lower Eastside. Kijk hiernaast en hieronder, beelden van Margaret Morrison die al jarenlang aan de Woodward Gallery is verbonden. Haar beelden verwijzen direkt naar de kindertijd. Er worden merktekens gebruikt, maten genomen.
Deze ‘Angel of Attack’ uit 1999 wordt meewarig bekeken door het ventje. Een man in stofjas,(regenjas?) een laborant, winkelier staat klaar om als aanvallende engel te fungeren. Tenslotte is dat het werk: aanvallen, je doel bepalen en de vleugels spreiden.
Haar nieuwer werk zoals deze ‘Cat’s eyes’ uit 2011 smijt die kindertijd in alle hevigheid weer in je geheugen binnen: knikkers, en in 2009 snoepjes, suikergoed, toverballen, candy apples, cupcakes. Ze zijn met een fotografische nauwkeurigheid geschilderd en juist daardoor vrijwel alleen als statement te benaderen.
Their overgrown size, and the fact that their ridged, serpentine forms overfill the frame, makes these chewy, tubular creatures look like extras out of Dune. One of them arches across the immediate foreground. Its head inclines downwards, as if to ponder the luminous, lime-colored shadow that pools beneath it. The inquisitive critter, which resembles Narcissus transfixed by his own reflection, would look equally at home in a candy store, a Pixar flick, or curled alongside one of Odilon Redon’s gentle, tremulous monsters.