BRIEF AAN ALBRECHT D. (5)

2043986746

Dit is het bewegende beeld van Pleydenwurff.  Kijk naar de gloedvolle kleuren, de droevige actie en het realistische landschap op de achtergrond. Tegelijkertijd zou het onderwerp op de voor mij onverklaarbare jodenhaat kunnen wijzen, afkeer die ik even later ook terugvind bij Luther die -eens hij bemerkt dat hij de Joden niet tot zijn hervormingsbeweging kan bekeren- een pamflet schrijft over de leugens omtrent de Joden. Als immers het humanisme in figuren als Willibald Pirckheimer en Erasmus het heeft over de herontdekking van het klassieke mensbeeld zoals dat bij de oude Grieken en Romeinen opgeld maakte, dan begrijp ik die afkeer helemaal niet meer.  Immers tijdens het hellinisme waren er grote groepen Joden die dit mensbeeld met hun cultuur assimileerden en verdraagzaam samenleefden met Grieken en Romeinen. Toch verzwijgen de meeste bronnen de vervolgingen en uitdrijvingen.  Ze lijken wel naast de Duitse geschiedenis te hebben plaats gevonden.  Een deel van deze schaduw ligt zeker bij de beginnende godsdienstconflicten tussen katholieken en hervormden die het al verdeelde lappendeken van het Roomse Rijk nog in diepere tegenstellingen uit elkaar zouden drijven. Misschien moeten we de opvattingen van jouw tijd beter interpreteren: wellicht gaat het niet om een vervolging, maar eerder om een afschermen en een verdediging van de totaliteit van de zogenaamde christelijke cultuur, zeker als Luther opduikt.  We kunnen ons moeilijk de tijden voorstellen waarin religie en bestuur een soort eenheid vormen waarin belangenverdediging en verdraagzaamheid wel eens met elkaar worden verwisseld.

813802749

Daarom laat ik het onderwerp even rusten (ik wacht op bronnen uit je stad) en trek ik met jou naar één van je grote voorbeelden :‘Martin Schongauer’. waarvan hiernaast een werk dat herinneringen oproept aan je eigen aandacht en concentratie als het om bloemen en planten gaat.

Schongauer werd in 1450 in Colmar geboren en zijn vader was net zoals de jouwe goudsmid. (in Augsburg) Martin bereisde Vlaanderen en Bourgondië en stichtte naast zijn terugkeer in Colmar een werkplaats waar hij door zijn grafisch werk nog beroemder werd dan door zijn schilderkunst. Hij werd ‘Bel Martin’ genoemd, Beau Martin.  Zijn werk gold als voorbeeld en de kopieën ervan werden vaak nog eens gekopieerd en tot in Italië verhandeld. 

In 1490 vertrek je naar Colmar maar als je aankomt is Martin net in februari 1491 overleden. Schongauers broers Caspar en Paul, beiden goudsmeden, ontvangen je vriendelijk.  Je mag de nalatenschap van je voorbeeld inkijken en bestuderen.  Je mag zelfs enkele originelen mee naar huis nemen.  Een andere broer, Georg, verblijft in Basel, de drukkersstad.  Je gaat hem ook opzoeken.  Hoe lang je er blijft weten we niet. Je bent ook nog in Straatsburg geweest en als je terugkeert rond 1493 ontstaat het mooie ‘Selbstbildnis mit Distel’ nu in het Louvre te bewonderen.

4052279665

Je hebt jezelf in drievierde-profiel opgesteld voor een donkere achtergrond zodat je gezicht, hals en handen sterk ermee kontrasteren.  Onder je donkere mantel die met de achtergrond versmelt, draag je een licht hemd met stiksels en een ruime kraag.

De distel in je handen kreeg allerlei betekenissen (een andere naam voor deze plant was ‘mannentrouw’ en zou je huwelijk met Agnes aankondigen!) maar als ik probeer het opschrift ‘My sach dy gat/ Als er oben sctat’ probeer te vertalen als: ‘De zaken verlopen zoals ze boven (door de voorzienigheid) gepland zijn’ kan ik dat moeilijk rijmen met je op hand zijnde huwelijk.  We zullen dus eerder in de christelijke beeldspraak moeten gaan zoeken waar de distel een attribuut is dat bij de Passie hoort.

Je portret glanst van zelfzekerheid.  Als mens en als kunstenaar vertrouw je op hogere machten. Je hebt een zending om de schoonheid zichtbaar te maken, om het menselijke bestel in al zijn dromen en dwaasheden te verbeelden.

Sommigen schrijven je een ‘scheve’ blik toe.  Je rechter pupil staat helemaal in de uiterste hoek van je oogkas terwijl de linker rechtdoor kijkt. In feite een gewoon resultaat van iemand die zich zijwaarts in de spiegel bekijkt.

En of die distel een soort bruidsboeket voor Agnes zou zijn zoals Goethe in 1805 schreef, betwijfel ik.  Je huwelijk verliep voor haar heel anders dan zij verwacht had, denk ik.  Zij had nog het beeld van de middeleeuwse handwerker voor ogen die dichtbij huis zijn mooie dingen maakte terwijl jouw onrustig gemoed naar de broeihaarden van de Renaissance wilde.

BRIEF AAN ALBRECHT D. (4)

4257274782

De twaalfde van achttien kinderen zijn was in de middeleeuwen niet zo opmerkelijk.  Ulman Stromer op Driekoningen 1329 in je stad geboren in een zakelijke omgeving zou uitgroeien tot papierfabrikant, koopman en politieker. Met zijn broers Peter en Andreas leidde Ulman sinds 1370 de ouderlijke firma die zich tussen 1375 en 1434 over heel Europa uitstrekte.

Hiernaast zie je de papiermolens  als één van de voornaamste onderdelen van de Stromers-firma. (je vindt ze ook rechtsonder de mooie stadstekening in de vorige aflevering)

Ulman zou in de pestepidemie van 1407 sterven.  De molens gingen in 1449 in vlammen op maar werden later terug opgebouwd.

Er is terloops een vermelding van de grote ‘Judenschulden-Tilgungen’ die 1385 en in 1391 doorgingen en waarbij Ulman Stromer nauw betrokken was als raadslid. Koning Wenzel zette alle Joden in de stad zonder enige reden in de gevangenis.  Ze konden zich vrijkopen tegen de som van 80.986 gulden.  Tijdens jouw bestaan zou je stad nog een stapje verder gaan.  Jouw dooppeter, drukker en uitgever Antonius Koberger publiceerde op eigen kosten  in 1485 het werk van de Spaanse Franciscaan Alphonso de Spina  (een bekeerde Jood) ‘Fortalitium Fidei’ waarvan het derde gedeelte tegen de Joden was gericht.

De humanist Willibald Pirckheimer -jullie hebben nog in het achterhuis van de Pirckheimers gewoond zei men, al bleek dat een  verzinsel van 18de eeuwse geschiedschrijvers, maar Willibald zou wel je allerbeste vriend worden – stelde voor een petitie tot de keizer te richten om de Joden uit de stad te zetten wat enkele jaren later ook werkelijk zou gebeuren. Op Laetare-zondag (!) 1499 werden de bannelingen door een gewapende escorte begeleid gedwongen de stad te verlaten.  De meesten vestigden zich in Neustadt, anderen verhuisden naar Frankfurt-aan-de-Main en enkelen trokken naar Praag. Vreemd genoeg vond ik van deze uitzetting alleen gegevens in Jewish Encyclopedia van 1906.  In jouw bio wordt in alle talen over deze uitzetting gezwegen. Het zou tot in 1824 duren voor de eerste Jood zich weer in de stad mocht vestigen.  3490531848

‘The municipal council of Nuremberg, not satisfied with having expelled the Jews from the city, endeavored to make their sojourn in the vicinity impossible. It protested when a Jew was made a citizen of Fürth. The citizens of Nuremberg were not allowed to buy meat from the Jews of Fürth, and trade with Jews was finally forbidden altogether (1533).

Six years later, July 30, 1539, Nuremberg citizens were even forbidden to borrow money from the Jews, under penalty of a fine of ten gulden. These severe measures seem to have been relaxed after a time, however, for the Jews resorted to the gardens outside the city to make purchases and sales. Under-Maximilian II. they were permitted to buy all their food supplies at the public fairs near Nuremberg, though this permission was rescinded on June 17, 1693.

They were permitted soon after to deal in the city itself on condition of reporting to the guard on entering the city, whereupon the guard detailed a musketeer to accompany each Jew during the day. The attendance of this escort was called a “lebendiges Geleite”; after a time an old woman was substituted in place of the musketeer. On the Jews’ departure from the city the guard levied a toll upon the goods purchased. No Jew was permitted to appear in the market between eleven and one o’clock in the day.

The various edicts intended to regulate the behavior of the Jews during their stay in the city were issued in the years 1721, 1723, 1732, 1774, 1777, 1780, 1787, and 1791. The desire is apparent in all these to admit the Jews to the city, although under the most severe conditions; for evident reasons, since the “lebendiges Geleite” system alone brought in an average revenue of 3,589 gulden a year.’ (Jewish Encyclopedia 1906)’

BRIEF AAN ALBRECHT D. (3)

1270298121

Hoe meer ik je werk bekijk, Albrecht, hoe meer vragen en raadsels te voorschijn komen. Al liggen er zo’n vijfhonderd jaar tussen ons beiden, je werk verschijnt met een mengeling van zekerheid en twijfel, van kind-van-je-tijd tot buitenstaander.  Van topartiest tot onzekere becijferaar van verhoudingen en perspectief.

Je verplichtte mij om onder te duiken in geschriften, brieven en schaarse bio’ s om tussen het artistieke gewauwel, bewondering en hoofdschudden (was hij nu aan man van de Renaissance of zo’n Duitse plaatselijke ster uit de laat Gothiek?) de nodige omgeving te vinden waarin jouw wezen geloofwaardiger zou overkomen dan in de bijna-heiligverklaringen of uiterst technische onderzoeken naar vormgeving en ontstaan.

Neurenberg (is dat neurotische een toevallige samenklank?) was altijd al een stad met verschillende atmosferen.  Dat bleek niet alleen in de vorige eeuw waarin zowel triomf als ondergang elkaar afwisselden maar ook al tijdens jouw bestaan kon je die veelzijdigheid aan de lijve ondervinden, en is ‘veelzijdigheid’ een te braaf woord om de paradoxen aan te duiden waarin zowel jouw tijd en omgeving als jouw werk onderdak kon vinden.

Laten we in de 19de eeuw beginnen, want al gebruik ik een standaardwerk (The Life and Art of Albrecht Durer, Panofsky, Erwin) tegelijkertijd kon ik bij Amazon een reprint aanschaffen van een biografie uit 1870, de eerste Engelse biografie, door een vrouw geschreven, die ter gelegenheid van je 400ste verjaardag een aardige synthese maakte van leven en werk waarin de negentiende eeuw uiteraard het gezichtspunt mee bepaalde maar die overeind bleef al wist de Schotse illustrator en dichter William Bell Scott haar weg te duwen met zijn uitspraak dat haar bio ‘hysterical and prejudiced’ was, terwijl hij onbeschaamd haar vertalingen van brieven en dagboeken gebruikte in zijn eigen werk. Heaton Mary Margaret, meisjesnaam Mary Margaret Keymer, en gepubliceerd onder de naam Mrs. Charles Heaton met verwijzing naar haar echtgenoot, een eminente chemicusHet feit dat je als vrouw blijkbaar niet bestond tenzij met de verwijzing ‘Mrs.’ zegt genoeg over het Victoriaanse Engeland, maar zal ook in jouw leven doorwegen.

76065618

Hierbij, ere aan wie ere toekomt, een prent van de Schot waarin hij jou vanuit je woning op de drukte van de stad laat neerkijken.

‘History of the Life of Albrecht Dürer’ is een warm en erg leesbaar boek gebleven waaruit velen vaak zonder bronverwijzing hebben geput zoals meermaals bleek uit mijn verzameling geschriften en commentaren.

Een ander aspect is het ontbreken van het ‘natie-gevoel’ in Duitsland.  Duitsland was in jouw tijfd tijd nog altijd een lappendeken van meer dan 300 kleine staatjes.  Al lagen ze binnen de grenzen van het Heilige Roomse Rijk, het volstaat om Voltaire te citeren die opmerkte dat dit Rijk heilig noch Rooms en zelfs geen Rijk was. Zesenzestig steden waren vrijsteden. Steden die hun vrijheid tegen aanzienlijke sommen hadden afgekocht van de plaatselijke heersers.  Buiten de stad heerste chaos, hongernood, werden conflicten uitgevochten, viel je ten prooi aan rondtrekkende roversbendes.

Ook buiten de grenzen van dit ‘Rijk’ dreigden gevaren.  Sinds de inname van Constantinopel in 1453 door de Turken werd er voor de Moslims een weg gebaand naar Europa. De zegenvierende legers trokken verder naar Belgrado en dreigden het Rijk binnen te vallen. Keizer Frederik jammerde maar deed niets. De vier ruiters van de Apocalyps uit het visioen van Johannes waren een begrip: honger, pest en syfilis maakten duizenden slachtoffers.

551467808

Je hebt de paniek meegemaakt die rond het jaar 1500 uitbrak toen het einde van de wereld werd voorspeld: meteoren vielen op aarde, kometen verschenen aan de hemel.  Ze waren duidelijke tekenen dat het Laatste Oordeel nabij was.  Boeren verlieten hun ploegen, smeden hun smidse, de huisvrouw haar keuken.  Iedereen begaf zich op weg naar Wilsnack waar men zei dat bloed was gevloeid uit drie hosties, of naar Niklashausen waar schaapsherder en dorpsmuzikant Hans Böheim zei dat hij met de Maagd Maria had gesproken.  In zijn toespraken verdoemde hij gezagsdragers en geestelijken, zei dat de belastingen moesten worden afgeschaft, dat land en bos gemeenschappelijk bezit moesten worden en zelfs de machtigste edelen voor hun brood zouden moeten werken.   Opgepakt en verbrand bleven zijn ideeën onrust veroorzaken.

Binnen de muren van de Duitse steden bestond er iets dat op veiligheid leek.  Daar schoten scholen voor de jeugd uit de grond en bijna iedereen kon lezen en schrijven. Stadsbesturen ontwikkelden zich tot democratische instellingen. Voor lijfeigenen op het platteland was het leven in de stad het leven in een paradijs.

1.12

 Via de New York Times van vorige week kwam ik je gevouwen handen zelfs in Athene tegen. Die handen zijn een soort icoon geworden, net zoals het haasje of de viooltjes op iedere kamer van jongens en meisjes uit de Hitler-Jugend hingen, eens je door het regime was uitgeroepen tot de eerste ‘zuivere Germaanse’ kunstenaar.

Of je nu de rust moet terugbrengen in een door economische crisisen geplaagde Griekse staat of als voorbeeld voor de twijfelachtige idealen van de nazi’s werd gebruikt, blijkbaar heeft je kunst diepe indruk nagelaten, ook in de zogenaamd moderne tijd waar net zoals je houtsnedes en gravures nu het internet voor de vermenigvuldiging van ideeën en beelden schijnt te zorgen.

KWART OVER VIER OKTOBERLICHT

1.11

Het was kwart over vier, zondag 16 oktober -je zou kunnen zeggen 16.16u van 16/10 (bij gebrek aan een zestiende maand) toen het licht op de hierbij getoonde manier mijn werkkamer binnenkwam. Op Arte had ik net een film over het leven van Marie Curie bekeken, en de straling die zij ontdekte en met haar leven betaalde, ervaarde ik op een andere manier doordat de zon, deze kleine ster ergens rechts-onder ons melkwegstelsel, in een zeldzame overvloed de namiddag zegende. Mijn schildersdoos is de digitale olympus-camera, dus ging ik in op haar uitnodiging en legde ik in enkele minuten de hier bijhorende beelden vast als dank voor de invitatie en in grote verwondering over dit geschenk van het zuiverste licht.

3.4

De engel voor de spiegel stak zijn armpjes verlangend uit naar het licht dat uit de verzilverde kom onder hem opsprong.  Oktoberlicht is inderdaad ‘engelenlicht’.  Dat komt door de lage invalshoek en de ervaring dat dit zonlicht bevrijd is van zijn drukkend karakter waarmee het ons in de zomermaanden (lang geleden!) wel eens opzadelde.  Oktoberlicht hoort inderdaad bij de overgangsriten van de herfst. Het is het zien zoals wezens zien die van leven veranderen, iets wat wij een beetje gemeen ‘de dood’ noemen. Je bent nog niet in het goddelijke licht, maar het aardse kan je niet meer deren.  Transcendent: trans-cedere, overgaan van de ene naar de andere toestand.

Vaak zie je dat licht op schilderijen waar engelen of engelachtige wezens (zoals mooie jongens en meisjes) aanwezig zijn, of gesuggereerd worden.

Als ik de camera naar het raam draaide dan filterde dit mooie licht door de kleine gaatjes van de hor.  Ook electronica kan het licht weergeven op een manier die niet de werkelijkheid is, maar eerder de ervaring van die werkelijkheid uitdrukt, zoals een schilder dat doet als hij kleur en compositie die hij voor zich ziet via zijn ervaring op het doek brengt.  Het duurde even voor we erachter kwamen dat we ervaringen willen verbeelden, zelfs met hedendaagse fotografie als palet.

4.4

Bij toeval is de weerkaatsing van de houten engel in dat uiterste sfumato opgenomen zodat zijn engelachtigheid daardoor nog duidelijker is: hij lijkt te zweven, en in feite doet hij dat ook.  Hij steekt zijn armen uit naar het licht want daarvoor is hij gemaakt, het licht omarmen zoals wij als schamele mensen dat op onze manier proberen en ons wel eens van licht vergissen, maar dat is een ander verhaal dat niet op deze zondag aan bod moet komen.

Dit zachte oktoberlicht is inderdaad een mooie mengeling van aards en hemels licht.  Het gaat de hevige stralenbundels voorbij waarmee de verrijzenis of de heiligheid van een personage duidelijk is gemaakt, maar het is ook niet het neergesmakte juli-licht dat op de rijpe oogst de komende menselijke arbeid voorspelt.  Dit is het licht dat je in een hellend landschap vindt, glooingen en keteldalletjes weten wel weg met dit soort licht.

6

De auteur van het apocriefe bijbelboek Wijsheid heeft het over de wijsheid (Sophia) als afglans van het eeuwige licht, ‘de onbeslagen spiegel van Gods werkzaamheid en het beeld van zijn goedheid.’ In de Koran gaat het over ‘Al-Noer’, het licht dat het goddelijke uitstraalt, naar de verlichting die Allah brengt.

In onze kindertijd leerden wij dat zo’n goddelijk licht meestal met donder en bliksem gepaard ging zoals de god van Mozes en Cecil B. Demil  zich openbaarde, maar in het licht van deze zondag voel je dat de uitstraling zacht is, dat ze met tederheid heeft te maken, met aanraking en omarming en niet met macht en spektakel.

Ik gedenk dus ook de zachte ziel van Hugo die in zang en muziek het licht vond. Ik moet het met beelden en woorden doen, Hugo. Jij, met je sonore basstem, kon de auditieve kant van de schoonheid waarneembaar maken. Toen velen gisteren afscheid van je namen, heb ik in diezelfde tuin gestaan die je hiernaast ziet, met hetzelfde zachte licht van de overgang. Onze machteloosheid tegenover het veranderen van aanwezigheid kan ik een beetje ontzenuwen met dit oktoberlicht aan jou te verbinden.

De abt Symeon (949-1022) van het kleine klooster Sint-Mamas bij Constantinopel schrijft in een van zijn ‘Hymnen’

O Licht dat men niet vermag te benoemen, want het heeft geen naam, o Licht met de veelvuldige namen ook, vermits het alles bewerkt (veroorzaakt)’

In Genesis was ‘Er zij licht’ het eerste scheppende woord, en ook vandaag, nu ik je in dit zachte licht herdenk, ben je aanweziger dan ooit.  Je beminden zullen het moeilijk hebben om na de mensonterende pijnen van het afscheid je weer in dit licht waar te nemen als in een nieuwe aanwezigheid.  Omdat ik verder van je afsta is mij dat makkelijker.

Een van de grote wijsheden lag in de stilte.  De stilte in het prachtige licht van deze zondag. Ik laat het nagloeien in de stilte die met de donkerte over de tuin neerdaalt.

8.2

 

BRIEF AAN ALBRECHT D. (2)

2631323963.2

Nu we in bankcrisistijden leven, is het misschien goed om je mooi portret van een van de grootste geldschieters uit jouw tijd, Jacob Fugger, bijgenaamd ‘De Rijke’ te tonen.  In feite werden met hun geld de nodige keurvorsten omgekocht (lees: betoelaagd) en was de keizer van het Roomse Rijk hen in alle betekenissen van het woord ‘schatplichtig’. Zoon van een goed boerende wever (het goddelijke monster in de 15de-16de eeuw?) leerde in Venetië de trukjes van de dubbele boekhouding.  Hij had geld maar geen kinderen, een lot dat hij met jou deelde. Hij was het die Karel V zo’n 850.000 florijnen uitleende, dat is de waarde van drie ton goud waarmee hij makkelijk de keizerskroon kon verwerven ten nadele van Frans I. (deze kreeg slechts 543.000 florijnen).  Terwijl jij naam kreeg -en dat was al in de jaren 1490- was deze familie druk bezig met de koper- en zilvermijnen in Tirol, om de ertsmijnen in Silezië niet te vergeten.

Toen je vier jaar oud was kocht je vader een groot huis in Neurenberg ‘Unter der Vesten’ Daar installeerde hij zijn goudsmederij op enkele passen (twee huizen verder) van je leermeester Michael Wolgemut.  Aan jullie gevel het uithangbord met de dubbele deuren. (je naam Dürer die je vader vaak nog als Türer schreef kwam uit de analogie met het Hongaarse woord voor deur, Eytas, het langverdwenen dorpje waarmee de stam ajto-deur verweven was) Hier zou je dus Vanderpoorten kunnen heten.

Vlakbij woonde je dooppeter, de uitgever en drukker Anton Koberger, de schrijvende arts Hartmann Schedel, de auteur Johannes Neudörffer en de schrijver-humanist Christoph ScheurlVan Wolgemut maakte je een prachtig portret.  Je noemde hem je tweede vader al werd je als leerling door de andere leerlingen wel gepest. (je talent, je hang naar mooie kleren, je….?)

3222691347

Wolgemuth was in de leer geweest bij Hans Pleydenwurff, een groot schilder wiens plaats hij had ingenomen na zijn dood in 1473, en wiens weduwe hij tot vrouw had genomen.

Pleydenwurff had twee grote vernieuwingen van de Vlaamse schilders Jan van Eyck en Rogier Van der Weyden  ingevoerd en toegepast in zijn religieuze schilderijen.  Hij verving de gestileerde figuren met de stijve draperieën door figuren met levendige bewegingen en gloedvolle kleuren terwijl hij de gouden achtergrond door een realistisch landschap verving.

Dit portret, drie jaar na Wolgemuts’ dood gemaakt voorzag je zelf van commentaar: ‘En hij was 82 en leefde tot het jaar 1519, toen hij stierf op de dag van Sint Andreas (30 november), in de vroegte, voor de zon opging.’

De drie leerjaren in het atelier van deze man hebben op jou een blijvende stempel nagelaten.  Hier zou je voor de eerste keer in aanraking komen met de techniek van de houtsnede, nog geen eeuw oud, maar geschikt voor de boeken van buurman Anton Koberger. (Hartmann Schedel: Kroniek van de Wereld)

Het portret van Wolgemut straalt warmte uit.  De ziel heeft het gehaald op het oude lichaam. Een ziener wiens leerling dat zien over Europa zou verspreiden.

BRIEF AAN ALBRECHT D. (1)

Albrecht_Durer_Self-portrait_at_13.jpg

Naargelang het iemand uitkomt wordt een dertienjarige voorgesteld als een pril kind, een puber, een brutaal bekje, een zelfstandige denker, een vertwijfeld wezen, en vul zelf de lijst maar aan.

Toen ik je zelfportret zag dat je met de zilverstift vanuit de spiegel op het geprepareerde papier zette, bleef elke benoeming die ik hierboven begonnen ben, onbruikbaar.

Dertien zijn in 1484 blijkt anders ingevuld te moeten worden dan bijvoorbeeld dertien zijn in 2011.  Het was het jaar dat Hans Memlinck zijn Moreeltriptiek schilderde, Karel VIII van Frankrijk in Reims gekroond wordt en de pas verkozen (?) Paus Innocentius VIII zijn Heksenbul uitvaardigt (Summis desiderantes affectibus) en daarmee de jacht op ketters en heksen in gang zet..  De keizerlijke troepen van Frederik III worden in de pan gehakt door de Hongaren in de slag van Leitzersdorf, en Maximiliaan I smijt de vreemde kooplui in Brugge buiten, lieden die naar Antwerpen uitwijken en daar voor het toenmalig internationaal sfeertje zorgden terwijl Brugge letterlijk en figuurlijk verder verzandde.

Of je van dat gewoel in Neurenberg veel gewaar werd, weet ik niet, ook al was die stad een knooppunt tussen het Oosten en het Westen. De al genoemde keizer Frederik blonk niet uit door staatsmanskunst.  Hij verklaarde dat hij liefst de wereld zou veroveren zonder zich te verroeren (zelfs jagen was hem te veel) en hij verliet zelden of nooit zijn landgoederen in de buurt van Wenen. Wel was hij zich bewust van de Habsburgse traditie waarin het baasje-over-de-wereld-spelen een voorname plaats innam. In dat optimisme liet hij meubels en boeken met het monogram AEIOU decoreren- Austria Est Imperare Orbi Universo. (Oostenrijk zal de wereld beheersen), een hobby die drie en een halve eeuw later wel in Neurenberg zichtbaar werd toen een 20-eeuwse Oostenrijker er zijn spektakel kwam verzorgen en een tiental jaren later in diezelfde stad de kopstukken van dat Rijk gevonnist werden.

Je vader woonde pas sinds 1555 in Neurenberg terwijl jij er in 1471 geboren wordt.  Je was voorbestemd om net als je vader goudsmid te worden maar je bezoekjes aan het atelier van Michael Wolgemut brachten je de liefde voor de schilderkunst bij. 

Je zelfportret, het eerste in een lange rij, maakt je kunnen duidelijk.  Met de zilverstift werken wilde zeggen dat je geen lijntjes kon wegvegen.  Ja, je wijsvinger lijkt extra lang te zijn, maar die had dan ook de functie de aandacht te trekken. Je bent duidelijk een knappe jongen.  Je blik kijkt in de spiegel die je leven lang je leermeester zou zijn, zowel in het verwerven van zelfkennis als in de figuurlijke betekenis van ons allen een spiegel voor te houden.
Je glimlacht niet.  Je maakt jezelf duidelijk. Pubers houden van de spiegel.  Hun zogezegde onzekerheid vraagt dat.  Ben ik dat? Ja, dit ben jij. Het is je eerste bekende werk en ook het eerste zelfportret in de Duitse kunst.
Het is duidelijk dat je de wereld zichtbaar wil maken.

WINTERLANDSCHAP AAN ZEE: LUKJANOV RAPHAEL

hooi.jpeg

Dit mooie doek, WINTERLANDSCHAP AAN ZEE, is in 1993 geschilderd door de Russische schilder Lukjanov Raphael.
Een landschap dat naar de zee afloopt, waarin besneeuwde hooi-oppers staan als wachters aan de kust terwijl boven hun hoofden de wolken uit elkaar waaieren.

De schilder heeft op het doek achteraan zijn naam gezet en de stad waarin het doek gemaakt is: ROSTOV ROSSIJA, Rostov in Rusland dus.  
De stad ligt op zo’n 45km van de monding van de Don in de zee van Asimov.
Is het daarom dat hij op het doek de Griekse uitroep ‘Thalassa’ in het Russisch dan, erbij noteerde, ‘Thalassa’ de kreet van de Grieken toen ze na een lange toch eindelijk de zee bereikten. De zee!

Een sfeervol doek.
50 cm x 60 cm en 72 cm x 63 cm met kader
Onderaan links gesigneerd en gedateerd.
In mooi gouden kader met zwarte buitenlat

verkocht!