302px-Francesco_Guicciardini.jpg

Frank Ankersmit neemt ons mee naar het Italië van de zestiende eeuw.  Twee geschiedschrijvers uit die dagen: Machiavelli en Guicciardini (Francesco, niet verwarren met zijn Antwerpse neef Ludovico).
Hun relatie tot het verleden was bepaald door hun ervaring van de gebeurtenissen die sinds 1494 voor de Italiaanse (en Westerse) geschiedenis beslissend zijn geweest.

1494 markeert het einde van de Renaissance voor Italië, van de wereld van Lorenzo il Magnifico, van vrede, orde en van ongestoorde toewijding aan kennis en artistieke perfectie die wij associëren met de Italiaanse Renaissance.
Er is in Milaan de figuur van de hertog Ludovico il Moro.  Die probeerde -omdat hij voor zijn positie vreesde- de Franse koning Karel VIII over te halen Italië binnen te vallen.

Guicciardini beschreef in zijn commentaren de noodlottige gebeurtenis die de Franse koning moest overhalen het koninkrijk Napels binnen te vallen. (als illustratie een prent van de Nederlander Simon Fokke die zo’n 150 jaar later de koning uitbeeldt in zijn triomftocht omringd door soldaten en muziekminnende figuren.)

‘Zowel Machiavelli als Guicciardini aanschouwde de verwoesting van hun land; ze waren zich bewust van de machteloosheid van het land ten overstaan van mogendheden als Frankrijk, Spanje of de Duitse keizer Karel V.  Maar voor alles beseften ze, dat de verschrikkingen die hun land overspoelden, niet enkel de gril van het blinde lot waren, of van de godin Fortuna, zoals ze het zelf zouden formuleren, maar het resultaat van kortzichtige en onbeheerste politieke actie.’ (393)

92df5-3252671004
En ze beseften ook dat hiermee een nieuwe wereld werd betreden, waarin de barbaarse landen van over de Alpen zoals Frankrijk, en Oostenrijk het lot van Europa in handen hadden genomen. De wereld van Lorenzo il Magnifico en wat ermee samenhoorde zou een schim worden, een herinnering.
Bovendien zou de oorzaak van die wrede transformatie zijn weg naar hun eigen identiteit vinden.  Ik verwijs hier zeker naar onze lang besproken figuur van Albrecht Dürer die midden in dat proces tussen die twee werelden zijn kunst bedreef.

‘Aan slachtoffers wordt een inzicht geschonken dat dieper is dan waartoe overwinnaars in staat zijn.  De geschiedenis heeft hen uitgekozen om de verschrikkelijke machten zichtbaar te maken, en hun persoonlijk lot is voor het het symbool van de loop van de wereldgeschiedenis – en alle dramatiek voelen ze met een bijna existentiële intensiteit. (Melancholie!) (ibidem)

‘Vooral voor Giucciardini was dat het geval.  Als belangrijkste adviseur had hij de weinig besluitvaardige Medici-paus Clemens VII geadviseerd om een conflict met Karel V te riskeren, en het was ZIJN advies geweest waardoor de plundering en de verwoesting van de stad Rome, die stad die hij meer liefhad dan zijn eigen leven, in 1527 mogelijk was geworden.’ (394)

e30cc-2232377931
Hier zie je dus duidelijk de band tussen het bestaan van het historisch besef en de dimensie van de onbedoelde gevolgen van het intentionele handelen.
Er was immers niets mis met de intenties van Ludovico en Guicciardini, ze hadden gedaan wat hen in die omstandigheden het meest wijs en verstandig leek. Toch leidden hun handelingen tot de vernietiging van alles wat voor hen wezenlijk was.

‘Dit is de kern van het moderne historisch besef, van hoe wij ons verhouden tot ons verleden en waarom wij er iets over willen weten.  Het ontstaat uit de ervaring van de discrepantie tussen het perspectief van het verleden en dat van het heden. Het verleden kan alleen maar een passend en legitiem object van historisch onderzoek kan zijn als het wezenlijk verschilt van het heden: voor wie dit verschil een hersenschim is, is de geschiedschrijving zoiets als het zoeken naar waarheid in een droom.  Het is de erkenning van de discrepantie tussen onze intenties (het perspectief vanuit het verleden) en de onbedoelde gevolgen (alleen zichtbaar vanuit het perspectief van het heden.), die verleden en heden op zo’n uitzonderlijk pijnlijke wijze uit elkaar hebben gedreven.  Het is het wanhopig besef met de beste intenties iets verschrikkelijks te hebben aangericht, dat met de beste wil van de wereld niet meer ongedaan te maken is.  Op zulke momenten staat men oog in oog met de macht van de geschiedenis.’ (394)

(vervolgt)