Ik heb hem (Pat) pas na meer dan tien jaar teruggezien. Uit zijn woorden kon ik afleiden dat hij korte tijd nadat hij van school was gestuurd thuis was weggetrokken en als scheepsjongen had aangemonsterd. Sindsdien had hij de hele wereld afgereisd. Maar al de haat die hij in zich had gold nog immer ‘de gentleman’ die hij als de meest leugenachtige, boosaardigste, schijnheiligste, onmenselijkste mensensoort beschouwde. “God damn those bloody impostors!” herhaalde hij en spuwde hij uit.
In Ascot heb ik hevig tegen Pat gestreden. De spot, de schijnheiligheid, het harde, de hebzucht toegegeven maar hem ook namen voorgehouden van indrukwekkende figuren, Essex, Drake, Cromwell, Clive, Warren Hastings, de beide Pitt’s, alle grote gentlemen zowel in goede als in slechte eigenschappen. Pat bleef bij zijn woedekreet: ‘Ze zullen mij de ziel uit mijn lijf slaan!’

Nu kreeg hij ook nog een zielsgenoot in de figuur van Winston Churchill die met dezelfde eenzijdigheid als waarmee hij in zijn jeugdherinneringen (“My Early Life”) Ascot verketterde ook Mr. Kynnersley’s sadistische driften verdacht maakte onwille van hun overmaat aan bloedige kastijdigingen die hij eigenhandig uitvoerde. Verschrikkelijk waren de zweepslagen voor kleine vaak weke jongens. Maar eigenaardig genoeg hebben de meeste jongens ze niet op die wijze ervaren en Mr. Kynnersley gebruikte alleen het recept dat eeuwenlang half barbaarse Engelsen in gentlemen veranderde. Het was een achterhaalde manier uit een tijd waarin Engelsen nog volbloed barbaren waren, maar pervers? Wie kon dat zelfs met de meest subtiele methodes doorgronden? Het is het resultaat dat telt: of jongens met ingestampte of met gedwongen gelijkvormigheid op weg naar hun ontwikkeling in de zin van hun eigen begaafdheid werden geleid? Het antwoord lag in de verschillende soorten mannen die Winston Churchill zelf, Roger Fry, Basil Blackwood, en Claud Schuster waren. Ook bij het beperkte aantal mannen dat nooit de veertig bereikte (hijzelf stierf op zijn achtendertigste) en slechts korte tijd de werkzaamheid van zijn mogelijkheden als opvoeder en inspirator kon ervaren.
Hij greep ons in onze fantasie, waarmee hij als een kunstenaar op zijn klavier, ons bespeelde, vooral de uitgekozenen die hij voortrok, maar ook de oudsten van de groep dertien tot veertienjarigen van de hoogste klas, de “First Form” die hij als een rattenvanger meelokte.
Zijn geheim was dat hij zichzelf niet als een deftig ideale voorbeeld zag, maar zich aan ons als een mens toonde met fouten en voorkeuren.

Ik moet bekennen dat voor mezelf Mr. Kynnersley de enige van mijn opvoeders was die mij door zijn persoonlijkheid werkelijk heeft gevormd.
Pat’ s woorden die ik dacht te kunnen weerleggen lieten weinig sporen achter in mij, maar zijn houding maakte indruk. Ik weet niet meer hoe ik het wantrouwen tegen de toekomst van Engeland dat hij in mij wakker had gemaakt geformuleerd heb. Waarschijnlijk heb ik het slechts als een lichte schaduw op het glanzende beeld ervaren. Om duidelijk te zijn moet ik het zo samenvatten zoals het mij nu, terugblikkend, verschijnt.

Namelijk het inzicht dat een wereldheerschappij die afhankelijk was van een voortdurende en volkomen opvoeding van een kunstmatig en gecompliceerd mensentype op onzekere fundamenten rust. Andere grote volkeren zoals Spanjaarden en Fransen steunden hun macht op het militaire. De Engelsen met een niet geringere drang naar macht en rijkdom deden beroep op morele eigenschappen, namelijk het goede en het slechte, het edele en minder edele van de ‘gentleman’. De gentleman was echter geen natuurprodukt, maar het resultaat van een uiterst gecompliceerd en kunstvol fabricatieproces. Terugkerend op het beeld van de “Cortegiano” van de oude Italiaanse Castiglione en de Romeinen van Plutarchus, zeer diep met de klassieke opvoeding vergroeid, aangepast aan het Engelse volkskarakter door de Engelse hervormers en humanisten, later met een puriteins en eigengereid stormvast geweten uitgerust, was het merk erg vormvast geworden maar moest het in elk afzonderlijk exemplaar telkens weer uit de grondstof opgebouwd worden. Zelf was ik nog als materiaal in de fabriek en maakte ik het fabriceren van gentlemen aan de lopende band mee bij mezelf en anderen.
Het afgewerkte produkt was, indien gelukt, kwaliteitswaar, het beste van het beste zoals de in de Engelse stoeterijen gefokte en getrainde volbloeden of zoals de wol- en katoenstoffen van Lancashire. Maar Pat’ s revolte toonde aan dat de fabrikatie ook kon mislukken. Hij was een uitzondering maar geen alleenstaand geval. Het materiaal bood weerstand aan de verschillende krachten van de bewerking. De grondstoffen waren ofwel te hard of te week, te intellectueel of te stupiede en daardoor kon de produktie voor de dringende nood van het wereldrijk niet doorgaan. Wat daarna? Het opklimmen van de onderste middenstand -niet de arbeiders, die politiek nog niets betekenden in Engeland- maar het doordringen van winkeliers en boetiekhouders, van enge horziontloze burgermannetjes die ons onbruikbaar materiaal voor gentlemen schenen, ervaarde ik als bedreiging van Engelands wereldplaats.

Pat was, al kwam hij niet uit deze milieu’s, een voorbeeld van wat er met niet geschikt materiaal kon gebeuren. Zijn bestaan tornde korte tijd aan mijn geloof in de onafzienbare Engelse macht.
Maar weldra erkende ik dat ondanks het gevaar dat het materiaal niet voldeed of de opvoeders hun vaardigheden konden verliezen, dat het vaste fundament voor een land, ja het enige dat blijft duren, niet de materiële macht is, maar de mens, de mens die voor zijn doel gevormd en gehard is en die op zijn beurt zichzelf vormt en door zijn karakter zichzelf hardt. Ook elementen zoals Pat die zich niet buigen of laten aanpassen zijn nodig ter vernieuwing en gezondheid van de gemeenschap. Want zonder beide soorten, zonder gentlemen EN rebellen was Engeland nooit een wereldrijk geworden.

Verder te lezen in Harry Graf Kessler Lehrjahre, Erinnerung an Schulzeit und Studium, Elsinor Verlag, 2011
We zullen de graaf later terugvinden met uitreksels uit zijn dagboeken die hij begon bij te houden in Ascot 1880 tot aan zijn dood in 1937.











In Ierland als in Rusland bedienden de revolutionairen zich van moord, van brandstichting en van -wat nieuw was- van boycott’s, door de Home Rulers als hun scherpste wapen gebruikt. Zelfs in onze groep vormden zich twee partijen, de ene voor de andere tegen de Home Rule. We hadden wel geen officiciële debatclub zoals de grote scholen en de universiteiten, toch discussieerden we ijverig.

Mijn minstens moreel succes met boksen had niet lang geduurd. Ik was Duitser, buitenlander, en zodoende voor kleine Engelsen een ergernis. Er ontstond een clubje dat als doel had mij te verdrukken. Zo vond de broederschap bij rugby, een van de ruwste vormen van voetbal, telkens weer de gelegenheid mij met de brutaalste passen te bedenken. Als op een dag een jongen die ik als mijn vriend beschouwde, het spelletje meespeelde, ging ik na het spel naar de huisapotheek, nam daar een flesje chloroform en vergitigde ik mij. Mijn kamergenoort Palk vond me bewusteloos. Palk, een fijne jongen die een beetje jonger dan ik was had enkele dagen na mijn aankomst op school wegens ergens een domme-jongens-streek een verschrikkelijke kastijding ondergaan. Toen hij me, zonder al te veel woorden, zijn striemen toonde had ik verschrikkelijk medelijden met hem. We werden op slag vrienden. Nu hij me blauw uitgeslagen vond riep hij de ziekenzuster en alles eindigde met een kater. Mr. Kynnersley heeft het nooit geweten.
die schitterend talentvol de hoop van de Engelse diplomatie werd, maar jong stierf; Claud Schuster, kleiner dan ik, maar sterk en zeer intelligent, zowel in sport als in studeren de beste (nu als Sir Claud Schuster de diensdoende staatssecretaris van de Engelse kanselier); E.A. Jay, een zachte, fijne blonde jongen die -als mijn herinneringen mij niet bedriegen- altijd mijn gezelschap opzocht. We vormden een kliek, een oppositie tegen de stugge massa die zich langzaam vormde en haar grote slag thuishaalde toen wij met ons zakgeld ons kapitaal samenlegden om een krant te beginnen. Daarmee werden we plotseling het middelpunt van het schoolleven en sloegen we de massa k.o. We doopten ons blad “St. George’s Gazette”, en vanaf de stichting verscheen het elke zaterdagavond, vier grote kwarto-pagina’s, eerst moeizaam gestencild, maar vlug nadat we voldoende abonnementen en adverteerders hadden bij scholieren en hun ouders en verwanten, in Windsor op houtvrij papier gedrukt.













Hij begon met enkele triviale opmerkingen en dan vertelde hij mij, waarschijnlijk als afschrikking, zijn treurig leven. Zo werd ik onschuldig het werktuig van zijn ondergang. De kommunistische periode had hij gewoon ondergaan zonder ze echter weg te duwen. Hij zei dat ik te temperamentsvol was, ik zou daardoor mezelf en anderen ongelukkig maken. Ook hij had zich uit idealisme in de politiek gestort en daarmee niet veel goeds aangericht. Hij had dan een wonderlijke vrouw ontmoet die hem in huis had genomen en met hem getrouwd was. Ze had echter een zware hartziekte en was daardoor vlug geïrriteerd en zeer jaloers. Uit zijn borstzakje haalde hij een foto: een pafferig gezicht met donkere, stekende ogen en een boze kin. Ze was een vriendin en een medestrijdster van de beroemde Franse kommuniste Louise Michel geweest. “Een amazone!”. Werd hij als eens heftig dan moesten wij de omstandigheden waarin hij leefde begrijpen. ’s Nachts moest hij zijn vrouw verzorgen en had hij zelf weinig slaap en daardoor was hij overdag zijn zenuwen niet altijd de baas. ‘Koppijn, verschrikkelijke koppijn!’ Hij legde zijn hoofd in zijn handen en begon te wenen.





