home rule postcard.jpg

In Parijs had ik al een kleine drukpers en daarop letters gezet en gedrukt.  Zo kon ik als een vakman zetspiegel, randen en formaat hanteren: het ontwerp, helemaal van mijn hand, ligt voor mij.  Schuster, Jay en ikzelf vormden de redactie,. Andere  kameraden, ook leraars, werden van geval tot geval als correspondenten of reporters aangetrokken.  Advertenties kostten één penny, acht pfenning, voor enkele woorden.  Het blad zelf voor de toenmalige krantenprijs van twee pence, het kwartaalabonnement twee shilling en acht pence.
De kenspreuk op het ontwerp is merkwaardig genoeg Duits: ‘Mit Gott allein.’ Waar we die spreuk vandaan haalden weet ik niet, maar waarschijnlijk heb ik ze uit een zekere trots gebruikt.

De tekst bestond voor een groot gedeelte uit sportberichten, verslagen van voetbal- en cricketmatchen gespeeld door de school.  Maar ook ziekten en ongevallen van medescholieren, geboorten en overlijdens in de konijntjesstal of het schildpaddenrijk kregen de aandacht, net zoals schnitzeljachtpartijen en schooluitstappen.  Van een van die uitstappen bracht ik voor de krant de beschrijving van de grote electriciteitstentoonstelling in het Kristalpaleis mee waar duizenden van de net door Edinson uitgevonden gloeilampen een verrassende en feërieke indruk op ons hadden gemaakt.

Politiek was in onze “gazette” uitgesloten. Toch interesseerden we ons net zoveel voor politiek als voor sport.  Engeland stond op de rand van een revolutionaire tijd.  Het gevecht draaide rond de ‘Home Rule’;  nominaal gezien ging het om de instelling van een Iers parlement waardoor inderdaad de Engelse eenheidsstaat zou opgelost worden. home rule the-rivals.jpg In Ierland als in Rusland bedienden de revolutionairen zich van moord, van brandstichting en van -wat nieuw was- van boycott’s, door de Home Rulers als hun scherpste wapen gebruikt. Zelfs in onze groep vormden zich twee partijen, de ene voor de andere tegen de Home Rule. We hadden wel geen officiciële debatclub zoals de grote scholen en de universiteiten, toch discussieerden we ijverig.
Jongens zoals Schuster, Fry, Blackwood bleken uitstekende redenaars te zijn. Tenslotte stuurden we twee ‘Adressen’ (manifesten) op. Het ene voor de grijze liberale leider Gladstone die de Ierse vrijheidsbeweging gunstig gezind was, het andere met meer handtekeningen voor de conservatieve leider, de markies van Salisbury.
Voor de eerste maal werd ik gedwongen tegenover een opstandige beweging stelling te nemen.  
Mijn neef Parnell was de leider van de revolutionairen, mijn andere familieleden stonden aan de kant van de antirevolutionairen en conservatieven. Met een jongensachtig genoegen stelde ik mij tegen de Home Rule op en ondertekende het manifest aan Salisbury.

Leerstof die niet in het leerplan terug te vinden was maar waarin ik me met genoegen verdiepte was Londen.  Alles in deze nevelstad waar de wereldoceaan langs de Theems aanspoelde, scheen in mijn nog half door sprookjes bevangen dertienjarige fantasie vol avonturen en geheimen.

1757278419

Het parlement, de Tower met zijn spookachtige bloedige herinneringen, de Theems met haar masten, scheepsdokken, stapelhuizen, de bank van Engeland met haar kelders waarin het goud in vorm van zegels,  tegen manshoge muren was gestapeld, dat alles levendig met elkaar vervlochten was het hart van het Britse wereldrijk. Onrustig en oeverloos bewoog zich daarrond de stad, het Londen van de tachtiger jaren, dat onmetelijk rijk en groot was, maar als een dorp ook overal naar rook en stallingen geurde.  Een Londen zonder lichtreclames waar het paard nog het straatbeeld beheerste en ’s nachts, zo vlug de gaslantaarns brandden, de nevel.
Ik werd verliefd op de nevel. 

311020073

Als we van Ascot naar Londen trokken en ik reeds in de voorsteden de vochtige rook en zoutgeur mijn neus prikkelden, vermoedde ik achter Londen de Noordzee. Op de schuiten die op de Theems lagen was elk van de hoog opgetrokken bollen een raadsel dat de fantasie met voorstellingen van onbestemde verten vulde.
Op mooie zomerdagen als slechts een lichte mist over de stroom zweefde leek de stad een luchtspiegeling, zo zacht en doorzichtig en regenboogachtig weerkaatsend.  In november als de mist bruin werd en met zijn vochtigheid gebouwen, schepen, mensen slechts onduidelijke massa’s waren, werd hij angstaanjagend en massief  en dreigend als een onweerswolk.  Dan doken uit de dikke nevelslierten gestalten als uit een onderwereld op, nog uit Dickens’ tijd, krantenjongens in geklede jassen die eens aan een Lord hadden toebehoord en nu nog lompen waren, vrouwen in een oud balkleed, met verenhoed die dronken in de goot lagen, pooiers die naast ons liepen en ons donkere, vreemde woorden toefluisterden.