DOVE PORTRAIT 72 1000 1S.jpg

10.

Jeanne zei dat het thuiskomen was. Emilie dacht aan een cocon, slechts éénmaal bruikbaar. De vlinder kan zich niet voorstellen dat het zijn geboorteplaats zou zijn. De kamers leken kleiner, zeker haar vroegere meisjeskamer die herinneringen opriep waarin een ondoordringbare wand het voorbije onbereikbaar maakte. Alsof het in een etalage stond. Zien, maar niet aanraken. Ze was blij naar het nieuwe appartement te kunnen. Ze wilde er graag alleen zijn en liet Léon en Jeanne bij haar moeder achter.

In de schaduw van de Saint Cathérine kon ze rustig uitpakken, haar boeken en brieven in handbereik. Ze hoorde de klokken, kon vanuit haar slaapkamer de spitsloze toren zien waarop de stadswachter uitkeek naar mogelijke brandhaarden.  Het was niet het ouderlijk huis, noch haar nieuwe verblijfplaats die haar het gevoel van een kinderlijke opwinding hadden gegeven, maar de donkerte van de winterkerk waarin ze nauwelijks op de komst van Jules kon wachten, calcant in parochiedienst, geprezen door haar vader voor zijn regelmatige traptechniek waarmee hij het orgel van winddruk voorzag.

Ze improviseerde op het Schumaneske pianowijsje voor beginners van Franck: ‘Plaintes d’ une poupée’ dat hij haar bij de geboorte van het kind had opgestuurd. Niet dat het voor de boreling was gecomponeerd moest hij toegeven, het was in 1865 geschreven voor leerlinge Mlle. Gabrielle Oeschger die vergezeld van moeder en jongere zus op les kwam. Moeder Oeschger bekloeg zich over het tekort aan aandacht voor het pianowerk van de jongste.  ‘Ik zal voor haar de klachten van haar pop componeren. En nog dezelfde avond schreef ik dit stukje voor haar.’

Ze hield van de eenvoud, Het heldere licht uit de dagen van weleer. Ze had hem in haar dankbriefje gesuggereerd dat poppen meestal aan de kant van kinderen staan en zelfs bij grove verwaarlozing liefdevol  op betere tijden wachten. Het mooie van muziek is inderdaad de mogelijkheid om haar naar inzicht en vermogen te interpreteren.  In tegenstelling met geschreven en gesproken taal heeft haar spraakkunst een oplossend vermogen. Smeltwater in de lente. Wat je denkt te kunnen definiëren maakt zij los uit de beklemming van een bepaling of een begrip. Muziek leer je te ‘ont-denken’.  Zij bezweert.

Ze speelde meermaals het stukje voor het kind. Zowel de toonaard als de eenvoudige 2/4 maat herinnerde haar aan haar eerste pianostukjes terwijl haar vader zachtjes de melodietjes uit het oefenboek meezong. Maar hier had de componist deze atmosfeer gebruikt om achter de eenvoud van de melodielijn kleine verschuivingen in te bouwen die het andantino zijn weemoed schonk zonder het te versuikeren. (vandaar zijn notitie ‘piu forte’ onder het tweede thema?) Daarin was de pop aan het woord. Beetje kijvend, al kon het best glimlachend bedoeld zijn.  Voor de hardhorigen stond er dan ‘dolcissimo’ onder het thema waarin elke zonde vergeven was, elke verlatenheid vergeten. Sprong daarom de melodie naar de linkerhand en kreeg nu de rechter de benadrukkende of vinger-opstekende-taak? Het pianissimo voor de laatste uitdeinende si ontsloot en besloot de magie. Een verblijf in dit wonderland is van korte duur.

Ze kon zijn andantino voor orgel in la bemol majeur  dat hij aan haar vader had bezorgd als uitgangspunt nemen voor de keuze van de registers. Door de vertraging opende zich een onondekt landschap. Beter nog de einder-loosheid, de mist tussen de bomen die ook de geluiden dempt. Voetstappen moesten hier door vleugels worden vervangen. Legato. Nu is ze nauwelijks tien jaar. Een tijdperk waarin vliegen niet is uitgesloten. Het trillen van duivenvleugels. Het thema loslaten.  Andere zijwegen wenken. Verloren lopen zonder bang te zijn. Tot de klapperende vleugels de weg versperren. Als ze haar ogen opent, wiekt de duif over haar hoofd naar de zoldering.

‘Ze zit hier al weken,’ hoort ze Jules zeggen. ‘Ze leeft van de lucht.’