1200759329

Beste heer Dumortier,

Het duurt wel even eer wij elkaar begrijpen, en nadat ik je laatste briefje had gelezen wist ik dat er nog heel wat afstand overbrugd moest worden.
Of we nu de reïncarnatie aanhangen, of de eeuwige jachtvelden belijden of rijstpap met gouden lepeltjes willen smikkelen, het zijn voor mij uitingen van het overschatte IK.

Het is inderdaad heel kinderlijk (bijna neurotisch) om het plezier steeds maar te willen verlengen. Maar in feite wordt het net daardoor gedood.
Wij vernietigen steeds wat we willen liefhebben.
Ik besefte als kind dat het begin van de grote vakantie steeds weer het idee van de volgende eerste schooldag inhield.
Ik was dan ook woedend als de magazijnen met hun “VROLIJK WEER NAAR SCHOOL” begonnen, vaak al einde juli.
Wij hebben vaak plannen gesmeed om die winkels te gaan bekladden, om met een kindercommando er binnen te vallen en de gerant te gijzelen, maar het is bij wilde plannen gebleven.

De geliefde kussen, is hem verlaten, of althans de mogelijkheid beseffen dat dergelijke activiteit OOK kan plaatsvinden.
Omgekeerd: we hopen steeds op beterschap als de zoveelste storm de droomlandschappen heeft weggeblazen.

Het geheim van het orgasme schuilt in zijn kortstondigheid, net zoals de drugs ons doen geloven dat de andere kant van de medaille niet bestaat.
Wij moeten ons ik stutten met allerlei vergrotend gedoe (tot over het graf, meneer!) om de eindigheid ervan te verzachten of te verdoezelen.
Het vraagt dus wel een soort heldhaftigheid om ons lot te aanvaarden, inderdaad (wat u “de rug krommen” noemt), maar het is niet meer dan een harnas, die heldhaftigheid. Een noodzakelijk harnas om niet in te storten, ik geef het toe, om niet met de gruwelijke speren van de dood en vergankelijkheid te worden doorboord.

Mijn onzichtbaar-worden, waarde dokter, is dus niet wegvluchten van het slagveld, ook niet een kogelvrije vest, maar een poging om het onbelangrijke aan te hangen zodat onze daden niet alleen door de angst voor de dood maar door het in-de-tijd-zijn worden geïnspireerd.
Het is niet het ik-verloochenen, maar het aanvaarden zoals men de avondbries op zijn gezicht voelt na een drukke dag.

Mijn allerliefste zegt dat in het licht van de kosmos er geen grote of kleine daden bestaan, dat zowel het kiezelsteentje als de rots dezelfde omvang hebben.
Dit besef is de eerste stap, goede dokter.
Ik laat nu de avondbries vrij spel nog net voor de regen het donker overbrugt.

Uw geduldige Theodore Silverstein