065_f9e9b87e5b0b822c020d39566de69c9c

Beste G, psychiater,

De mooie foto van de Duitse fotograaf Jan Lipowski is voor een groot gedeelte te danken aan het onderwerp zelf: de roos.
Natuurlijk kun je lelijke foto’ s maken van mooie rozen, maar je moet al aardig je best doen om deze bloem te verraden.
Deze vorm van dienstbaarheid, het dienen van haar schoonheid door je zelf zoveel mogelijk terug te trekken, is een hoge vorm van door mij gewaardeerde onzichtbaarheid. Je hebt het toppunt van je kunnen nodig om haar tot bij de kijker te brengen, want al lijkt het eenvoudig, er is heel wat vakkennis voor nodig en laten we ’t ook nog maar eens liefde noemen om haar op onze schermen bijna ruikbaar aanwezig te maken.

Kijk ik nu met de blik van de parfumeur dan zie ik haar als een nietig onderdeeltje van het rozenwater, want er zijn er kilo’s nodig om tot een beetje extract te komen. Mijn blik wordt bezitterig, ik verlies mijn onzichtbaarheid.
Kijk ik als de wetenschapper dan deel ik haar in bij een bepaalde klasse, groep, soort, beoordeel ik haar toestand, kortom ik ontdoe haar van elke emotie en verlies daardoor ook weer mijn onzichtbaarheid door haar voor mijn werk op te eisen.
Natuurlijk is de onthechtende blik je niet zo maar gegeven, het schone doet je bijna altijd naar “bezitten” verlangen, en vaak is daar moreel niets tegen, maar hoe vreemd het ook klinkt, door haar te bezitten, verlies je haar. Het is het drama van elke vriendschap of liefde: de afstand, de vrijheid die je elkaar (probeert) geeft (te geven) maakt hem of haar zo kostbaar.

En…vergeet de doornen niet!
Schoon kan ook verraderlijk zijn. De mooie voorgevel kan een krocht verbergen.
Lieve psychiater, zij die mij langer dan één dag hebben gekend kennen mijn liefde voor deze vrijheid al ben ik natuurlijk ook maar een falend mens en was bezit mij soms liever dan de afstand. Dat zal waarschijnlijk in elke relatie gebeuren.

De ontroering echter van je geliefde die verder gaat, (Robert Long zingt daarover een mooi liedje) waar jij soms een haventje was of een vertrekpunt, die ontroering zal je gelukkiger maken dan de armen vol rozen die je door je bezitsdrang tot verdorren hebt veroordeeld.

En al is al eens een blaadje verdord, de kostbare rozenolie is nog niet verloren. Want het verdorren is ons bij de geboorte meegegeven, en eeuwig willen bloeien klinkt eerder neurotisch.
We leven echter in een tijd waarin de adolescentie zich na het werk blijft uitstrekken. Al zijn we lijfelijk steeds vroeger “rijp”, mentaal blijven we vaak in de puberteit verkeren, of vroeger nog: we willen niet meer uit de moederschoot.

Maar al zal haar reëele bloeitijd voorbij zijn, ze blijft dank zij het kostbare graf van de fotografie in alle huizen die deze tekst nu herbergen, de roos die zij was en altijd zal blijven.

Je patiënt, Theodore Silverstein