dyn001_original_440_330_jpeg_20344_e43c7ba73c09819b0fb777802b3db763

Wonen is geen activiteit, het is een conditie.
Met deze gevleugelde woorden citeert prof. René Boomkens het onderzoek van de filosoof Walter Benjamin.

Wonen speelt een hoofdrol in de verhouding die mensen onderhouden met hun concrete dagelijkse leefwereld. (maar niet de enige rol)

Voor Benjamin is het wonen niet dadelijk een uitdrukking van een diepere essentie, maar hij keert de relatie om: in het wonen en in zijn woning wordt het individu (mee) tot stand gebracht.

dyn001_original_280_420_jpeg_20344_1fa38b3dffdeccf9dcf1c8a277c286a9

De relatie tussen individuen en hun leefomgeving had steeds een drempel-kenmerk, een manier dus om de leefwereld zowel symbolisch als materieel onder te verdelen in twee sferen: een binnen- en een buitenwereld.

D‘e geschiedenis van het wonen laat zich tot op grote hoogte schrijven als een geschiedenis van de veranderende, verschuivende relaties tussen die binnen- en buitenwereld, tussen wat wij de privésfeer en het publiek domein kunnen noemen. (domein van het openbare leven, van de politiek, van de staat).’

De woning is enerzijds de plek waar de bewoner zijn rol als burger en werker aflegt, maar anderzijds ook zich daar in volle glorie kan manifesteren, in de aankleding en de bemeubeling, in de vormgeving van het interieur en het uitzicht van het huis.

dyn001_original_648_591_jpeg_20344_679ff0643fb79c67d17be81ba08149e0

In het publiek domein houden mensen zich op ‘in hun meest funcionele uitdossing’, hun werkkleding, hun zakenpak, hun ‘burgerlijke’ outfit, een domein waarin verwijzingen naar de meest private dromen vermengd worden met boodschappen van algemeen nut.

Juist in de moderne stad lopen privé- en publiek domein meer door elkaar dan waar of wanneer ook.
In zijn beschouwingen over Parijs als hoofdstad van de 19de eeuw stelt Benjamin ons op drie manieren commentaren voor op dat ‘moderne’ wonen.

Er is zeker de reminiscentie naar het eigen interieur waarin hij als kind in een Duits-Joods burgerlijk milieu in Berlijn is opgegroeid.

Daarnaast levert hij commentaar op het revolutionair ideaal van de totale transparantie. (het opheffen van elke scheiding tussen privé- en openbaar domein)

En tot slot situeert hij het moderne wonen in het verlengde van de destructieve uitwerking van de Eerste Wereldoorlog, die zijn uitdrukking vindt in de Nieuwe Zakelijkheid en het functionalisme van de artistieke avant-gardes van de jaren twintig en dertig (o.a. Bauhaus ed.) waarin het wonen vooral begrepen werd als een vorm van overleven.

Benjamin laat de privépersoon halverwege de 19de eeuw geboren worden.
(onder het bewind van Louis-Philippe-1830 tot 1848- )
Niet dat er daarvoor geen sprake van privésfeer zou zijn, maar hij wil eerder wijzen op een cruciale transformatie van diezelfde privésfeer:

‘Voor de privépersoon bestaat er voor het eerst een tegenstelling tussen woonruimte en werkruimte.

Uit de eerste ontwikkelt zich het interieur, waarvan het kantoor de tegehanger is. (…)
De privépersoon die op zijn kantoor alleen maar met werkelijkheden te maken heeft, verlangt van zijn interieur dat het zijn illusies koestert.’

‘Zijn salon is een loge in het wereldtheater.’

Benjamin verklaart het op klassiek marxistische wijze: de werkelijkheid (de sfeer van de arbeid) is er een waar alles slechts in termen van ruilwaarde, als koopwaar wordt gewaardeerd, ook de menselijke arbeidskracht, creativiteit en waardigheid.

Die realiteit staat op gespannen voet met het ideaal of het droombeeld dat de burger van zichzelf koestert.
Dat droombeeld verwerklijkt de burger in zijn interieur, als een verzamelaar van allerlei ‘waardevolle’ en exotische voorwerpen, waaraan hij met alle macht hun warenkrarkter tracht te ontnemen: dingen bevrijd uit hun dienstbaarheid aan het nut dus.

Die dromen zie je voor het eerst in het Victoriaanse of Biedermeier-interieur ten volle waar worden: mensen verzamelen sporen die ze kunnen nalaten.
Dat zal weldra veranderen.
Of was dat maar schijn?