130464Uit het kreupelhout
van het dicht beboste verleden,
weet ik je dichtbij,
mijn moederschip.

Plukkorf
waarin matrozen druivengrote tranen
verzamelen.

Vergieten
en vergeten.

Je kleine koekoeksbloem
de scheepsjongen
op wilde vaart langs het traankanaal.

Eens de leeuw gestorven
huppelen de hazen over hem heen.

Of wie ten hemel voer, du Papa Löwe,
hoeft de terugreis niet te plannen.

Zijn dubbbelganger was ik niet,
mijn ogen wel de brandnetels
die de jouwe schroeiden.

Langs de hemelas
draaien de verdronken matrozen
tot ze achter de vloedlijn
thuiskomen.

Nooit ben je genoeg gestorven
om als zilvervisje
de morgen open te kussen.

Alle tranen
verdiepten de zee
waarin jij begraven lag.

Dorstig naar jou, zal ik het zout trotseren
een fontein zijn om al dat zware water
weg te drinken.