OP REIS NAAR HET KEIZERLIJK PALEIS

Israelslide3

 

Telkens weer als je voorbijkomt,
orakel na de regenval,
-iedereen schuilt in het museum tot de bui overtrekt-
kijk ik je aan.

In het doek
woon ik,
zijn de bezoekers mijn museum.

De jongen die de keizer liefhad,
de luistervink uit zijn helderste volière.

De priester prevelt, de dokter haast zich naar een bevalling.
Suppoosten gapen zich te pletter.

Een monnik
slaat de ogen neer, ruimt het puin
uit zijn zondig binnenhuis en zucht
terwijl hij verdergaat.

Maar jij, net uit de speeltuin,
in de pekaarde van de slome puberdagen,
harpoeneert mij met je tijgerogen.

Onze haren verwaaien in de tarwevelden
achter de loodwitte loopgraven.

Op de passagierslijst hebben wij dezelfde familienaam,
op reis naar het keizerlijk paleis.

Misschien word je ooit ook een schilderij of een vers van een man
wiens valscherm te laat openging.


3 GEZANGEN VOOR HET SLAPENGAAN

Victor Koulbak. Tulip. 1996. Silverpoint - watercolor. 12 3/4 x 10 in.

 

Maar de zeeëngte
tussen je ogen,
de smalfilm van je glimlach.

Als je bij me loopt,
verenkelt de voering
van je buitenhuid.

Mijn kus is een egelboterbloem
Achter Duinkeken vinden we jouw hertogdom.

De avonden zijn er zo roze
dat jonge patrijzen
er nooit vermommingen dragen.


Het krassen
van de zilverstift
– de pleisterplaats waar jij ontscheepte –
Blauweregen ontsliep vredig op je huid.

Het krassen
van de zilverstift
– een vlinder, dubbel gevouwen godsvertrouwen –
Lippen scholen samen bij zoveel dagdieverij.

Het krassen
van de zilverstift
– bij de sterrenwacht wordt de tweeling herontdekt –
de honing van je ogen op de slijpsteen van de nacht.


Herleid mij
tot wat de bloemen zijn
als duizenden seizoenen
hen zijn voorbijgegaan.

Herleid mij
tot verharde bloemengeur
die in uitgewoonde harten
overwintert.

Het smeltpunt
van je thuiskomst
overleeft de tijd.


TUSSEN DE WINTER EN DE LENTE (2)

 

Op de achtergrond
zingen wij
Nuper rosarum flores

Het koper blinkt
als de heer Dufay poseert.

Filippo Bruneleschi
bouwde in Florence
een koepel
voor deze bazuinenmonden.

Bloemen strooit de maagd,
rozen op de wonden.

Gezongen
als cantus firmus
Terribilis est locus iste.

Nu is het nog 1436
het jaar begon met een zondag
de Bosnische taal
wordt voor de eerste keer
in een document teruggevonden.

Abi Ahmet Celebi
fysicus bij het Ottomaanse keizerrijk
publiceert een studie
over nieren en nierstenen
en bevestigt
wat de Joodse dokter Musa Colinus
ter lafenis van de bijhorende pijnen vond.

Leon Battista Alberti
beschrijft de drie dimensionele
mogelijkheden
en Massacio vindt het verdwijnpunt
in een kunstwerk uit.

Zoek ons dus niet.


tekeningen zijn van de kunstenaar Victor Koulbak


TUSSEN DE WINTER EN DE LENTE (1)

0064066dolron_d

Mijne heren, zei de dokter
hier hoort ongetwijfeld Brahms bij.

De muzikanten knikten.
Hij de piano en zij de viool.

Sonate opus 108, un poco presto, presto agitato.

Schumann en Beethoven glimlachten
over hun schouders naar elkaar.
Het was een twijfelachtige lentedag,
er was zon beloofd
maar het wolkendek bleef dicht.

Daarstraks stond ik nog op de brug
nu woonde ik onderwater bij het vissenvolk.


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (11)

faucon20

Onder de mandarijnenboom
verdeelden wij een handvol tederheid,
zingend:

Jij, mijn vrijgelaten slaaf,
mijn plunderzieke stapvogel,
mijn boetvaardige Chinese aster.

Spelend
over de hoge vloed van’t springtij
met een kleerklopper
op de duinen van je hunkering
hameren,
en uiteindelijk
onder de warme zwarte zwaluwvleugels
ons bed in ’t boek der martelaren
spreiden.

Onder de mandarijnenboom
verdeelden wij een handvol tederheid.


antifoon:

Het jaargemiddelde
van het jakhals-geroep
doet menig burger de wenkbrauwen fronsen.

Onderaards
krijgt elke mol zelfs visioenen.

Dwaalsporen
op doktersvoorschrift.

De kraamkamer
voor deze dwaze liefde
wordt met spreeuwen bemand.

Bij gebrek aan nachtegalen
luister ik naar je adem.

Kersen strooi ik rond
om de meridiaancirkel van je ogen
te beveiligen.


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (10)

8f9f20c3

Ondergedoken
voor de luizenkammen
van de zielepoot,
de spijtoptant
van zijn eigen schaduwbeeld,
deden wij een gooi
naar een waardig zeemansgraf.

Mijn overdonderd wonderkind,
de beeldenstorm
der stadsnomaden wurgt de herinneringen.

Bang van vergezichten
tuigen zij ledepoppen
als raspaardjes op.

Maar je vingers,
de diepe vibrafonen
schrijven kwatrijnen
voor de vergeten Nemo
onder water
op mijn huid.

In zijn gezonken schip
straalt de poolster
waar bij anderen ogen
narcissen planten op de duinen
van het overbeschermde ik.

Getekend
door de scherpe pennen
van de tandenloze schikgodin
worden we keerkringvogels
in de diepzee, onderhuids.

In de nevelkamer van het voorbije
ben ik slechts een druppeltje,
een optelfout en een profijtje
waar ik dacht een kapmeeuw,
een stormhoed of een zandtapijt
voor je uitgerolde schoonheid te zijn.

Mijn zilveren tarbot,
hartezeer en pijlvis,
onder water
ben ik een verloren puzzelstuk
een bijgebouwtje
van een verdroomd Atlantis.

Zeeziekte
is jou onbekend.


de water-foto’s komen uit het videowerk van Bill Viola


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (9)

8756731d

Rattenkoningen
achter het oogglas
van de late maan
knagen
de horizon open
tot elk bevend beginnend licht
pervers genoeg is
om bij ’t ontbijt te nuttigen.

Speerpunten en speenkruid
gefruit en gekneveld
tot infantiele stripverhalen.

Rechtvaardigen
schrijven
hun namen
in eigen nat
op de patrijspoorten
van ons hart.

Op de maalstroom
worden ankers
tot regelgeving ontsierd.

Een scheepje
uit hanebalken en katoenfluweel.

Vogeldromen
op de lijmstokken
van de vieze morgenkrant.

Een rookpluim werd je,
helmgras
langs het parcours
waar titelhouders
om ter luidst
de lidwoorden erecties bezorgen.


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (7)

8a647067

Het vonnis
op een urinoir
van fluitglas geschreven
werd met mammoetpoten
openbaar gestampt.

Mijn liefje,
een herderlijke brief
verbrandde je mandolinelied.

Bachanten in priesterrok
openden een gedenkboek.

De rechters
braken zelfs de larven
van de vogelkersboom.

Als een oogstlied
lag je op de tafel van de metropoliet.

Nooit kon hij zelf jongen werpen,
slechts poppen
droeg hij met kerstmis rond.

Drukinkt ademt hij zwaar.


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (7)

passion

Loop maar vlug weg,

mijn handen
kleven nog niet van je honing,

mijn vingers
zijn nog niet aan je ogen
genageld,

en mijn mond
kan nog spreken
zonder jouw lippen.

Maar als je nog even blijft
voel ik je pink al
in mijn handpalm groeien,

dus haast je maar
vooraleer ons krullig haar
in elkander waait.

Kruisdistels
in deze passietijd.

Scherpschutters
kussen al
de sneeuw
waarin ons bloed
een letter schrijft.


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (6)

 

 

Gepatenteerd hun eigendom
de genen inbegrepen
gegraveerd tot achter de oren
van je bange ziel
probeer je de magazijngoederen
van hun investering
te beheren.

In de schaarbeweging
van je uitgedeukt ego
word je tot modelkind verknipt.

Je moeder als schade-expert
toen ik de loodglazen ruiten van je bovenkamer
opengooide, de paraffine
van de lege muren droop en goed bedekte
fresco’s zichtbaar maakte:

De röntgenfoto’s van de kaalslag
die hier te lande ook wel educatie heet.

Het pijnwoud gekapt,
het veel te late licht
regent perenbloesems
op je ontkleurde lippen.

Op schootafstand
loop je voor me uit.

Je kussen
als reislectuur.


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (5)

04

Toen de pest het draagvermogen van het crematorium overschreed
verscheen jij met dodelijke bleekheid omkringd.

Onverbloemd droeg je deur aan deur reclame rond.
-Perziken in California gesuikerd-

Je kwam niet van zo ver, want onder je mantel
schreef je naaktheid elke verloren verpakking open.

Mijn moeder was vermist, mijn vader vermomd.
Deze voorlopige raming opende de deur voor jou.

Er ligt winterfruit op tafel, zei je.

Boven de ramen huilden de wolven.

Zwijgend en toch ontroerd
kleurden wij porseleinen appels rood.

Prauwen op de rivier.


de foto is van Desirée Dolron


KLEIN MEMENTO

existence2Zul je zeggen
toen was ik het niet
toen was ik de jongen in de boomgaard
nu de brombeer of de verlepte vrouw achter het raam?

Zul je zeggen
Ik was de zoekende,
ik had geen tijd om dartel als ik was
over de diepte van de plassen
na te denken?

Zul je zeggen
ik hield van warme chocolade
of brood gesmeerd bij maneschijn
en jongens wat waren we zot
dat we het wondere bij het weerbericht klasseerden?

Zul je zeggen
het is geen gezicht
de margrietjes naast de zonnebloemen
jaja, hun kopjes weten wel de zon te vinden
maar wat ben je vlug beschaamd gemaakt
als ze weten dat jij van zonnebloemen hield,
zo’n reuzebloem moest toch beter weten.

Zul je zeggen
dat wat je zei toen nooit gezegd is
dat wat je dacht en waar je hevig naar verlangde
aan zomergekte is te wijten, nu de wintertijd
de herinneringen krakend heeft bevroren?

Zul je zeggen
wat anderen willen dat je zegt, in jouw belang overigens-
-iemand die het goed met je meent, weet je wel-
dus zeg je wat ze zeggen,
niets is immers zo verschrikkelijk als alleen te zwijgen.

Dus zeg maar niets.
Op elke dag past een gezicht
als je maar niet vergeet hoe mooi je was
toen je wist te zwijgen,
en je je lippen
voor het hemelse gezang gebruikte

Die zuivere noten van een kus,
-misvorm hem niet met woorden tot een grimlach-
onze ogen gesloten
onze harten ver geopend.

Matroosje, laat alle woorden wegwaaien
in de zoute wind.


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (4)

 

8a623-dyn009_original_442_450_jpeg_20344_6e855a0c9d22d63f41c22d12f370e201

Op sterk water
worden jullie verzameld.

De schoonheid
ten top
maar levenloos

Beati immaculati in via

De laatste exemplaren
tot de altaren
van de consumptie
verheven.

Al het heimwee
dat niet kan worden uitgeziekt
in hun doodse schoonheid
geconcentreerd.

Relieken
van een kwijnend avondland.

Met schietklare
wapens omgeven,
met wetboeken omsingeld
veroordeeld
tot de zuivere hulpeloosheid.

Ik hou van je vloeken
en als je je in m’n armen nestelde
rook je vaak
naar hooi en musjes.

Ver weg is soms dichtbij

b8abb-dyn009_original_450_450_jpeg_20344_105d1e1c68cb1ec2c1272c2aae44be59


Foto’s van de Nederlandse fotografe Desirée Dolron


KREUPELE PSALMEN UIT HET WANHOOPSOFFICIE (3)

 

1116b-dyn001_original_250_444_jpeg_20344_8bfe4fceb91767003251a13711779305

Tussen gekneusde lippen
nog een liedje fluiten ,
elke noot langs het gezwollen vlees
schaaft de pijnlijke plank van het voorbije.

Koortsachtig
het beeld bijstellen, waar ben jij, zeggen,
in de holle put ,
de koker waarin wij wensen riepen
de pop waaruit de vlinders zouden komen.

Nu in de morgengrauwte
de krijsende wolken vleermuizen
terugkeren naar de stinkende grotten
waarin zij de werkelijkheid
ondersteboven verslapen,

-zelfs de dromen
zijn tegenvoeters
van het veel gezochte Arcadia-.

Uit de holte van onze bange zielen
roepen wij om monsters
terwijl ze stiekem met onze eigen vingers
scheldnamen op de muren schrijven.

Op geen enkele deur naar het hart
past de sleutel uit de bange boeken.

Tussen gekneusde lippen
nog een liedje fluiten.
Te lucis ante terminum
Rerum Creator, poscimus
Ut pro tua clementia
Sis praesul et custodia.

c1752-dyn001_original_366_550_jpeg_20344_a06de81c114efc094c6deb8739b1bf05