Israelslide3

 

Telkens weer als je voorbijkomt,
orakel na de regenval,
-iedereen schuilt in het museum tot de bui overtrekt-
kijk ik je aan.

In het doek
woon ik,
zijn de bezoekers mijn museum.

De jongen die de keizer liefhad,
de luistervink uit zijn helderste volière.

De priester prevelt, de dokter haast zich naar een bevalling.
Suppoosten gapen zich te pletter.

Een monnik
slaat de ogen neer, ruimt het puin
uit zijn zondig binnenhuis en zucht
terwijl hij verdergaat.

Maar jij, net uit de speeltuin,
in de pekaarde van de slome puberdagen,
harpoeneert mij met je tijgerogen.

Onze haren verwaaien in de tarwevelden
achter de loodwitte loopgraven.

Op de passagierslijst hebben wij dezelfde familienaam,
op reis naar het keizerlijk paleis.

Misschien word je ooit ook een schilderij of een vers van een man
wiens valscherm te laat openging.