16333

2.

Wij sliepen in schoven gebonden
schrijlings op ons stokpaard gezeten,
met meel bestrooid, verdiepten wij
gebakken kinderdromen.

De wortels droegen stemmen,
besmet met ketterij,
maar met sinaasappelbloesem besprenkeld.

Een bruiloftsgedichtje
en een vallende ster
spraken wij als woorden.

Parijse straatjongens
oefenden een gavotte
onder rode regenschermen.

Maar de eksternesten
borstelden als aambeien
de novemberlucht.

Rechters zwaaiden
met kousenophouders.

In groentenwagens
overvielen ze ons,
nog zonneblind
waren wij


3.

De benen lichtjes open
wind in zijn witte haren.

De handen los,
dan in zijn heupen,
is hij het middelpunt.

Eén ogenblik
wordt de zon
ster onder de sterren,
tot hij plotseling als een veulen wegloopt,
en de aarde
opnieuw haar baan begint.