22123033

Dat beetje dood,
waaruit ik kom gekropen
als ik ’s morgens wakker word
zal ik weer sterven
in de roerloze klokkenkamer
van de nieuwe nacht.

Dat beetje dood
dat op mijn lichaam plakt
als ik zonder jou de liefde teken
zal ik weer sterven
als de pijnboom in de wind zingt
zonder jouw heldere stem.

Dat beetje dood
van de herinnering aan roekeloze dagen
toen jij in mijn armen woonde
zal ik weer sterven
als de schepen terugkeren
zonder mijn lenige lichtmatroos.

Die korven vol met beetjes dood,
de steendruk van ons lachwekkend leven
waarin we jarenlang begraven zijn,
zal ik niet meer sterven
als jij op een koude paasmorgen
de steen van het vergeten eindelijk wegrolt

en wij in eenzame hoofden
een kus verkopen voor een vlinder

Het leven
eindelijk begrijpen
als lucht waarin het licht
niets en alles is, tegelijkertijd