gibson-john-psycheancelestiallove-ca1844-RAlondon

Op zoek naar een verklaring waarom wij het beeld van de macht als louter aan de vrijheid gestelde grens zo aanvaardbaar vinden, neemt Foucault ons mee naar het ontstaan van de staten en monarchieën.
Deze staten, eens ze vaste voet aan de grond hebben gekregen, doen zich voor als ‘instanties van regulering, afbakening en arbitrage’.
Het is hun manier om orde tussen deze veelheid van machten die uit de feodaliteit voortkomen, aan te brengen.

Ze fungeren als rechtsbeginsel dat boven al de heterogene rechten staat en hij noemt drie kenmerken die hen onderscheiden: vorming van een eenheidsregime, vereenzelving van de wil met de wet en effectuering via verbods- en sanctiemechanismen.

Natuurlijk ging het bij de ontwikkeling van de grote monarchale instellingen om iets heel anders dan louter en alleen een juridisch bouwwerk.

‘Maar dit was de taal van de macht, dit was de voorstelling die zij van zichzelf gaf en waarvan heel de theorie van het publieke recht, dat tijdens de middeleeuwen ontwikkeld of op basis van het Romeinse recht vernieuwd werd, getuigenis aflegt.
Het recht was niet zomaar een wapen dat behendig door vorsten werd gehanteerd; het was voor het monarchale systeem de wijze waarop het zich uitte en de vorm waarin het zich aanvaardbaar maakte.
Sinds de middeleeuwen wordt de machtsuitoefening in de westerse maatschappijen steeds in termen van recht verwoord.’

Dat is een fundamentele stelling want we zien sinds de 17de of 19de eeuw meestal de absolute macht van de vorst buiten het recht.
Hij doet wat hij wil.
Maar Foucault geeft zelfs het voorbeeld van het verwijt dat Boulainvilliers tot de Franse monarchie richtte dat ze zich van het recht en rechtsgeleerden bediende om de rechten af te schaffen en de aristocratie neer te halen.

dyn007_original_550_367_jpeg_20344_87cb8ff9c3beb4ddf5afc5cfa7174996

Met de ontwikkeling van de monarchie en haar instellingen kwam ook deze juridisch-politieke dimensie tot stand: ze vormt de code waarop de macht zich voordoet en zelf voorschrijft hoe men haar moet denken.

‘De geschiedenis van de monarchie ging hand in hand met de versluiering van machtsfeiten en – procedures door het juridisch-politieke vertoog.’

Natuurlijk zijn er allerlei pogingen ondernomen om de sfeer van het recht los te maken van de monarchie en de politiek van het juridische te bevrijden, maar de voorstelling van de macht bleef in dit systeem gevangen.

Ja, men ging zelfs zo ver de monarchie te veroordelen terwijl men zich bediende van heel het rechtsdenken waarmee de ontwikkeling van de monarchie gepaard is gegaan.

‘In het politieke denken en politieke analyse is de koning nog altijd niet onthoofd.'</i<

En ook in nieuwe machtsmechanismen welke sinds de 18de eeuw de zorg op zich hebben genomen voor het leven van de mensen, de mensen als levende lichamen, is dit idee van macht binnen gedrongen.

Al enkele eeuwen bevinden wij ons in een maatschappijtype waarin de rechtsvorm steeds minder in staat is de macht te coderen of als haar representatiesysteem te fungeren.
(ik denk aan de probleemstellingen die zich voordien bij internationale rechtspraak in Den Haag)

Men blijft verknocht aan een bepaald beeld van de macht-wet, van de macht-souvereiniteit, dat door de theoretici van het recht en de monarchie is ontworpen.
Als we de macht willen analyseren in de concrete en historische werking van haar methoden, dan moeten we ons van dit beeld bevrijden, dat wil zeggen van de theoretische priviligiëring van de wet en de soevereiniteit. We moeten de analytica van de macht opzetten die niet langer het recht als model en code heeft.’

De methode waarmee we dit zouden kunnen doen komt de volgende dagen aan bod.