cicero

De jonge Cicero leest en schrijft later over de vriendschap:

Cumque plurimas et maximas commoditates amicitia contineat, tum illa nimirum præstat omnibus, quod bonam spem prælucet in posterum, nec debilitari animos aut cadere patitur. Verum etiam amicum qui intuctur, tamquam exemplar aliquod intuetur sui. Quocirca et absentes adsunt et egentes abundant et imbecilli valent et, quod difficilius dictu est, mortui vivunt; tantus eos honos memoria desiderium prosequitur amicorum, ex quo illorum beata mors videtur, horum vita laudabilis.

“Zelfs als je begrijpt dat vriendschap een groot aantal voordelen inhoudt, moet het toch nog gezegd worden dat ze met andere zaken nog hoger scoort.

Vriendschap schenkt je een straaltje hoop voor de toekomst, en ze voedt de geest die anders wel eens weifelt of uitgeput geraakt.

Hij die naar een ware vriend kijkt, kijkt als het ware naar een beeld van zichzelf.
Dit menen we als we over vrienden spreken: zelfs als ze afwezig zijn, zijn ze bij ons.
Zelfs als ze iets te kort komen, vinden ze overvloed bij anderen.

Bij zwakte zijn ze sterk in de waarheid, en volhoudend, en hard om uit te spreken, maar diep om aan te voelen: zelfs als ze dood zijn, dan leven ze nog werkelijk met ons.
Zo groot is de achting voor een ware vriend, de tedere herinnering en de diepe hunkering blijft bij hen.”

Marcus Tullius Cicero, De Amicitia, lib.vii (45 voor Chr)

Degenen die ons kennen, weten wie wij werkelijk zijn.