Als kind schreef ik mijn eerste ‘boek’ over een jongen die helemaal alleen achterbleef op een verlaten planeet, onze aarde. De bewoners van de planeet waren vertrokken, uitgeweken of bezweken, en wat overbleef was een totaal lege wereld waarin landschappen en steden langzaam in elkaar overgingen. Het was dat gevoel van ‘beginnende of uitdeinende wildernis’ dat ik aantrof in de foto’s van Justine Kurland. Een enorme stilte, een verlatenheid maar ook een sterkte (die nu eenmaal vrouwelijk is!) en een niet uitgesproken verbondenheid die onbestemd gevaar kan trotseren.
Justine Kurland is known for her utopian photographs of American landscapes and the fringe communities, both real and imagined, that inhabit them. A lifelong nomad, Kurland takes photographs during cross-country journeys that reveal the double-edged nature of the American dream. She presents a reality where utopia and dystopia are not polar opposites, but rather fold together in an uneasy coexistence.
Danger is always just around the corner in Kurland’s work. But what is this danger, exactly? We are used to the teen-age girl who is constitutionally imperilled by virtue of her vulnerable, sexual body. And while there is a rich cultural history of the adolescent who is terrifyingly impervious to the rules of adults—from Kubrick’s futuristic “Clockwork Orange” Droogs to Larry Clark’s spaced-out skaters in “Kids”—such representations rarely put young women front and center. In this way, Kurland’s images of lawless girls, whose menace is a form of power, are almost utopian. (Naomi Fry-New Yorker)
Justine Kurland was born in 1969 in Warsaw, New York. She received her BFA from School of Visual Arts, NY in 1996, and her MFA from Yale University in 1998. Her work has been exhibited extensively at museums and galleries in the U.S. and internationally. Museum exhibitions have included Into the Sunset: Photography’s Image of the American West at the Museum of Modern Art, NY (2009) and Role Models: Feminine Identity in Contemporary American Photography at the National Museum of Women in the Arts in Washington, D.C. (2009). Kurland was also the focus of a solo exhibition at CEPA in Buffalo, NY (2009). Her work is in the public collections of institutions including the Whitney Museum, the Guggenheim Museum, and the ICP, New York; the Corcoran Gallery in Washington, D.C.; and the Museum of Fine Arts, Montreal.
“I staged the girls as a standing army of teenaged runaways in resistance to patriarchal ideals,” she says. “The girls in these photographs have gathered together in solidarity, claiming territory outside the margins of family and institutions.”
Starting in New Haven, where she was finishing her graduate studies at Yale, Kurland drove across the country (with a stint in New Zealand) photographing adolescent girls in scenes that are part bucolic idyll, part Lord of the Flies. A gritty, outlaw narrative connects scenes often photographed with the composition and soft light of 19th-century landscape paintings. (Kurland named her son Caspar, after all, for Caspar David Friedrich.) Three of the images have “Boy Torture” in in their titles, but unless the girls are tormenting one, boys seldom feature. Sex simmers under the surface, not to mention – and more importantly – self-sufficiency. These ad hoc communities of young women are precursors to Kurland’s series a few years later, Of Woman Born, pastoral photographs of naked mothers and their small naked children who seem just as self-reliant.
Her photos instead depict a world of American countermyth, one populated by heroes with names like Sandy, Jackie, Lita, Joan, or Cherie instead of Huck and Holden. As a woman living out of her car, perverting the verité tradition of road-trip photography’s male canon day by day, she had one foot planted in that romantic realm. “Behind the camera, I was also somehow in front of it—one of them, a girl made strong by other girls,” she reflects. Her pictures of them appear as glorious establishing shots or pivotal moments in an epic of overlapping plotlines. And taken all together—a rare opportunity that this graceful installation affords—they offer a vivid daydream of widespread revolt and cooperation among girls, a vision as poignant and tantalizing as ever. (Johanna Fateman is a writer and owner of Seagull salon in New York.)
“I channeled the raw, angry energy of girl bands into my photographs of teenagers,” she writes in the monograph that accompanies the show. “All the power chords we would ever need lay within reach, latent, coiled in wait.”
As for the girls themselves: “None of them live in girl collectives as I imagined. But dreams make way for other dreams. I like to think that no matter what, they sometimes look at the pictures and remember, however briefly, that they were once free.” (Mitchell-Innes & Nash New York)
None of these images feature rock stars, though. For her initial experiments Kurland shot around Manhattan with a boyfriend’s fifteen-year-old daughter as her model, then graduated to total strangers. She would cruise for collaborators near high schools, she recalls, then drive a carload of girls to “a place where the landscape opens up—a place to plant a garden, build a home, picture a world.” (Johanna Fateman)
I grew up in New York, so I didn’t know how to drive. I learned how to drive in Graduate school in New Haven. Dan Torop taught me how to drive. When I was younger, I had this idea of the wind in my hair. The sense of freedom and this idea of going west, the idea of the west was always so exciting. The more you went west, things got bigger and bigger, the mountains, the trees. I remember first getting to California and dancing on the side of the road to music blaring out of my car. This feeling of exhilaration and happiness to be there. There is something else about driving, how slowed down and boring it actually is that there is this real meditative space. Like when the sun passes over the trees in a certain way, you are really in tune with it because you have been so sensorily deprived.
There was this thing about reading Jack Kerouac, something about American identity; it is interesting to think that freedom is one of those words that changes so dramatically.
Mitchell-Innes & Nash 1018 Madison Avenue New York 10075-534 West 26th street New York 10001- www.miandn.com
This is a radiodrama ‘The creation according to Jonah, or the siege of the inner city’.
Language is Dutch, but there is an English translation of the text so you can easy follow and enjoy the production where a lot of soundscapes need no further language.
Look for this text and player on the upperbar ‘The creation according Jonah’
Volgens de verhalen in het Oude Testament zou de profeet Jonas zich in een walvis gaan verbergen om te ontlopen aan Gods opdracht de mensen van Ninive te gaan bekeren.
In mijn radio-verhaal ‘De schepping volgens Jonas’ trekt de hoofdpersoon zich terug in zijn zogenaamde doofheid die hij na een ontploffing heeft opgelopen. Hij verschanst zich achter zijn verhalen waarmee hij de betekenis van het dagelijks gedoe probeert te achterhalen.
Hij begrijpt dat god zijn oren wil sluiten voor het menselijk lawaai maar is ook niet mals voor hem en de zijnen als hij het scheppingsverhaal opnieuw vertelt.
De personages aan de buitenkant van zijn leven proberen zijn verstopte ziel te bereiken maar of hun bedoelingen zo edel zijn?
Er blijft tenslotte maar één keuze, het leven weer te leiden en te lijden, met ‘amor fati,’ liefde voor het lot. Verhalen zullen ook daar weer zijn enige manier zijn om zin te geven aan het verschijnen, de dagelijkse pijnen en het uiteindelijk verdwijnen.
Het was mijn laatste productie, ook voor de Futura-prijs in Berlijn gekozen en uitgezonden in 1998.
Wil je dit hoorspel beluisteren dan komt het best tot zijn recht via stereo-opstelling met een beetje kwaliteit of een goede hoofdtelefoon.
Koen de Bouw was mijn verteller, Rita Wouters de vrouwelijke stem en Guy Lavrijsen de mannelijke.
Peter Hermans stond in voor de techniek en Luc Vierendeels was de geluidsregisseur.
44’32”
1. GELUIDEN OMGEKEERD WEERGEGEVEN, VANUIT DE STILTE VERTREKKEND DUS NAAR EEN CHAOS VAN STADSLAWAAI, IN REVERSE HEVIGER WORDEND, EEN ENORM CRESCENDO DAT IN EEN SOORT LANGE GOLF BLIJFT HANGEN EN PLOTSELING WORDT AFGEBROKEN. STILTE. DAARIN, IN EEN SOORT INNERLIJKE DOOS SPREEKT DE VERTELLER. HIJ VERTELT HET VERHAAL AAN ZICHZELF, INNERLIJK DUS.
VERTELLER
Alles wat ooit zou geschapen worden, was al aanwezig in gods gedachten. Alles. Jaja, alles. Neem nu het woord ‘krombaangeschut’.
2. ONTPLOFFINGEN VAN MORTIEREN, HOUWITSERS
Hij moest er maar aan denken of mortiervuur
veranderde de marktplaats in een bloedbad.
3. VERTRAAGDE ONTPLOFFING WAARIN AARDE, BROKSTUKKEN TOT VLAKBIJ ONS GEHOOR NEERSTORTEN.
‘Het woord is vlees geworden’ staat er in de bijbel.
4. GILLENDE MENSEN, NADERENDE ZIEKENWAGENS, KORT, HEEL FRAGMENTARISCH, BIJNA IN HORTEN EN STOTEN, VANUIT EEN VERRE TE HEVIGE HERINNERING, EEN TRAUMA DUS. STILTE.
In een flits van één miljoenste seconde heeft God alles geschapen wat er ooit zou bestaan.
5. VANUIT DE STILTE EEN CRESCENDO IN GOEDE VOLGORDE VAN GELUIDEN – SNEL MAAR WEL HERKENBAAR, ZEE, INSECTEN, VOGELS, HAAN, SCHAAP, KOE, ORGEL, RITUELE DANS.
Vanaf het einde der tijden heeft hij toen alles opgerold -in omgekeerde volgorde dus- tot hij bij het eerste pluizige draadje was: het spinsel uit het niets.
6. VORIGE STROOK NU OMGEKEERD, VAN HEVIG NAAR STILTE
Ook dit verhaal was erbij, (en de negen levens van alle katten,)
De doden holden naar de buiken van hun moeders, tot alle voorvaderen en moederen in Eva’s buik konden schuilen en Eva weer Adams ribstuk werd, en Adam slib in de oerzee waarboven Gods geest zou zweven.
STILTE NU.
DE EERSTE TWEE ZINNEN IN LEGE RUIMTE
Dat alles lag in de leegte op de schepping te wachten.
Zo is het gegaan.
In het begin was er alles.
God dacht de schepping open te rollen als een feestloper waarop de mensen arm in arm de tijd konden ingaan.
Maar Gods alter ego, Lucifer, hield van spektakel. Van het eerste draadje maakte hij een lont. Met een vonk van zijn naam zorgde hij voor de big bang.
7. EEN REUSACHTIGE ONTPLOFFING DIE ERG LANG BLIJFT NAGOLVEN
8. DAARIN IN EEN HEEL NATUURLIJKE STIJL, BIJNA DOKUDRAMA. OP DE ACHTERGROND GELUIDEN VAN ANDERE MENSEN, SOMMIGEN IN DE VERTE ROEPEND, ANDERE SCHREEUWEND.
MAN
Men zou kunnen zeggen dat hij niets meer ‘wilde’ horen. Ook spreken deed hij niet meer. Wel bewogen zijn lippen, maar dan leek het of hij met zichzelf sprak, alsof hij ver van ons iets aan zichzelf vertelde. Kijk, hij glimlacht. Soms schrijft hij enkele letters op een stuk papier. Dit heeft hij gisteren geschreven. In hoofdletters . TUIN. Misschien wilde hij buiten in de tuin zitten.
9. WE ZIJN OPNIEUW IN DE INNERLIJKE RUIMTE WAAR WE VANUIT DE VERTELLER DE MAN VER BUITEN HEM HOREN PRATEN. EVENTUEEL LATEN WE BEIDEN EVEN SAMENKLINKEN.
VERTELLER
Soms schrijft hij enkele letters op een stuk papier. Dit heeft hij gisteren geschreven. In hoofdletters.T UI N. Tuin.
10. CD MUZIEK INSULAE FEMINARUM: 3 GOLVEN KOMEN HEEL HELDER IN BEELD, TUSSEN ELKE GOLF ZEGT DE VERTELLER, VAAK IRONISCH, IN ZIJN INNERLIJKE RUIMTE.
VERTELLER
Nu pas begin ik je te horen.
VER WEG WORDT KLOP VAN HART HOORBAAR.
MUZIEK
VERTELLER
Negen maanden in jouw aquarium.
11. HIERONDER IS HARTSLAG HOORBAAR GEWORDEN DIE STEEDS LUIDER WORDT NAARMATE DE GEBOORTE NADERT.
12. GEBOORTESCHREEUW VALT SAMEN MET LANCERING. NA DE MUZIEK
VERTELLER
De big bang van mijn geboorte.
13. ZACHTJES IN DE LAATSTE GOLVEN:
VERTELLER
Op haar buik Iiggend. Op de schil van mijn firmament, wist ik dat ik nooit meer terugkon. Mijn woede. Mijn heimwee. Mijn verlatenheid.
14. WENEN BORELING CENTRAAL IN BEELD, BLIJFT EVEN DUREN, WORDT RITMISCH, BIJNA HOUSE RITME . DAN UITSTERVEND, VER WEG NAKLINKEND. ADEM DICHTBIJ.
15. ADEM KOMT OP VOORGROND EN CROSSFAADT IN EEN RUSTIGE ZEE.
16. IN DIE ZEE IS EEN STEM HOORBAAR GEWORDEN, VROUW ROEPT OP DE VERTELLER MAAR KLINKT DOOR EEN ONDOORDRINGBAAR SCHERM
VROUW
Meneer Jonas, u zult kou vatten. De avonden zijn nog te fris om zo laat alleen in uw hemd buiten te zitten. (enz.)
16B. DE STEM KLINKT VERDER WEG EN VERLIEST ZICH IN EEN KLEIN PUNT DAT ALLEEN NOG MAAR EEN SOORT TOONTJE VORMT OM DAARNA HELEMAAL UIT TE DOVEN.
VERTELLER
In feite was de aarde Gods oor. God naaide de schepping zijn oor aan. Dat oor was de aarde. Volgens brave nonnen waren de sterren Gods ogen, maar niets is minder waar. De sterren zijn Gods acne. Gods puisten. De sterren stammen nog uit de tijd dat God een puber was. Het ritme van de sterren is duidelijk herkenbaar.
17. PURE HOUSE-BEAT ZINDERT MEE.
Wie de pulsars beluistert, hoort Gods apenjaren.
BEAT OP VOORGROND
18. UIT DAT RITME KOMT DE STEM VAN MAN OF VROUW, EERST EEN PUNTJE DAN STEEDS VERSTAANBAARDER, MAAR NOOIT DICHTBIJ.
VROUW
…kom, u kunt op uw kamer naar de sterren kijken. Het zal een heldere nacht worden. Weet u meneer Jonas dat de sterren in feite Gods ogen zijn? Ja, hij ziet alles wat er op aarde gebeurt. Zelfs dat u hier zo dwaas met uw hoofd staat te schudden dat ziet hij. Hij denkt wat staat die dove meneer Jonas daar nu met zijn hoofd te schudden! Wilt u misschien de stoppen uit uw oren schudden? Zal ik even met u mee schudden?
MUZIEK STOPT.
VERTELLER
Hoort u deze muziek dan ook?
DE STEM VAN DE VROUW BLIJFT VER WEG KLINKEN
VROUW
Maar meneer Jonas, u.. heeft gesproken. Zegt u het nog eens? Zegt u het nog eens. lk zal mijn best doen om u te begrijpen. Kom, flink zijn. U maakt werkelijk vorderingen. lk zei het nog. Dokter, zei ik. Meneer Jonas begrijpt alles wat er gezegd wordt. Hij wil ons niet horen, dat zei ik. Maar er komt een dag, dokter, zei ik, er komt een dag dat hij weer wil geboren worden en…
19. DE MUZIEK STOPT PLOTSELING. ALLERLEI DEUREN WORDEN GESLOTEN ZODAT DAARDOOR DE ZINNEN VAN DE VROUW ONHOORBAAR WORDEN EN TENSLOTTE VERDWIJNEN. STILTE.
VERTELLER (heel gejaagd, een gefluisterde psalm)
God kan zijn oren sluiten. Net zoals ik mijn ogen dicht kan doen, zo kan God zijn oren sluiten. Duizend deuren slaat hij dicht tot hij niets meer hoort. Hij is te oud geworden, he. Hij kan het niet meer hebben, he. Eerst die gruwelijke big bang en toen dat geroep op hem. Shut up, zegt God. Houd uw bakkes dicht.
20. ENKELE FLARDEN RELGIEUZE MUZIEK: PSALM, MANTRA, APENDANS UIT INDONESIE: EEN GOLF GEBEDEN DUS.
Genoeg gezeverd, trek uw plan. Ja, ik heb u geschapen naar mijn beeld en gelijkenis. Ge zoudt dus moeten weten dat ge een en al oor zijt.
20B. OPNIEUW EEN GOLF GEBEDEN, MIX.
lk heb u een mond gegeven om te ademen en te kussen, niet om te jammeren. Of hoort ge niet goed?
20C. EEN LAATSTE GOLF GEBEDEN
Hou op met uzelf pijn te doen. Wees vruchtbaar. Leg uw oor te luisteren op het lijf van uw geliefde.
Zo kon God nog wel een uur doorgaan. Hij was werkelijk boos. Die gebeden en gezangen, ok dat was goed bedoeld - maar dat gekerm, dat gereutel, dat onophoudelijke imiteren van de big bang dat kinderlijk pang-pang-pang en boem-boem-boem tot in de ontploffingsmotoren van de miljoenen auto’s, tot in de harde woorden van wacht ik zal u wel eens hebben en wie denkt ge wel dat ge zijt gij smeerlap, homo, hoer en vuile jood!
Gij hebt van mijn oor een riool gemaakt, zei God. lk heb u mijn oor geleend, wel geef het nu maar terug. Het oor van God is gesloten. Het oor van God is gesloten. Het oor van God is gesloten.
21. DE DEUREN SLAAN DICHT TOT DE LAATSTE ZIN HELEMAAL VERDWENEN IS.
22. VER IN HET KLANKBEELD GAAT EEN DEUR OPEN EN DE VROUW ZEGT, DOOR DE DIKKE WAND VAN DE ONBEREIKBAARHEID
VROUW
Maar meneer Jonas, zit u nog altijd naar buiten te staren? Het is voorbij middernacht.
VERTELLER
Ook mijn oren heefl hij gesloten.
VROUW
Wilt u iets zeggen? Heeft u pijn?
VERTELLER
Ik heb mijn geboorte niet overleefd.
VROUW
Ik zie uw lippen bewegen, maar ik hoor u niet. Kom, kleed u uit. Ja, het is een heldere nacht. Miljoenen sterren.
23. DE HOUSE MUZIEK WORDT HOORBAAR
VERTELLER
Voor de big bang, toen God nog een jongen was…
MUZIEK
…dreunde het ongeschapene in zijn oren.
MUZIEK
Dit wordt wat, dacht God. Dit wordt wat.
MUZIEK
Hij kon nauwelijks wachten. Hij begon te scheppen en te scheppen en…
MUZIEK
Het heelal sprong uit ogen.
EEN LANGE GALM EN DAARIN:
Neen, niet zo’n donker en duister heelal zoals nu, maar een berg van licht, wat zeg ik, een fontein, ~ een orgasme van kleuren en smaken.
24. DE MUZIEK HERNEEMT
Neen, niet kleuren voor de ogen, geen smaak voor de tong,
maar puur ritme en klank,
de muziek der sferen, dames en heren.
24B. EEN LANGE GALM EN DAARIN:
Tenslotte is de mens uit zand gemaakt en niet uit klei -dat is een latere versie die we zelf verzonnen hebben- uit zand dus, wit zand, en wat wordt er uit wit zand gemaakt na hevige verhitting?
lnderdaad. Glas. Glas. Glasssss.
25. DE HELE KLANKCOLLAGE KOMT IN EEN MOOIE SUITE VOOR GLASHARMONIKA TERECHT (MOZART)
Adam was een glazen mens.
Adam was een glazen mens. Zo doorzichtig kan zand zijn.
lk geef toe. Het was een jongensdroom.
26. GLASMUZIEK DIE BLIJFT HANGEN.
VROUW
Slaap lekker meneer Jonas. Zal ik het licht uitdoen?
26B. STILTE.
27. IN DE STILTE HOREN WE ZACHTJES REGELMATIG ADEMEN; DIT ADEMEN WORDT EEN GOLFSLAG, DAAROP FLUIT DE VERTELLER ZACHTJES, DAN:
VERTELLER
Als kind floot ik mij in slaap.
FLUIT NOG EVENTJES DAN GECROSST MET GOLFSLAG, DAN ONDER WATER.
Ik wilde mezelf zo lang mogelijk blijven horen. Het was ook een waarschuwing voor de kidnappers. (fluit) Attentie, al ligt deze persoon in bed, hij is waakzaam. (fluit)
Als dat niet hielp, Iiet ik me zinken. Twintigduizend mijlen onder zee.
HET ONDERWATERGELUID IS NU HEEL AANWEZIG GEWORDEN.
Dit was mijn glazen wereld.
28. SONARSIGNALEN WORDEN HOORBAAR
Atlantis. Glazen huizen die naarmate ik ouder werd de kleur van lood kregen. Glazen tuinen die verdonkerden met de jaren.
Hier was ik thuis. Elk huis had zijn geluid. Als ik er binnenzwom verdronk ik in de klanken uit mijn kinderjaren.
29. HET WATER VERGLIJDT IN HEVIG SPELEN VAN KINDEREN IN DE BOSSEN DIE ER VERSTOPPERTJE SPELEN, TOT AAN ‘PETER, ERAAN’
Ene bedotter terug eraan. Die nieuwe, hoe heet die? Peter! Peter, eraan!
VERTELLER
Na elk bezoek aan Atlantis verschraalden de kreten. Bleven er woorden hangen aan de kale takken van het vergeten. Moest ik ze zelf invullen. Moest ik hun loden Iijfjes smelten tot ik weer glas kon bIazen- gekrakkeleerd wellicht, maar nog doorzichtig- tot er een dag zou komen dat ik van dit spelen alleen de inventaris neer kon schrijven: 2 kinderen. Zomer. Dennenbomen. Verbergen. Blijft in uw holleke en piept niet! Peter eraan!
EVEN TERUG HERHALEN VAN EINDFRAGMENT SPELENDE KINDEREN
GEWELDIGE ONTPLOFFING MET ZANDBROKKEN DIE OPSTUIVEN
30. IN DE STILTE DIE ONTSTAAN IS, HOREN WE DE VERTELLER OPNIEUW FLUITEN.
VERTELLER
Als ik nu de film kon terugdraaien. Duizend stukjes Peter worden weer een jongen.
31. ONTPLOFFING IN REVERSE, OOK LAATSTE WOORDEN ‘PETER, ERAAN’, DAN AFGEBROKEN.
VERTELLER
In een flits van één miljoenste seconde heeft God alles geschapen wat er ooit zou bestaan.
32. DE KINDEREN WEER HOORBAAR TOT AAN ‘PETER, ERAAN!’ HET BLIJFT STIL. EEN FLARDJE GLASHARMONIKA
VERTELLER
God schudde zijn tijdloze kop. Hij schreef in het zand: mannekes, schreef hij, gij zijt van glas. Althans, dat was de bedoeling.
32B EEN VLIEGTUIG WORDT HOORBAAR.
lk maak mijn Goddelijke vingers nat en probeer mijn melodietje uit u hoorbaar te maken. Maar ik ben nog maar aan de eerste noot, de kindertijd dus, en ge zijt weer bezig.
33. VLIEGTUIG IN VERTRAAGDE GOLF DOOR HET BEELD.
En wat zegt ge dan? “ Hoe is ‘t in ‘Godsnaam’ mogelijk, dat zegt ge dan. Hoe is’t in ‘Godsnaam’ mogelijk dat God zoiets kan toelaten. Maar wat wilt ge? Dat ik uw handjes blijf vasthouden? Dat ik mijn bliksems door uw schietgrage lijven jaag? Dat ik na elke oorlog de tijd terugdraai, het zand met al dat jongensvlees weer tot glaspasta smelt en voor de honderd miljoenste keer opnieuw begin een glazen mens te blazen? Zeg, ik ben aan mijn zevende dag. En wat deed God de zevende dag? lnderdaad, de zevende dag rustte God. Salu.
34. ALLERLEI DEUREN SLAAN WEER DICHT EN EEN DIEP ADEMEN KOMT
OP DE VOORGROND.
MAN
Heeft hij een slaapmiddel genomen?
VROUW
Neen. Maar het was voorbij middernacht toen ik hem naar zijn kamer heb gebracht.
MAN
Hij slaapt erg diep. Zoals een baby.
VROUW
Juist. Hij wacht op zijn geboorte.
MAN
Hij zou beter hier blijven.
VROUW
Als hij wakker is, bewegen zijn lippen voortdurend.
MAN
Hij spreekt met zichzelf.
VROUW
Hij hoort ons, maar hij luistert niet.
MAN
Schrijft hij nog?
VROUW
Hij tekent soms.
35. HIER WORDT DE ONDERWATER-WERELD WEER HOORBAAR, OOK SONARSIGNALEN KOMEN ZACHTJES IN HET KLANKBEELD EN WORDEN STERKER NAARMATE DE DIALOOG VORDERT.
MAN
Zo? En…?‘
VROUW
Kijk, doet dit niet aan een duikboot denken?
MAN
lnderdaad.
VROUW
Hij is ondergedoken. Hij zal nooit weer terug willen.
MAN
Er moet ergens een ingang zijn.
VROUW
Hij zendt signalen uit, maar wij kunnen ze niet ontcijferen.
36. ONDERWATERWERELD STERKER EN DE STEMMEN VAN MAN EN VROUW KLINKEN STEEDS VERDER WEG, VERVORMD NA EEN TIJDJE TOT ZE IN DE DROOM VAN DE MAN VERGLIJDEN.
MAN
lk wist niet dat de muren zo hoog zouden zijn..
VROUW
Hi] glimlacht veel.
MAN
Hij heeft zich in zijn binnenstad teruggetrokken.
VROUW
We kunnen de belegering stop zetten.
MAN
Maar hij reageerde toen u de rol van ziekenzuster speelde?
VROUW
lk heb hem voor de eerste keer horen spreken. Onverstaanbaar, maar hij sprak.
MAN
Hij reageert dus op onze prikkels?
VROUW
.. Zal ik een andere rol spelen?
MAN
Probeert u eens zijn moeder te zijn.
NU ZIJN WE HELEMAAL ONDER WATER. DE SIGNALEN ZIJN DUIDELIJK HOORBAAR TERWIJL DE STEMMEN VERDWENEN ZIJN.
37. DE SONAR GAAT OVER IN DRUPPELS DIE TRAAG IN EEN PLAS, IN WATER VALLEN.
VERTELLER
Ping. Plong.
Dit is de waterachtige ballade van Turnhout city.
Pang. Ploeng.
In de uitgedroogde moerassen van Taxandria lag Turnhout city.
Pong. Pling.
Alle volkeren van Europa zijn er voorbijgetrokken. Nu hebben de Hollanders het gekoloniseerd. Blokker, V en D, C en A, P en C.
Ik was er kind voor hun komst. De natte zomers met de honderden kinderen van de vakantiekolonie.
38. HET DRUPPELEN VERHEVIGT, KLINKT ALSOF WE IN EEN GROT ZIJN.
Ik, de verhalenverteller. Geen spaander bleef er heel van het troosteloze stadje.
Met de Iaatste kinderbendes gingen we op kruistocht, net toen de televisie de straten begon te Iegen.
39. BELLETJES WORDEN HOORBAAR, MUZIEK UIT DE LAUDAE . DE STEM VAN DE VERTELLER KLINKT ALSOF HIJ IN DE KERK IS.
De houten engelen in de Sint-Pieterskerk spraken over verre vluchten. lk zag ze bewegen. De Ievensgrote Christus liep er onder de preekstoel werkelijk over het houten water terwijl de apostelen na eeuwen wachten eindelijk hun netten ophaalden. Ik zat bij hen terwijl ze de wonderbare visvangst verdeelden. We stookten een vuurtje en spraken Turnhouts en Aramees door elkaar.
De bastaard van Jezus en Maria Magdalena, dat was ik. Terwijl kapitein Nemo aan het orgel zat, maakten we een hoogmis lang tochten, twintigduizend mijlen onder zee.
40. ORGEL TOCCATA NR 18 (SNELLE UITVOERING!) TOT 49″ MIX MET BREKENDE STENEN, GOLVEN ZODAT WE DE INDRUK KRIJGEN DAT DE KERK ECHT ONDERDUIKT.
41. IN DE VOLGENDE TEKST HOREN WE BRIESENDE PAARDEN BIJ DE SNELLE MUZIEK, EERST EVEN HOORBARE HOEVEN IN HOLLE RUIMTE, DAN VLEUGELSLAGEN. ORGEL.
VERTELLER
Eens we terug boven waren kwamen de kermispaarden de kerk in gehold. Kom mannen, riep ik. Spring erop!
Mijn straatbende steeg hoog boven de woedende menigte tot we langs de galmgaten de lucht in gingen.
42. IN DE GALM VOLGENDE SCENE.
43. INT. KAMER. ZE KLINKT NU EN DAN DUIDELIJK, DAN WEER VER WEG
VROUW
En kijk eens wat ik voor mijn kleine Jonas heb klaargemaakt? Vers fruitsapje. Een zacht gekookt eitje en twee knapperige toastjes. Of wil mijn jongetje misschien buiten ontbijten?
VERTELLER
‘ ls het u nog niet opgevallen dat God een tricheur is, een bedrieger?
VROUW
Het is een prachtige dag. Zal ik het raam openzetten?
VERTELLER
Het klinkt oneerbiedig, maar het is de waarheid. lk heb me Iaten bedriegen.
VROUW
Voelt die schat van mij zich al wat beter? Luister de tuin zit vol merels. Kom, hier aan tafel bij het open raam.
VERTELLER
In een miljoenste seconde had hij alles geschapen. Een paradijs met daarin Gods oor, de aarde, en de glazen mensen die als zuivere klanken zijn trommelvlies zouden strelen.
VROUW
En wat gaan we vandaag doen? Wandelen? Pas op, dat is…
44. GLAS VALT IN STUKKEN. STERK OP DE VOORGROND.
Maar Jonasje toch. Waar ben je met je gedachten?
VERTELLER
Toen rolde hij alles voorzichtig op, te beginnen met het einde der tijden tot aan het licht en donker…
VROUW
Dat zal mama dadelijk voor je opkuisen. Blijven zitten. Niet rondlopen. De vloer ligt vol glassplinters. Eet maar braafjes je eitje op.
VERTELLER
En dan laat hij zijn alter ego de vrije hand. Lucifer. Pang, boem. Al zijn glazen mensen die nog moesten geboren worden, versplinterd. Alleen hun ogen waren gespaard. En helemaal vooraan Adam en Eva, en de tuin van Eden, zonder één barstje. Alsof er niets was gebeurd.
Begrijpt u zijn probleem? Zo doorzichtig als ZIJ waren, zo versplinterd zouden hun nakomelingen zijn.
VROUW
..oh, maar dat is flink, Jonasje. Zo zul je heel snel een grote, sterke jongen worden. Hef je voetjes even op.
VERTELLER
De vragen dringen zich op.
Waarom heeft God zijn alter ego de vrije loop gelaten?
Wat moest hij met die twee glazen mensen zonder
toekomst doen?
Hoe moest hij zijn geheime verlangen naar spektakel goedpraten?
VROUW
Ziezo. Zet je voetjes maar terug op de grond, Jonasje. Zal mama jou alleen laten? Of wil je nog even slapen en zal mama voor jou een wiegeliedje zingen?
45. ZE ZINGT EEN LIEDJE (SLAAP KINDJE SLAAP) ENKELE DEUREN SLAAN DICHT. STILTE.
VERTELLER
Die boosheid van God, dat besluit zijn oor te sluiten, begrijpt u het nu? Zo Goddelijk was dat niet.
Die zevende dag van God, die zogezegde welverdiende rust? Zo Goddelijk was die niet.
En het scenario dat hij daarna verzon? Zo Goddelijk was dat ook al niet. Luister. Het begon allemaal heel mooi.
De tuin van Eden in het Oosten.
46. WE HOREN HET STROMEN VAN EEN RIVIER, ZACHTE WIND.
Uit de bodem van de tuin Iiet God allerlei prachtige bomen opschieten, met heerlijke vruchten. Er ontsprong een rivier die de tuin bevloeide.
En nu komt de aap uit de mouw.
Tussen al die kerselaars en mangostruiken, tussen de appelaars en cocospalmen, tussen de kastanjeiaars en bananenplanten, zette God de boom der kennis van goed en kwaad.
En tegen de allereerste glazen mens, Adam, zei hij: Je mag de vruchten van alle bomen eten, maar van die van de boom der kennis van goed en kwaad moet je afblijven.
Let op, God sprak in de je-vorm. Het wat stroevere gij-gedoe hield hij voor later.
47. ER ONTSTAAT EEN DECOR VAN DIEREN NAARMATE HET VERHAAL VORDERT.
En ‘t is niet goed dat je hier alleen rondloopt, zei God. lk zal je een hulp geven die je past. En uit dezelfde glaspasta blies hij de dieren van het paradijs. Geef ze maar namen, zei God. En Adam gaf ze namen. Dat dier daar is een…paard, en die vierpoter noem ik…euh…een koe. Dit hier zijn…kippen, ja. Daar, in de takken van de atlas-ceders zitten…eksters en ..-laat eens kijken…en merels.
48 GEGROM VAN LEEUWEN
Jaja, een beetje geduld aub. Zie je daar dat kleine vogeltje met dat rode borstje. Dat is dus een roodborstje.
48B NOG HEVIGER GEGROM
Jaja zeg. Jullie zijn dadelijk aan de beurt.
49. GESCHETTER VAN OLIFANTEN
En jullie, als ik jullie nu eens…euh…varkens zou noemen. Neen. Wacht. Ik weet iets leukers. Olifanten. Ja, dat is het. Jullie heten olifanten.
50. GEGROM LEEUWEN, DICHTBIJ NU.
Jaja, nu jullie. Euh…Leeuwen. Leeuwen zullen jullie heten. Eén leeuw, twee leeuwen.
51. GEBLAAT LAMMETJE DOOR AL DE DRUKTE
Natuurlijk, hoe kon ik jou vergeten, jij bent het lammetje. Kom, leg je hier maar dichtbij deze leeuw te slapen.
52. WATER, DIEREN, KORTOM EEN PARADIJS, EEN GOLF VAN HET INSULA FEMINARUM CROSST IN HET RUSTIGE ADEMEN VAN DE VERTELLER.
53. EEN OMGEVING WAARIN EEN DONKERE ONDERTOON HOORBAAR IS, HET BESTAAN VAN DE TIJD. DAARNA STEMMEN IN EEN GESLOTEN RUIMTE.
MAN
Kijk, de film van iemands levensloop geeft hem of haar de kans het voorbije te wissen, zich klaar te maken voor een volgend verblijf…
VROUW
Hij wil niet meer.
MAN
Hij heeft niet te willen. Wij willen.
VROUW
Hij heeft niet alleen moeite met het ‘wissen’, maar hij verzet zich tegen onze mythologie.
MAN
Er is anders keus genoeg.
VROUW
Hij wil Ios van de oude verhalen.
MAN
Hij is Jezus niet, of Boeddha.
VROUW
Hij wil de architect zijn van zijn eigen binnenstad.
MAN
De appel plukken dus en daarna ongelukkig zijn als hij uit het paradijs verdreven wordt.
VROUW
Hij hoort nu eenmaal bij de ‘waan’-zinnigen.
MAN
Autisme of schizofrenie?
VROUW
U begrijpt me verkeerd. De werkelijke waan-zinnigen, bedoel ik. Een hoog ontwikkeld gevoel voor waan.
MAN
U denkt dat ik bang ben?
VROUW
Bang?
MAN
…omdat hij verdacht dicht in onze buurt begint te komen.
VROUW
Juist. Hij is tenslotte God niet.
54. UIT LANGE GOLF KLANKEN DIE REEDS ONDER DE VORIGE SCENE BEGONNEN WAS, KOMT ER EEN IDYLLISCH LANDSCHAP
VERTELLER
Hij vond het zalig de dieren een naam te geven.
lk spreek nu wel van ‘hij’, maar in feite was de eerste glazen mens net zoveel zij als hij. De weerspiegeling in een heldere plas zou volstaan om een gezel te hebben.
Ook groot en klein waren niet voorzien omdat de tijd nog niet liep. En dat Eva Adams ribstuk was, kwam uit de mannentijd daarna.
55. IN DE VERTE IS DE RIVIER HOORBAAR GEWORDEN, NACHTGELUIDEN
Adam – het is maar een naam- de eerste glazen mens dus- keek in een maanlichte nacht in een meander van de grote rivier die de tuin bevloeide, en hij had toen maar zijn hand uit te steken om zijn gezel aan land te trekken die net zoveel hij en zij was als hij- of zijzelf. Pas op, hij was geen duplicaat al leken ze erg op elkaar. Zij waren elkaars spiegelbeeld. Wat voor de ene rechts was, noemde de andere links en omgekeerd. Zo ontstond de diepte. Het samenvloeien van links en rechts in een tijdeloos perspectief.
56. EVEN EEN GOLF UIT DE HOUSE BEATS
Het leek wel of Gods jongensdromen waarheid werden.
MUZIEK VERDER EN PLOTS AFGEBROKEN.
Het woord jongensdromen komt uit de versplinterde tijd. Mijn excuses. Jongens-en meisjesdromen dus, om de vrede te bewaren.
MUZIEK VERDER EN DAN STOP.
57. DE MAN VIA EEN MEGAFOONSTEM.
MAN
Als je nu luistert, beloof ik jou het leven van een prins. Wel?
VERTELLER
Stel je voor. Het protoype van Gods schepping, de demo van zijn voortijdse plannen, de witdruk van zijn dromen avant la Iettre, het watermerk van zijn goddelijke geest.
MAN
Als rijkdom je niet interesseert dan mag je een nieuwe wereIdgodsdienst stichten.
VERTELLER
Stel je voor. De eeuwige weerspiegeling van zijn schoonheid. En dat in een decor waarin lam en leeuw elkaars gezel zijn, het mannelijke en het vrouwelijke zelfs geen naam hebben omdat ze uit louter licht bestaan.
MAN
Of trekt een wetenschappelijke carrière je aan? Of een artistieke loopbaan? Luister naar mij en je hebt maar te kiezen.
VERTELLER
Groot en klein elkaar opheffen zoals links en rechts. De tuin van Eden die toen nog de tuin van Heden heette. Nu. Eén ogenblik. Hic et nunc.
MAN
Of is het de macht over de volkeren die ik je cadeau kan doen? Een duizendjarig rijk?
VERTELLER
En omdat er in het begin alles al was, wist God wat er weldra zou komen. De tijd van de versplintering. Het werk van zijn alter ego die het vuur van Auschwitz zou brandend houden, om maar één voorbeeld te geven dat me nu te binnen schiet.
MAN
Of wil je heiligheid, of kracht voor topsport, of een lijf voor duizend lusten? Open de poorten van de stad en de keuze is aan jou.
VERTELLER
En in plaats van schuld te bekennen legde hij de verantwoordelijkheid op de glazen schouders van het eerste mensenpaar. De slang van dienst komt eraan. Geef hier die megafoon.
58. NU KLINKT ZIJN STEM SISSEND DOOR DE MEGAFOON ALS HIJ DE SLANGENROL SPEELT EN GEWOON ALS HIJ DE ANDERE STEM IS.
Zoveel Goddelijkheid laat jullie toch toe de vruchten uit de boom der kennis van goed en kwaad te eten?
-Wie ben jij?
Je hebt me zelf een naam gegeven.
-lk niet, dat was mijn spiegelbeeld.
-Ja, ik was dat. Jij bent…een slang. Omdat je met een s spreekt en Iang bent, dus s-Iang.
Kom, pluk een appel of een mango.
-De boom geeft ons schaduw. Als je in zijn takken klimt, kun je de rivier zien.
Met die poézie probeert God jullie er onder te houden, geloof mij.
-Waarom zou hij?
Omdat jullie niet eens weten wat goed en kwaad is. Nietwaar?
-Goed en kwaad. lnderdaad, daar hebben we nog nooit van gehoord. Jij?
Voila. Eén beet van zijn vruchten en je weet het. Dan ben je Gods gelijke.
-Dat zijn we nu ook al. We zijn naar zijn beeld en gelijkenis geschapen.
Ik bedoel niet dat je een kopie zult blijven, maar net zo’n spiegelbeeld als jullie van elkaar zijn.
-Maar hij heeft het ons verboden.
Een grapje van hem, een verrassing. Surprise, surprise. Als jullie er niet van mochten eten had hij die boom toch gewoon weggelaten!
-Hmm, ja, dat is zo.
En lap, het was te laat. De val werkte zoals voorzien. Een ware zondeval.
59. EEN GEWELDIGE REEKS BREKEN VAN GLAS TOT ALLES IN FIJNE SPLINTERS UIT ELKAAR IS GEVALLEN.
60. EEN DONKERE GOLF MET OSCILLERENDE TONEN IS HOORBAAR GEWORDEN. DE VROUW IS OP WISSELENDE PLAATSEN IN HET KLANKBEELD AANWEZIG.
VERTELLER
Links was nu wel degelijk links en rechts onherroepelijk rechts.
VROUW
We kunnen u de tijd insturen met een niet erg geapprecieerde seksuele geaardheid, als u dat verkiest.
VERTELLER
Het mannelijke was wanhopig op zoek naar zijn vrouwelijk complement en omgekeerd. Belachelijke paringsrituelen werden als toppunt van schoonheid en liefde aangeprezen.
VROUW
Een lang verblijf in een gevangenis of in een psychiatrische inrichting kan dus ook.
VERTELLER
In de naam van God, de eeuwige, moordden zijn schepsels elkander uit.
VROUW
Een leven lang honger hebben, een slaaf zijn, het slachtoffer van geraffineerde beulen?
VERTELLER
Hun witte dromen over onschuld, het ophemelen van de kindertijd, het wazige verlangen naar het doorschijnende.
VROUW
Begiftigd met spasmen of traag sluipende ziekten, goed gecamoufleerde armoede of een moederskindje met de toekomst van een seriemoordenaar.
VERTELLER
Hun blind geloof in leiders, hun dwaze hoop op betere tijden, hun angstige liefde volgens de boekjes, hun goed gespeeld berouw .
61. NU SPREEKT DE MAN HEEL OPEN, DIREKT. FLUISTEREND, GEJAAGD.
VERTELLER
Er was eens een man. Een jongen die de gestalte van een man had aangenomen maar onderhuids een jongen was gebleven.
Een verhalenverteller. Een waan-zinnige. Een fantast.
Van de oude verhalen maakte hij brandhout om er zijn versplinterde ziel mee te verwarmen.
Weeskind. (bid voor ons)
Zonder leider. (bid voor ons.)
Ongelovig en hopeloos. (bid voor ons.)
Eindeloos verliefd. (bid voor ons.)
Zonder berouw. (bid voor ons.)
Een te groot hoofd vol fabeltjes als enige bagage.
62. DE GEWELDIGE ONTPLOFFING. ZAND TOT IN ONZE OREN. STILTE. IN DE VOLGENDE TEKST WORDT DE HARTENKLOP HOORBAAR.
VROUW
We hebben hem zijn onzalige jeugd in Turnhout-city voorgespeeld.
MAN
Hem gouden bergen beloofd.
VERTELLER
Nu pas begin ik je te horen.
VROUW
Hem alle mogelijke rampen voorgehouden.
MAN
Het mocht niet baten.
VERTELLER
Negen maanden in jouw aquarium.
MAN
We proberen hem met subsidies te paaien. Nu en dan een prijs van het etablissement zet hem buiten spel.
VROUW
Er zal niemand naar hem luisteren.
VERTELLER
De big bang van mijn geboorte.
63. HET KIND WEENT, UITSTERVEND IN DE VERTE. STILTE. DAN HOREN WE HET WATER VAN DE ZEE EN DAARIN:
VERTELLER
Toen God het water van het land had gescheiden, dacht hij: nu wordt het tijd om te gaan zwemmen.
Hij wist al dat het water weldra met kwallen en haaien zou bevolkt worden.
Hij wist dat weldra het strand vol bruinende mensen zou liggen. Dat reuzentankers er hun smurrie zouden in achterlaten. Duikboten er zich zouden verschuilen. Schepen er hun graf in zullen vinden. Walvissen met profeten in hun buik er koers naar de post-modernistische steden zetten.
Hij Iiet het water over zijn goddelijke tenen lopen en liep over het water de zee in.
64. HET WATER HEVIG OP DE VOORGROND EN DAN IN DE VERTE EEN STEM
VROUW
Jonas! Jonas, Bij opa blijven!
65. DE GOLVEN WORDEN DOOR DE LAATSTE GOLF UIT DE INSULAE OVERSTEMD.
In 1881 maakt Rudolf Alt een ontwerp van de Pomagagnon-top in de Dolomieten met onderaan Cortina d’ Ampezzo. Het is een schets, je kijkt nog door de twee bewoners met karretje. We zijn ver weg van het gladde werk waarmee vader Jakob beroemd is geworden.
Luchten en bergen bewegen in het steeds veranderende licht, het dal wordt in onscherpe vlakjes weergegeven want het is het schouwspel van de natuur dat telt. Het blauw-paars van de wolken vind je terug in de onderste uitlopers van de bergen. Het is september, de gloed van de zomer zal plaats maken voor de schakeringen van de herfst.
In een andere schets (aquarel) echter is het nog volop zomer: Ein Ausflug der Familie Dumba in der Sommerfrische Liezen. (1879)
De omgeving moet je er nog bij denken, maar het ritme waarin de familie even uitrust is mooi om te zien: in een opstijgende diagonaal rusten vijf leden van de Dumba’s uit van een tocht door dat sommerfrische Liezen terwijl de achtergrond voorlopig uit twee boom-strepen en een vlek bestaat. Mooi detail: onderaan wordt door dochter Louise von Alt bevestigd dat het Rudolfs werk is. Ook de verkoop heeft zijn rechten.
In een brief schrijft hij over die tijd bij de Dumba’s (Grieks-Oostenrijkse industriëlen) die een villa in Liezen hadden: “Ja, selbst mit meinen Arbeiten geht es sehr langsam, weil zu viel spazierengegangen wird, von dem ich mich leider nicht so leicht zurückziehen kann … Seelos hat ein Bild für Dumba hier gemacht, Pischinger gibt den Damen Unterricht, und ich male an meinen Studien – und so leben wir in Freundschaft und Eintracht, nähren uns gut, und nachdem Abends Dumba eine Reihe Schubertscher Lieder sehr schön vorgetragen, wird zu den Taroktischen gegangen.”
(de aquarel die dit tafereeltje uitbeeldt werd op een veiling aangeboden met een waardeschatting tussen de 12.000-20.000 euro) De mooie schets bevindt zich in de Albertina.
Waarschijnlijk uit diezelfde periode, een schets uit Wenen ‘Praterallee”, in feite de kleine weg naast de Hauptallee die overgaat in het park en in het landschap.
Het is een aanzet, vertrekkend rechts vanuit de grote boomstam en uitwaaierend over de weg die door dunnere boomstammen worden begrensd. Het ritme van de stammen en de frisse chaos van het gebladerte nodigen je uit om er langs te lopen. Of je nu in Wenen bent of in het laantje achter het plaatselijke kerkhof, je komt in een ritme dat je meeneemt naar rust, stilte.
Maar net zo goed ging zijn belangstelling uit naar een papierfabriek: ‘Die Papierfabrik in Kneusiedl bei Fischamend gemaakt in 1873. Een grote papierfabriek in een piepklein dorpje (werkte tot in de dertiger jaren van de 20ste eeuw) waarin naast het handgeschepte papier ook mechanische mogelijkheden om papier te vervaardigen bestonden.
Of kijk je naar de metaalsmelterij in de straat waar hij verbleef, werkte en stierf, de Skodagasse. Je kijkt op de binnenplaats waar het oud ijzer rommelig door elkaar ligt.
Je zou het inderdaad ‘nach der Natur’ kunnen noemen zoals de Albertina das Wiener Aquarell inzonderheid het werk van Rudolf bespreekt.
Wellicht moet je zijn visie op het menselijk gedoe ook langs de interieurs van grote gebouwen bekijken, inzonderheid van kerken. Daar loopt de mens verloren, kijkt hij vreemd om zich heen, knielt hij eerbiedig of zoekt hij naar woorden. De speling van het licht in deze gebouwen geeft de kunstenaar de mogelijkheid om het beste van zijn kunnen te tonen. Ik neem je mee naar Salzburg, de binnenkant van de franciskaner-kerk. Een jonge man die de kerkbank verlaat kijkt even nog onze kant uit, maar voor de rest verguldt het licht ons klein bestaan.
Hij is oud geworden, 93. Hij werd geridderd, geëerd en geprezen, vergeleken, en zelfs door de nazi’s gegeerd in hun jacht naar kunstschatten. Werd hij bij leven uit geldnood gedwongen zijn werk te goedkoop aan kunsthandelaars te verkopen, later zouden dan weer andere handelaars, vooral Joodse, gedwongen worden zijn werk voor een prikje uit handen te geven. Momenteel loopt er nog een teruggave-project in Wenen. Maar hijzelf kijkt ons via zijn zelfportret vriendelijk en gelaten aan. Hij is door Europa gereisd, en door een eeuw waarin het geliefde landschap onder stoom en andere wolken is verdonkerd.
Maar zijn mooie blik blijf je in zijn talrijke werken terugvinden.
Een tenslotte zijn werkkamer.
Hij schilderde ze nog het jaar van zijn dood, 1905.
Daar waar hij aan het werk moest zijn, is er een witte vlek.
De meester immers is niet meer in zijn werkkamer maar in al zijn werken overduidelijk aanwezig.
Ook in Wenen ging het jaar 1848 niet onopgemerkt voorbij. Net zoals in 1830 waren er in verschillende staten en steden opstanden die een meer liberaal systeem, een liberale grondwet moesten mogelijk maken na de duidelijk conservatieve en autoritaire opvattingen die na het Kongres van Wenen in 1815 door de toenmalige heersers in Europa werden doorgevoerd. (hierboven de Skodagasse in Wenen waar de kunstenaar woonde en werkte)
In 1846 was Rudolf (von) Alt na de vroege dood van zijn eerste vrouw en zijn twee kinderen in 1843 opnieuw in het huwelijk getreden en wilde hij duidelijk zijn eigen accenten aanbrengen in het vaak nog gemeenschappelijke werk van vader en zoon.
Hij had zich in dat befaamde jaar 1848 als ‘Bürgergardist’ laten inschrijven maar stuurde voor alle zekerheid zijn familie naar zijn schoonouders in Tropau.
Toen midden oktober 1848 de gebeurtenissen in de hoofdstad een erg radikaal karakter kregen verliet hij samen met de toen zestienjarige Ludwig Passini (1832-1903) Wenen en vluchtte hij naar het nederoostenrijkse Traismauer om er in het Gasthof Hofkirchner (nu Gasthof zum Schwan) onderdak te krijgen. (Zijn jonge gezel zou later naar Venetië trekken er zijn leven lang blijven wonen en werken als schilder zoals hieronder blijkt)
Hijzelf schrijft over de gebeurtenissen: ‘Ich war im Jahr 1848 National-Gardist, aber ich ging sehr bald nach Traismauer, wo meine Leute wohnten“.
Hij maakte er dat jaar deze prent, een atmosfeer die enigzins verschilde met de Weense wereld.
Wel werd hij na zijn terugkeer datzelfde jaar lid van de Weense Akademie maar het zou toch tot 1866 duren eer deze benoeming ‘keizerlijk’ bevestig werd. (Frans-Jozef I)
In de kunstwereld wordt het tijd voor de proto-impressionistische invloeden, gevoeligheid voor lichtinval, het moment, het direkte. Ook bij Rudolf merk je die invloeden. Hij wil zijn eigen vormentaal gestalte geven. Al blijft hij immens populair met zijn ‘Veduten-werk’ uit de de diverse streken van de monarchie, zijn pogingen om aan te sluiten bij die nieuwe beeldentaal krijgen weinig weerklank. Hierboven ‘een blik op Salzburg’ (1869) Hieronder een plekje waar ook ter wereld.
Was de vroege dood van zijn eerste vrouw en kinderen al niet licht om te verwerken, de financiële problemen ‘en surplus’ zorgden voor een heuse depressie.
In 1863 reist hij in opdracht van de tsarenfamilie naar de Krim maar de beloning en behandeling zijn eerder magertjes. Gebeurtenissen die niet dadelijk het vriendschappelijk klimaat tussen ouders en broer Franz (ook schilder) bevorderen.
Hij krijgt ook last van een soort beven, ‘ein Tremor’. Het schilderen wordt er nauwelijks door gehinderd. Slechts op latere leeftijd zou het hem schilderen onmogelijk maken. Het geeft hem wel de gelegenheid om zijn schilderstechniek opener te maken, direkter.
Toch zullen de zestiger jaren hem erkenning bijbrengen, zeker als lid en lesgever aan de Weense akademie. Ook ambtelijk krijgt hij weer opdrachten ‘van hogerhand’. (Presentatieblad van het Kaisersforum, Makart-Atelier)
Als zijn gezondheid na de dood van zijn ouders (1872) en zijn zijn tweede vrouw in 1881 niet te best meer is, wordt hij door dochter Louise verzorgd en blijft hij toch op zoek gaan naar nieuwe beeldentaal.
De natuur, vooral de bomen en ‘de vruchten van het veld’ zullen nieuwe onderwerpen zijn samen met de interieurs van zijn gegoede klanten.
Terwijl de negentiende eeuw een ongekende wetenschappelijke ontwikkeling in gang heeft gezet zal het geliefde landschap tot op deze dagen daaronder lijden.
In een laatste aflevering zullen we enkele tegenstellingen zichtbaar maken, het landschap proberen te verzoenen met wat ‘vooruitgang’ heet. Het heimwee voorbij.
Natuurlijk, de beide spitsen op de kathedraal van Regensburg zijn pas tussen 1859 en 1872 voltooid, en het mooie werk van vader Jakob Alt is 1837 gedateerd, dus had hij op dat moment een probleem minder om het gotische gebouw via een aquarel op papier te brengen. Hij kon vanuit een zeker evenwicht tussen opstaande en strekkende massa vertrekken en een afstand suggereren die nu door gebouwen is ingenomen.
Het snijvlak van voorgevel en zijgevel is het centrum van de compositie. De huizen links en rechts versterken de blikrichting en de diepte wordt nog eens extra door het achterliggende gebouw (rechts achteraan in rechthoekje) benadrukt.
Het dramatiseren van deze ruimte toont al dadelijk de meesterhand.
Zoon Rudolf (von) Alt zal zijn werk een jaartje later (1838) met zijn aquarel van de Stephansplatz-met-kathedraal (Wenen) nog een extra atmosfeer meegeven.
Meteen wordt ook het aanvoelen duidelijk. Waren de mensenstipjes op vaders Regensburger aquarel eerder nog maatstaven om het majestatische van het gebouw te beklemtonen, hier zijn mensen duidelijk een centraal gebeuren, het leven in een hoofdstad.
Het vreemde ‘sfumato’ waarin de tekening is gehuld is ook al een voorloper van Rudolfs’ werkwijze: het gebruik van het natuurlijke licht beklemtonen, wolkenpartijen of lichtinval bepalen meer dan de realiteit nodig heeft, een atmosfeer. De veduten-schilder op weg om de algemeenheid van zijn beeld, de tijdloosheid, aan te vullen met het ogenblik of het moment van de dag.
In de prachtige nog niet afgewerkte aquarel ‘Das Rathaus in Mödling’ uit 1842 (dankjewel digitale Albertina in Wenen) zie je duidelijk dat naast en rond het gebouw de ‘bezigheid des mensen’ al net zo belangrijk is geworden. Deze studieschets geeft je een goed idee van zijn opbouw-methode en de meerlagigheid van het aquareleren.
Kijk ook naar een jeugdwerk uit 1835 ‘Blick vom Kloster Onofrio auf Rom’ uit 1835, op reis met zijn vader gemaakt.
Standpunt, licht en schaduw, de zomerse Italiaanse lucht waaronder Rome zich uitstrekt, de koelte onder het ritme van de bogen, enkele spaarzame aanwezigen en het grazende ezeltje. Het inlevingsvermogen van deze nog jonge meester ( hij is dan 23 jaar) reikt verder dan het plaatje voor de thuisblijvers. Door zijn vader opgeleid zal hij in kunde en emotie hem overvleugelen, met alle problemen vandien.
Kijk hieronder naar zijn prachtige aquarel ‘Der Graben in Wien’ van drie jaar later. Arm en rijk, jong en oud ontmoeten er elkaar. Het licht wordt door mooie wolkenmassa’s getemperd. Naast de aandacht voor de architectuur is er de menselijke beweging en dat alles onder het milde licht van een lentedag.
Rustig? Tien jaar later wordt het 1848, een jaar van Europese opstanden. Ook de kunstenaar zal het niet ontgaan. Dat is voor een volgende aflevering.
In 1789 geboren in Frankfurt am Main als zoon van een schrijnwerker wilde Jakob Alt in die stad zich bekwamen als ’Veduten-maler’, een plan dat hij in 1811 aan de Weense academie zou verder zetten.
Het Italiaanse woord ‘Veduta’ betekent uitzicht. ‘Eine Vedute ist in der bildenden Kunst die wirklichkeitsgetreue Darstellung einer Landschaft oder eines Stadtbildes. Gemäß der Kunsttheorie der Zeit ist das Ziel die Wiedererkennbarkeit, alle anderen Aspekte der Bildgestaltung sind weniger wichtig.’
Begrijpelijk dat het woord ‘postkaarten-kunst’ of ‘souvenirprentjes’ de minderwaardige toon beklemtonen.
Maar het gaat om dat ‘wirklichkeitsgetreue’ en de opmerking dat ‘alle anderen Aspekte der Bildgestaltung’ weniger wichtig sind. Het zou om het ‘herkennen’ gaan, je, dat is inderdaad Wenen, en hier zijn we inderdaad in Venetië. En in Venetië spreken we dadelijk over Canaletto, en daar gaat het ook om heel wat meer dan ‘herkenning’. Het gaat over ‘Uitzicht met inzicht’. (hieronder: bij het strand van Amalfi)
Daar was het bij Jakob Alt ook om te doen: ja, een herkenning oproepen, maar vanuit zijn persoonlijk standpunt. En waarom niet vanuit de lucht zoals de drie prachtige prenten van waaruit hij Wenen vanuit drie verschillende richtingen uit een luchtballon weergeeft.
Zijn geplande studie aan de Weense akademie moest hij te vlug vergeten wegens familie-uitbreiding en familie kost geld. Zelfstudie dus. Vooral door onmiddellijk materiaal te leveren aan Kunstverlag Artaria: ‘Mahlerische und merkwürdige Ansichten d. verschiedenen Provinzen der österreichischen Monarchie und der benachbarten Länder’ (1813-1820)
Rondreizen in de Oostenrijkse Donau-en Alpenomgevingen en daarna in 1828 en 1833 tweemaal de bovengebieden van Italië en een dubbel verblijf in Venetië en Rome.
Hij werkte eerst als aquarelist (Ansichten von Rom voor keizer Ferdinand en met een groot deel steendrukken (lithografieën) voor het vezamelwerk door Adolf Friedrich Kunike uitgegeven: ‘264 Donau-Ansichten nach dem Laufe des Donaustromes vom Ursprung bis zur Mündung ins Schwarze Meer’)
Van de acht kinderen die hij met zijn vrouw op de wereld zette was zoon Rudolf (1812) al vlug vaders medereiziger en medewerker onderandere als twaalfjarige inkleurder van de talrijke lithografieën. (Hieronder: Duomo di Verona)
‘Im Zentrum der Zusammenstellung stehen neben dem musischen und vielseitig begabten Kaiser Ferdinand I. vor allem zwei Künstlerpersönlichkeiten: Jakob und Rudolf von Alt. Die Ausstellung erzählt somit nebenbei auch die Geschichte von der erfolgreichen Teamarbeit eines kongenialen Vater/Sohn-Duos. Gemeinsam reisten die beiden Maler im Auftrag des Kaisers über zehn Jahre lang durch Italien, Ungarn und Dalmatien und skizzierten direkt vor dem Motiv ihre „Veduten“. Zu Beginn der Zusammenarbeit übte der Vater, dem mit dem Blatt „Blick auf Wien von der Spinnerin am Kreuz“ 1839 (zie hieronder) erstmals eine detailgetreue und dennoch stimmungsvolle Darstellung der Stadt Wien gelungen war, enormen Einfluss auf den Sohn aus. Später kam es zu einer Umkehrung. Da fand Jakob von Alt, beeinflusst vom herausragenden Talent des Sohnes, zu neuen Darstellungsweisen. Mitunter ist heute nicht mehr festzustellen, welcher der beiden Alts ein Blatt gemalt hat.’ (Johanna Schwanberg)
Een mooie combinatie: zoon leert van de vader, vader bekwaamt zich door de zoon.
In een volgende bijdrage meer over het standpunt van de kunstenaar (blikpunten) en zoon Rudolf die einde negentiende eeuw een ‘von’ voor zijn naam krijgt: Rudolf von Alt. (Hieronder: Regensburg Kathedral)
‘Met jouw fantasie, zei de hoofdredacteur, zou je voor mijn krant best een horoscoop kunnen schrijven, niet?’
‘Tja’, had hij geantwoord. ‘Tja. Wat weet ik van horoscopen?’
‘Juist daarom. We zijn een krant, geen wetenschappelijk tijdschrift. Een horoscoop is als een stripverhaal. Niemand gelooft erin maar iedereen leest hem. Kwestie van klantenbinding zoals ze dat noemen.’
‘Elke dag?’ had hij nog geprobeerd terug te krabbelen. ‘Elke dag!’
‘Och, je schrijft ze natuurlijk voor een week! Met een beetje fantasie, zalvende woorden en opgestoken vingertje kom je een heel eind.’
‘Vooruit dan maar.’
‘En zorg een beetje voor jezelf, zei de hoofdredacteur, net voor hij buiten een sigaret ging roken.’
‘Voor mezelf?’
‘Weinig mensen hebben hun eigen toekomst zo in de hand als de auteur van een horoscoop! Je bent toch een waterman, niet? Kun je elke dag voorspellen wat je te wachten staat. Zo simpel is dat.’
Naar de geldelijke opbrengst had hij niet geïnformeerd, de idee dat er eindelijk iets van zijn hand in een krant zou verschijnen, dat idee volstond. Zo kreeg hij een week later zijn eerste publicatie onder ogen.
‘Waterman: je krijgt een brief die je zeker zal verrassen,’ las hij luidop.
‘Natuurlijk is het toeval, maar als toeval heel toevallig…,’ dacht hij terwijl hij nieuwsgierig zijn post doornam. Reclame, weekblad voor de groene vingers, herinnering van de bibliotheek, uitnodiging voor een gehoortest, en…Ja, een brief. Een bekende omslag. Vierduizend en zoveel achterstallige belastingen te betalen voor…
‘Je krijgt een brief die je zeker zal verrassen!’
Gelukkig had hij zijn horoscopen voor de volgende dagen nog niet geschreven. Dus tartte hij het lot met:
‘Waterman. Een ontmoeting met iemand die al een tijdje uit je leven is verdwenen. Een bijzonder prettige ontmoeting, best mogelijk met een Kreeft.’
Hij herlas zijn toekomst en begon dadelijk met nare dingen voor de Steenbok en een beetje mystiek voor de Tweelingen. Bij de Kreeft echter:
‘Kreeft. Voor sommigen, de geluksvogels, een bijzondere ontmoeting met een Waterman.’
Zo las hij het ook de volgende dag: zwart op wit. Zijzelf bracht de krant mee binnen.
‘Dat had je niet verwacht, hé?’
Ze had nog altijd van die ogen met puntjes rond de iris en ze sprak nog altijd met dat frele stemmetje also ze elk ogenblik zou gaan zingen.
Neen, dat had hij niet verwacht.
Ze kusten elkaar, lieten de dag de dag en zagen dat het donker begon te worden toen ze honger kregen.
‘Gotjes, zei hij. Ik moet mijn horoscopen nog doortelefoneren.’
Ze trok het laken hoog boven haar hoofd en vroeg hem iets leuk voor de kreeft te verzinnen. ‘Een prachtige toekomst!’ klonk het vanonder de witte tent.
Twee keer kon nog toeval zijn, dacht hij. Maar laten we de proef op de som nemen. Waterman: let op in het verkeer. Een onvoorzichtigheid in het verkeer van een bekend iemand kan je heel wat geld kosten!
Zou hij het wagen? Ach, hij ging het toch niet zelf geloven! Morgen hoefde hij niet eens zijn auto te gebruiken. Hij zou de hele dag binnenblijven nu zijn Kreeftje terug was. Een vliegtuig kon op zijn dak een noodlanding maken, of een ufo! Doen dus!
Maar het lot liet zich niet verschalken. Nog voor hij die morgen goed wakker was, reed zijn lief Kreeftje zijn niet eens afbetaalde wagen aan diggelen.
‘Ik wilde naar de bakker om je met appeltaart te verrassen,’ klonk het iets minder minder zangerig toen ze terug uit het ziekenhuis was.
Na een dag snikjes en klaagzangen vertrok ze voor lange tijd.
‘Waterman: u wint vandaag een groot bedrag dat je uitstekend van pas komt!’
Hij schreef iets heel naars voor de Kreeft en nadat hij zijn teksten had binnen geleverd kocht hij een biljet van de Staatsloterij.
‘Vijftien miljoen, meneer!’ zei de winkelier lachend.
De volgende dag legde hij het biljet voor de verbaasde ogen van de man en zei ‘Vijftien miljoen, inderdaad, zoals je gezegd hebt!’
Ze keken elk nummer drie keer na.
‘Vijftien miljoen,’ zuchtte de verkoper.
De horoscoop-schrijver schoof enkele biljetten van honderd over de toonbank.
‘Kun je een paar lekkere flesjes voor kopen! Enne…je bent toch niet toevallig een Waterman?’
Hij was een Waterman.
‘Een bedrag dat je uitstekend van pas komt,’ citeerde hij zijn eigen tekst uit de krant.
‘Ik ben breed van begrip,’ zei de hoofdredacteur, ‘maar het is toch niet omdat je plotseling vijftien miljoen wint dat je geen horoscopen meer wilt schrijven?’
‘Ze maken me bang! Al wat ik voor mezelf voorspel komt letterlijk uit.’
Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Heb je champagne gedronken?’ vroeg de hoofdredacteur.
‘Koffie. Wil je het merk weten?’
‘Hou nog een weekje vol dan heb ik de tijd om een vervanger te vinden.’
‘Maar niet langer dan die ene week. Afgesproken?’
Zo begon hij heel voorzichtig zijn week te voorspellen.
Eerst dag. Waterman: u heeft een bijzonder rustige dag. Tijd om na te denken en een verstandige investering te doen.
Tweede dag. Waterman: geniet met volle teugen van het leven.
Derde dag. Waterman: een goede daad zal je innerlijke rust brengen.
Vierde en vijfde dag. Alles rustig.
En voor de zesde en laatste dag: Waterman, wees maar niet bang. U zult lang en gelukkig leven.
Hij stuurde zijn kopij door, kocht daarna een lot vrij dure maar lekkere wijn en genoot zoals hij voorspeld had met volle teugen van het leven nadat hij zijn centen had toevertrouwd aan bankinstellingen met filialen in Koeweit en de Arabische emiraten.
De derde dag schonk hij één miljoen aan een werk voor verlaten vrouwen, en voelde zich tevreden zoals mensen na een heerlijke maaltijd of een leuke vrijpartij.
De vierde en vijfde dag bleef alles rustig en de lichte angsten die de vijfde dag ’s avonds de kop hadden opgestoken zouden vanzelf verdwijnen als zijn voorspellingen zouden kloppen.
Toen hij de zesde dag zijn horoscoop wilde nalezen overviel hem een duizelig gevoel.
In ééntiende seconde besefte hij dat dit het einde van alles was. En de volgende negentiende van diezelfde seconde lag hij dood op de vloer.
‘De emoties van de laatste dagen,’ zou de dokter zeggen.
Toen rinkelde de telefoon.
‘Hallo,’ zei de dokter. ‘Neen, die is er niet meer. Ik bedoel, hij is er inderdaad echt niet meer. Wat zegt u? Een drukfout? En wat moet ik daarmee? Ik ben een dokter en zou u dringend rust aanraden. Horoscoop, horoscoop, wie verzint die onzin!’
Toch las hij de krant waarop het lichaam van zijn patient was gevonden.
‘Waterman: u zult niet lang leven, gelukkig. Wees maar bang.’
De volgende dag ging de bank failliet waar de horoscoop-schrijver zijn miljoenen had geïnvesteerd. En nog later ontdekte men dat hij al jaren de btw voor het lapje had gehouden. Nog een dag later kwam zijn geliefd Kreeftje jammerlijk om het leven bij een vliegtuigongeval.
Om volledig te zijn: de dag daarna brak de derde wereldoorlog uit.
Toeval.
Een vreemd woord, en als je’t vaak herleest, niet te vertrouwen: toe-val. Een onvoorziene gebeurtenis die dichtklapt, niet meer terug te draaien (val!) ontsnappen uitgesloten.
Ik zwerf vaak langs de gallery’s in NY, zei het dan via de computer.
Ik klik op ‘Artists’ en begin dan prentjes te bekijken, bio’s te lezen en notities te maken.
Toeval.
Mocht je verhalen verzamelen waarin ‘toeval’ een hoofdrol heeft gespeeld, dan zou je verbaasd zijn hoe ‘gevierd’ en ‘vergeten’ elkanders neef en nicht zijn.
Ik wil niet zo ver gaan als geschiedkundige Frank Ankersmit in zijn intervieuw-boek (‘De erfenis is op) dat zonder de nierstenen van Napoleon III er geen eerste werldoorlog zou geweest zijn, geen Hitler, geen tweede wereldoorlog en ook geen genocide. Geveld door die kwaal liet de toenmalige Franse keizer het bestuur aan zijn vrouw Eugenie over die, gebeten als ze was op de Duitsers in de val van Bismarck trapte en… Terwijl, zegt men, de keizer zelf nooit zo’n oorlog zou begonnen zijn.)
Maar.
Geboren in 1944. Dat herken ik. Hopen de sterdatum 2023 nog even uit te stellen.
Achter-achterkleinkind van Darwin, dat is vast boeiend. Haar grootvader psychiater bij Queen Victoria en zij was verwant met Josiah Wedgwood. Phyllida Barlow
‘The little girl grew up in London, but one very different from the shining, skyscraper-studded capital that we know today – a city in ruins, where children played in bombed-out buildings, and where the sides of houses had been blown off to reveal staircases leading to nowhere, and incongruous patches of wallpaper were still attached to walls that were now open to the sky.’ (The Guardian, Charlotte Higgins)
Ze studeert kunst, ze huwt met een kunstenaar, krijgen samen vijf kinderen.
zal kunst als bekwame lerares tot haar 65ste onderwijzen aan jonge kunstenaars en begint na haar pensionering op haar 65ste aan een carrierre.
‘All at once, the very clever curators and the very shrewd and canny people who ran galleries saw that Barlow was, after all, a very good artist. The proof that it was magic was that some of the people who now thought her work was very good had known her for many years. At once, many invitations arrived: would Barlow make an exhibition here, and here? People came from far and wide to knock on the door of her house in that shabby London street. Her visitors included the owners of one of the grandest and richest galleries in the country. She was nominated for awards and travelled to many places around the world for exhibitions. Now, for the first time in her life, she could make sculptures that were bigger, and more stupendous and formidable than she had ever dreamed.’ (ibidem)
Bekijk de mooie documentaire van de BBC en geniet.
‘All our lives are about constantly losing. The moment is always disappearing, like sand between our fingers. So what is it, we are actually left with?,’ asks British sculptor Phyllida Barlow.
The language of sculpture is not about perfection or exactness, according to Phyllida Barlow (b. 1944). It’s about approximation, about recovering moments. ‘I like the language of sculpture which is about space and time, smell and temperature. Opposite photography, sculpture constantly rejects the single image because of the way you walk around it. Oddly enough sculpture, despite it’s physicality, constantly disappears. You walk past it and it’s gone. You come back to it and you discover it in a new way. The powerful emotional impact is all in the moment.’ (Marc-Christoph Wagner)
‘My grandmother’s under-stairs cupboard was filled with beautifully folded brown paper, navy blue sugar paper that grocers used, and neatly assembled piles of reusable stuff like black rubber bands and old matchboxes. I’ve a vivid memory of these accumulations, so it’s possible they left a subconscious impact. My father kept yogurt pots and anything made of glass. My mother cut up old clothes to make new clothes and taught us, as children, to make things from remnants. We continued to use Christmas decorations made during the wartime years well into the 1950s—strange, rather abject pieces of cardboard with paint on them. But it all seemed wonderful to us. Then there was an explosion of materialism in the 1960s, and that making-do and getting-by approach was swept away. We entered the world of disposable objects, which has now created appalling long-term natural disasters.’ (ibidem)
One day, talking in her studio, Barlow compared the art world to an iceberg. Below the waterline are those who work unseen. They have a certain kind of freedom. Above the waterline are the recognised, the successful, who have another kind of freedom, the kind conferred by support and money and encouragement and invitations from museums. Good, indifferent and bad art is made either side of the waterline; and, just as an iceberg conceals most of its mass beneath the surface, most art-making happens unremarked upon and out of sight. (The Guardian, Charlotte Higgins)