Nauwelijks vijf minuutjes het filmpje hierboven bekijken en je bespaart mij een woordenboek-uitleg omtrent bezieling.
“Tegenwoordig zijn we gewend dat stilstaande objecten de suggestie van beweging kunnen wekken. De oude Grieken waren in de zesde eeuw voor Christus pioniers op dit gebied, de eersten die in schilderingen en beeldhouwkunst beweging konden suggereren. Dit deden ze bijvoorbeeld door het weergeven van actielijnen bij wapperende gewaden en het inspelen op de verwachting en voorkennis van de kijker: iets gaat bewegen omdat de kijker het afgebeelde verhaal herkent.” (Historiek 2015)
Panatheneïsche Prijsamfoor met hardlopers
Bekijk je het werk uit ‘Der Blaue Reiter-periode in 1911 opgericht door Wassily Kandinsky, Franz Marc, Gabriël Münter en August Macke dan merk je vaak diezelfde drang naar bewegen in hun werk dat je onder de term ‘expressionisme’ kunt thuisbrengen.
Franz Marc: Die gelbe Kuh, 1911,
De beweging kan ook door de vormgeving ontstaan, je zou dan van een ‘innerlijke’ beweging kunnen spreken, zelfs in die mate dat ze de voorstelling in vlakke en ruimtelijke stukken samenstelt.
Juan Gris: Portret van Picasso, 1912
De concentratie van de innerlijke beweging, dat wat je gemoed laat bewegen, kun je natuurlijk ook via de concentratie van het personage weergeven omgeven door een atmosfeer die zijn innerlijk naar voren brengt. Het claire-obscure vervult hier die rol.
Zijn blik is grotendeels verborgen onder zijn haar, je ziet niet wat hij denkt, of waar hij naar kijkt, maar er is duidelijk iets in aantocht, iets wat hem heeft opgewekt. Daar gaat het om. Net als in de extase van de Magdalena, die door goddelijk licht wordt verlost van haar zondige verleden, ontstaat er iets in deze Johannes, een beweging in zijn geest, die door de beweging van het lichaam wordt vertaald: een ontwaken, een alertheid voor iets wat op hem afkomt. Johannes herkende Jezus niet direct als de verlosser – hij liet twee hulpjes aan hem vragen of Jezus wel ‘de Komende’ was, degene die werd verwacht. Je ervaart de gewaarwording in zijn geest, in de aarzelende beweging van dat aardse lijf: er komt iets aan.
(Koen Kleijn, De beweging van de ziel, 11 maart 1920. De Groene Amsterdammer)
Het andere uiterste van de beweging vind je in dit beeld van Hammershoi uit 1900.
Dust Motes Dancing in the Sunbeams, 1900, Statens Museum for KunsT
"Een van zijn mooiste werken noemt hij Stofdeeltjes die dansen in zonnestralen (1900). We zien vermoedelijk laat-middaglicht, dat door een raam op de vloer van een lege kamer valt. Meer is er niet te zien. Maar wat een samenzang van vreugde en weemoed. Wat een ode aan de schittering van het heden en tegelijk de vluchtigheid ervan in één schijnbaar eenvoudig beeld.
In dit beeld figureren tevens twee andere voorname spelers in Hammershois wereld: ramen en deuren. Meestal zijn de eerste dicht en staan de laatste open. Natuurlijk spreken ze over een wereld binnen en de wereld buiten. En soms staan er zoveel deuren open na elkaar in de uiteenlopende kamers dat het de kijker duizelt: hoeveel werelden zijn er wel in dit labyrint van twee mensen bij elkaar, jarenlang samenwonend in het even wisselende als eendere licht van de dagen?"
Bernard Dewulf over het raadsel Hammershoi. 'In het licht van elkaar' (De Standaard )
Harriet Backer Rest, 1905, Bridgeman art
Beweging. Je weegt het beeld in je hoofd. Dat heet be-zieling. Lijnen, vlakken, kleur, diepte verlaten hun enkelvoudigheid en houden het niet alleen bij een mogelijke uiterlijke beweging maar brengen innerlijk een proces te weeg. Misschien wordt hun ‘animus’ (ziel) zichtbaar. Het samenspel tussen kunstenaar en kijker.
Harriet Backer-Ved lampelys.-1890
Mij lezen bij het lamplicht, lief, de dagen, de dief die ons van elkander dreef en ik je ook bij lamplicht, lief, wat niet te schrijven was toch schreef.
Gmt
Harriet Backer. Avond-interieur 1890
Het ‘panta rei’, alles beweegt, zal hoe dan ook in de grote verstilling verdwijnen. Er zijn dagen waarin het zo donker blijft dat het geloof in nieuw licht, zelfs niet in het kleinste kaarsenvlammetje of de hoop op een vlekje maan verlichting brengt. Ik wil je niet in die duisternis achterlaten, en probeer met een onbeschrijfbaar vleugje muziek vaarwel te zeggen, tot weldra.
Loop met mij door alle zalen In 't museum van weemoed en gemis Je hoeft geen toegang te betalen Omdat hier niks van waarde is Rechts van u hangt alle schaamte Dan door de gang van spijt en zelfverwijt Links liggen vergeten dromen Dan een grote zaal verloren tijd
Zie de onbegane paden En de uitgestelde daden Vervolgens een collectie oud verdriet Kijk naar mijn mislukte dagen En schuldgevoel dat door blijft knagen Hier ligt de verspilde energie En kijk daar staat mijn prijzenkast Neem maar mee want hij was alleen tot last Hier hangt pech op ware grootte Naast de ijdelheid met grove kwast
Langs de overtreden regels Komt u bij het restaurant Op de kaart alleen gebakken lucht Kijk ook even in de winkel Soms heeft men een doos geluk Maar pas op want het valt gemakkelijk stuk Nee wordt niet droef van al dit falen Hiernaast ligt het museum "de goede hoop" Daar valt vast wel wat te halen Maar het is er niet goedkoop
(Wij missen jou!)
’Espérance et la douleur, Armand Point, après 1891
En helemaal aansluitend dit prachtige blog van mijn medestander. Deze aflevering heet niet toevallig ‘De mantel der Liefde’.
‘Mag ik iets over de dood zeggen? (Wacht, stem van interviewer zegt na enige stilte: ) ‘Ja..’ (wacht glimlachend) ‘Ik wil zeggen dat de keerzijde en de tragiek van het prachtige uniek-zijn van ieder mens, de andere kant dus..is…dat wij allen sterfelijk zijn. Ik ga morgen naar de begrafenis van een oude vriend. Nu hij dood is, zal zijn plaats in ’t heelal nooit meer gevuld worden…Er was nooit een schepsel zoals hij, en dat zal er ook nooit meer zijn. Soms gaat m’n horloge kapot of houdt de computer er mee op…maar dat raakt mij natuurlijk veel minder. Ik wil zeggen dat de keerzijde van ’t uniek-zijn van ’t leven de onopvulbare leegte is die iemands dood achterlaat. Kierkegaards laatste woorden waren: veeg me op. Maar wat de biologische dood ook mag inhouden, we hebben allen een zekere betekenis in ons leven gevonden. En dat geven we door. Zelfs in biologisch opzicht. Dieren worden leem, ze verrijken de aarde, en dat doen mensen ook. Misschien is dat de enige vorm van onsterfelijkheid.’
Aan het woord was Oliver Sacks (1933-2015), eminent neuroloog en publicist in de al even eminente serie van Nederlander Wim Kayzer met als titel: 'Een schitterend ongeluk'. Het jaartal 1993. Beide heren zijn intussen overleden. Wil je het hele gesprek volgen, dan hebben wij dat hier al netjes voor je klaargezet. (1:44:27). Onvergetelijk. Neem je tijd. Ook beetje bij beetje te bekijken en te beluisteren. De eerste minuut worden de overige deelnemers voorgesteld. Maar daarna alle ruimte voor Oliver Sachs in New York. Lange winteravonden, zei u?
Voor zijn 75e verjaardag gaven vrienden van de schrijver en neuroloog Oliver Sacks hem een afdruk van zijn hersenscan met daarop gelukswensen. Ernaast stond een schijnwetenschappelijke tekst die een nieuw geïdentificeerde aandoening beschreef: “Brilliant Bi-Hemispheric Cortical Balance syndrome.”
Deze “chronische aandoening” maakte niet alleen buitengewone intellectuele bijdragen tussen wetenschap en kunst mogelijk. “Verdere longitudinale observaties,” zei de tekst, ”suggereren dat zijn ongewone neurale activering verantwoordelijk is geweest voor een supra-persoonlijke verheffing van miljoenen andere mensen die geboeid, geïnformeerd en verrijkt zijn door zijn verhalen over het menselijk brein en de menselijke geest.”
(NY Times Jennifer Schuessler 0ct 4. 2024. Olive Sacks Archive Heads to the New York Public Library)
Muziek betekende veel voor Oliver Sacks. Ik verwijs naar zijn boek: Musicophilia: Tales of Music and the Brain. Een mooie associatie met het werk van een schilder uit eigen land:
Edouard Jean Conrad Hamman was een Belgische schilder en graveur die gespecialiseerd was in het uitbeelden van scènes uit het leven van beroemde kunstenaars, geleerden en lieden van adel.
Hij groeide op in een welgestelde familie. Zijn vader was stadsontvanger en secretaris van de Kamer van Koophandel in Oostende en richtte een fonds op ten voordele van behoeftige vissers en hun gezinnen. Er is weinig bekend over deze periode in zijn leven, maar hij werd blijkbaar al op jonge leeftijd een leerling van François-Antoine Bossuet. In het schooljaar 1837/38 werd hij ingeschreven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Antwerpen). Een van zijn nu nog bekende doeken vind je hieronder . De kleine ‘Michel de Montaigne’ ontwaakt. En hoe!
Het ontwaken van Michel de Montaigne. Eduard Hamman. 1819-1888. 1847
In zijn essays schrijft Michel de Montaigne (1533-1592) :
“Omdat het volgens sommigen schadelijk is voor de tere kinderziel om ’s ochtends vroeg en met geweld ontrukt te worden aan de slaap (waarin kinderen veel dieper zijn verzonken dan wij) liet hij mij ’s ochtends wekken met de klanken van een muziekinstrument en er was altijd wel iemand die voor mij speelde.” (bron: Kunstdwalingen).
Wel? Ja, ik weet het, er is Radio Klara, maar een mooi ouderlijk duo om de dag te beginnen? Of met vrienden en vriendinnen? Voces8. Shall we gather at the River?
Shall we gather at the river, Where bright angel feet have trod; With its crystal tide forever Flowing by the throne of God?
Ere we reach the shining river, Lay we ev'ry burden down; Grace our spirits will deliver, And provide a robe and crown.
Yes, we will gather at the river, The beautiful, the beautiful river; Gather with the saints at the river That flows by the throne of God.
Landscape with Charon Crossing the Styx was painted by Joachim Patinir in 1520 Prado museum
“Anatomists today would be hard put to identify the brain of a visual artist, a writer or a mathematician – but they would recognize the brain of a professional musician without moment’s hesitation.” — Oliver Sacks
Vasily Kandinsky Composition 8
Ook de Kunst heeft mensen uit verschillende disciplines samengebracht.
In 1922 Kandinsky joined the faculty of the Weimar Bauhaus, where he discovered a more sympathetic environment in which to pursue his art. Originally premised on a Germanic, expressionistic approach to artmaking, the Bauhaus aesthetic came to reflect Constructivist concerns and styles, which by the mid-1920s had become international in scope. While there, Kandinsky furthered his investigations into the correspondence between colors and forms and their psychological and spiritual effects
In Compositie 8 creëren de kleurrijke, interactieve geometrische vormen een pulserend oppervlak dat afwisselend dynamisch en rustig, agressief en stil is. Het belang van cirkels in dit schilderij is een voorbode van de dominante rol die ze zouden spelen in veel volgende werken, met als hoogtepunt zijn kosmische en harmonieuze beeld Meerdere cirkels. “De cirkel,” beweerde Kandinsky, ”is de synthese van de grootste tegenstellingen. Hij combineert het concentrische en het excentrische in één enkele vorm en in evenwicht. Van de drie primaire vormen wijst hij het duidelijkst naar de vierde dimensie.”
Nancy Spector. Guggenheim
Het was Wenen dat voor Kandinsky misschien wel zijn meest opmerkelijke artistieke vriendschap opleverde, met de componist Arnold Schönberg. In 1911 hoorde Kandinsky een concert met muziek van Schönberg en realiseerde hij zich dat hij een medestander had gevonden. De twee begonnen een lange en vaak stormachtige vriendschap met felle kritiek op elkaars werk en het intens delen van ideeën en invloeden. Schönberg, die ook schilder en schrijver was, was net zo betrokken bij de muziek als hijzelf.
The Guardian. Gerard Mc Burney 2006
Circles in a Circle, 1923 by Vasily Kandinsky – Paper and Canvas Print – Philadelphia Museum of Art – Custom
Oliver Sacks:
“Wij zijn niet elegant ontworpen. We zijn geïmproviseerd, er zijn dingen over. En dat blijkt toch erg efficiënt te zijn. Hoewel niet elegant. Volgens mij romantiseren we het aangeborene in de mens. Schopenhauer zegt precies ’t omgekeerde als Rousseau: ‘De mens is vrij geboren, maar overal geketend.’ Deze citaten geven aan waarom er in 1800 zo’n belangstelling was toen Victor, ’t wilde kind van Avyron, naar Parijs gebracht werd. De vereniging der mensen, ‘les philosophes…’. wilde weten hoe ’n puur natuurkind was…en natuurlijk had iedereen het mis. Hij was noch verachterlijk, zoals Schopenhauer dacht, noch vrij, zoals Rousseau dacht. En hij was ook geen tabula rasa, zoals Locke dacht. Hij had alleen een vreselijke handicap. Inderdaad, de natuur is inderdaad amoreel. Ik moet bekennen dat dat een van de redenen is waarom ik van de natuur houd, omdat het mij bevrijdt van het morele bewustzijn dat soms zo’n last is. Gould zegt: aangezien de natuur amoreel of immoreel is , moeten we de moraliteit in onszelf zoeken. Moraliteit bestaat niet zonder vrije wil zelfs al is vrije wil een fictie .”
Uit de film ‘L’ enfant sauvage’. François Truffaut. 1970
“Naarmate ons gedrag gecompliceerder wordt, worden we met meer tweesprongen en beslissingen geconfronteerd. Het interessante van nieuwe theorieën over het bewustzijn is dat ze ook theorieën over het geweten kunnen worden. (denkt lang na). Ik denk dat we moeten doen alsof we over vrije wil beschikken en verantwoordelijke keuzes kunnen maken en alsof anderen dat ook kunnen. Of ze nu in werkelijkheid alleen uitdrukkingen zijn van de wil of de geest of de oplossingen die een organisme vindt voor een enorm ingewikkelde vergelijking, weet ik niet zeker. Soms denk ik het een, soms het ander. Maar het leven is inderdaad vol van wat je ‘daden van de wil’ zou kunnen noemen. En het is interessant om te zien wat er met een leven gebeurt dat die daden mist.’
(Fragmenten uit de serie ‘Een schitterend ongeluk’ van Wim Kayzer waarin hij Oliver Sacks interviewde in 1993)
“I hope I may enjoy to the end this beautiful world — I recognize no other — that I retain consciousness and lucidity, and that I may think and write till the pen falls out of my fingers.” (Oliver Sacks)
Mankes (1889-1920) schilderde in de jaren 1909-1920, een periode waarvan in de grote musea vooral de ‘vernieuwers’ te zien zijn. Zoals Jan Toorop, Vincent van Gogh, Kees van Dongen en Jan Sluijters. Abstract werk, impressionistisch, expressionistisch, fauvisten. Minder aandacht was er bij de critici en kunsthistorici voor de Nederlandse schilders die realistisch werk maakten, zoals Floris Verster, Matthijs Maris en Henri Frédéric Boot. En niet te vergeten: Jan Mankes. (Museumkijker 2020)
O laatste, warme dagen van september, de weemoed van uw licht gloeit ook in mij, ik laat, als gij, mij met een glimlach glijden naar dood en vrede, beiden zo nabij. '
Jan van Nijlen (De laatste dagen) 1947
Bomenrij bij Oranjewoud
Een directe kennismaking met deze mooie kortfilm van de Friese Omroep (2020). ‘De stille ferwûndering fan Jan Mankes’ Beelden maken woorden overbodig. Fries met Nederlandse ondertiteling waar nodig. Mooi! Maakte mij toen nieuwsgierig naar de schilder, zijn werk en omgeving.
De magie zit in de verf. Mankes schilderde in eindeloze laagjes dunne olieverf, die hij met puimsteen afschuurde, zodat er ‘een opeenvolging van paarlemoeren tonen’ ontstond, met ‘tot tinten gebluschte kleuren’, ‘doorsprankeld en door-fonkeld van fijne toetsjes in purper en groen’. Ook daar zie je relaties. Met Vermeer, in het vettig wit van een gekalkt muurtje, met Holbein in de klare lijn rond het profiel van zijn Annie op donkergroen, met Piero di Cosimo in het aardse portret van zijn vader, met Japanse schilderkunst en Japanse houtsneden. (Koen Kleijn. De Groene Amsterdammer 5 augustus 2020)
Jonge witte geit
Om Mankes’ persoon hing de zweem van een geniale kluizenaar met een ‘afkeer van luidruchtigheid’. Vast staat wel dat zijn zachte, ingehouden werk ook latere kunstenaars zoals Dick Ket en Wim Schuhmacher inspireerde. Mankes zelf werd beïnvloed door kunsttradities van voorgaande generaties. Als jongen liep hij elke zondag van Delft naar Den Haag om in het Mauritshuis Holbein, Vermeer en Vlaamse primitieven te bekijken, zo gaat het verhaal. (Museum More). Bezoek:
Jan Mankes. Zelfportret 1915. Collectie Museum More
“Alleen al de hoeveelheid zelfportretten die Mankes schilderde moet opvallen. Zo jong nog en dan je zelf zo vaak portretteren. Wat zit daar achter? Dat het alleen maar om studie ging, lijkt me vreemd. Ik heb de zelfportretten geteld. In de jaren 1909-1915 waren dat 11 à 12 schilderijen, vier tekeningen, zeven etsen, een houtsnede en een litho. Maar een klein aantal daarvan is voorstudie voor ander werk. Opvallend is dat Jan in het jaar 1914 zichzelf niet heeft geportretteerd. Wel maakte hij toen verscheidene portretten van zijn vader, die in de zomer van dat jaar zijn heup had gebroken. (Ongekamde gedachten bij de zelfportretten van Jan Mankes)
Jan Mankes’ vader voor het meer 1914
In maart 1914 begon Jan Mankes een soort kladschrift-dagboek bij te houden. Daarin noteerde hij van alles en nog wat. Ook zijn artistieke twijfels en zelfreflecties. Hij ging daarbij veel verder dan hij deed in de bekende correspondentie met zijn Haagse vriend en weldoener Pauwels. Mijn vermoeden is dat de zekerheid die Jan uitstraalt (wil uitstralen?) in zijn zelfportretten van 1910-1911 complementair is, zo niet vooraf gaat, aan de minder zelfverzekerde Jan Mankes die we leren kennen in zijn kladschrift.
(de moane Poadium foar keunst en kultuer yn Fryslân Yme Kuiper)
Jan Mankes Grote uil op scherm
De uil uit het beroemde schilderij ‘Grote uil op scherm’ uit 1913 woonde bij de familie Mankes in huis. De vogel was opgestuurd door de mecenas van de kunstenaar. Mankes schreef later: “Het is net een verschijning uit een sprookje, iets koninklijk teers, iets waar je nooit aan zou willen raken, ja hij is voor mij door die zilveren borst totaal volmaakt geworden”. Sprookjesachtig en teer zijn inderdaad rake typeringen voor Mankes' magnifieke oeuvre. (More Museum)
Mankes was geen holy fool; hij was erudiet en belezen, goed op de hoogte van de ontwikkelingen in de kunsten, hij was sociaal, vriendelijk, schuchter, en eigenwijs. Hij was plezierig in de omgang, schreef ettelijke fijne brieven, wist wat hij wilde en wat hij niet wilde, maar hij was daarbij wel degelijk puur, en natuurlijk, en eenvoudig. Dingen die Zernike misschien miste. Zij zat barstensvol met de juiste ideeën, sprak goed, schreef goed, las alles, maar zij zag – zo vermoed ik – elke zondag in de ogen van haar gemeente dat ze daar geen werkelijk contact mee maakte. Ze wist wel wie God was, zogezegd, maar niet waar ze hem kon vinden. Mankes wel. Hij had dat merkwaardig diepe gevoel voor de natuur, en leefde naar het doodeenvoudige idee dat God ook in de simpelste voortbrengselen daarvan te vinden was. Het klinkt zoet, misschien, maar de ‘spirituelen’ in de eerste decennia van de twintigste eeuw waren er vol van, die drang naar het zuivere en het ware, de mystieke werkelijkheid achter de gewone werkelijkheid, en ze waren geobsedeerd door ‘Zien’ met een hoofdletter Z. Maar niet iedereen kon dat, zomaar ‘zien’.
(Koen Kleijn. De Groene Amsterdammer 5 augustus 2020)
Jan Mankes. Portret van Annie Mankes-Zernike. 1918. Collectie museum MORE
En toch is het allemaal volkomen eigen. Het is zelfs zo eigen dat het je na honderd jaar nog altijd met stomheid slaat. Om nog eens de criticus van het Handelsblad (maart 1912) te citeren: ‘Deze kunst houdt met niets anders verband. Zij is als een zeldzame kostbaarheid; als een simpele, zoete zang van een bijzonder timbre, zij mist alles wat geniaal beginwerk in den regel onderscheidt: er zijn geen misvattingen, geen onhandigheden; er is niets in van hevigen durf en van groote passie; niets van stuwing naar een ideaal. Zij is een rust. Zij is een vrede.’ (ibidem als hierboven)
Opmerkelijk genoeg zat Mankes rond 1911 op ongeveer precies hetzelfde punt waar Mondriaan toen ook was aanbeland. Beiden schilderden toen zo’n bronsgroene gemberpot, met bloemen. Mondriaan zag in die vorm een manier om de natuur los te laten en de compositie in scherven te laten vallen, op zoek naar de onderliggende waarheid. Mankes sloeg precies de tegenovergestelde richting in, maar ook hij abstraheerde: de witte chrysantjes of de blaadjes van de judaspenning in de pot zijn de werkelijkheid ook al voorbij: het zijn een soort stralende figuurtjes geworden, met een innerlijk licht. (ibidem als hierboven)
Jan Mankes. Judaspenning in Japanse Vaas 1915. Collectie Museum MORE
Annie Mankes-Zernike nam na de dood van haar man de prediking weer op. Ze belandde in Rotterdam, waar ze een bloeiende gemeenschap in Tuindorp Vreewijk diende, met een praktijk die vol muziek, literatuur en toneel zat, want ze begreep dat ‘de poëtische, vrome verbeelding’ van de kunsten minstens even belangrijk was als de preek en de kerkgang. Zij had dat zelf ervaren, in Boven-Knijpe. (ibidem De Groene Amsterdammer nr 32 jaargang 2020)
Jan Mankes Bomenrij. 1915. Museum MORE
Met het samenbrengen van verschillende bronnen hoop ik de lezer(es) nieuwsgierig gemaakt te hebben naar deze kunstenaar. Een mooi overzicht van zijn werk vind je tenslotte in de collectie hieronder:
Glas met kleine lelie
Voor even nog is zij wat ze worden zou een kleine lelie Lilium longiflorum
Op het doek het ritme van je hand het zachte gloeien, het donker glas op het paletmes.
‘Portrait de jeune garçon’ Thérèse Debains, huile sur panneau
De kostbare momenten waarin tijdens het bestaan alles op zijn plaats valt, ook al begrijpen we niet het waar en waarom, en de terugkijk op een levensloop waarin gebeurtenissen een naam krijgen, maar… voorbij zijn. Een gedicht van de Amerikaanse dichter Ted Kooser als voorbeeld.
Raft, a poem by Ted Kooser
At the said-to-be bottomless pond at the sand pit, the raft we discovered was a heavy barn door, maybe ten feet by twelve, halfway in, halfway out of the water where others had left it, probably older boys, always the first to find something good, use it a while, then leave it for us, Billy and Larry, Danny and me, floating it out onto the water, wading in after it, holding onto its edge as we slid down the slope up to our shoulders, then one by one helped each other climb on, soaked and shivering, standing to balance, arms spread, each to a corner, facing each other, frightened but laughing, not a forethought among us for a pole to push out with, nor a plank for an oar, as we trusted that door as it floated not on but just under the surface, one corner sinking, then slowly lifting as another went down, ankle deep over the cold, bottomless darkness. Seventy years later, I still feel that door sinking under my weight, can still see the white faces of Larry and Billy and Danny looking across into mine as we held our arms wide, as if to keep some wild, free, invisible creature there at the center from running away, and at eighty I know what it was.
Bij de naar verluidt bodemloze vijver bij de zandafgraving, ontdekten we een vlot was een zware schuurdeur, misschien tien voet bij twaalf, half erin, half eruit uit het water waar anderen ze hadden achtergelaten, waarschijnlijk oudere jongens, altijd de eersten om iets goeds te vinden, het een tijdje te gebruiken, en het dan achter te laten voor ons, Billy en Larry, Danny en ik, visten het uit het water, er achteraan wadend, ons vasthoudend aan de rand terwijl we de helling afgleden tot aan onze schouders, dan één voor één elkaar hielpen om erop te klimmen, doorweekt en rillend, staand om in evenwicht te blijven, armen gespreid, elk naar een hoek, tegenover elkaar, bang maar lachend, zonder een gedachte bij ons aan een stok om er mee te duwen, noch aan een plank als roeispaan, terwijl we op die deur vertrouwden terwijl hij dreef niet op maar net onder het oppervlak, een hoek zinkend, dan langzaam omhoog terwijl een andere naar beneden ging, enkeldiep over de koude, bodemloze duisternis. Zeventig jaar later voel ik nog steeds die deur zinken onder mijn gewicht, zie ik nog steeds de witte gezichten van Larry en Billy en Danny naar het mijne kijken terwijl we onze armen wijd hielden, alsof we een wild, vrij, onzichtbaar wezen daar in het midden wilden verhinderen weg te rennen, en nu ik tachtig ben, weet ik wat het was.
About Ted Ted Kooser is a poet and essayist, a Presidential Professor of English at The University of Nebraska-Lincoln. He served as the U. S. Poet Laureate from 2004-2006, and his book Delights & Shadows won the 2005 Pulitzer Prize for poetry. His writing is known for its clarity, precision and accessibility. He worked for many years in the life insurance business, retiring in 1999 as a vice president. He and his wife, Kathleen Rutledge, the retired editor of The Lincoln Journal Star, live on an acreage near the village of Garland, Nebraska. He has a son, Jeff, and two granddaughters, Margaret and Penelope.
De Italiaanse kardinaal, schrijver en humanist Pietro Bembo (1470-1547) -er is zelfs een lettertype naar hem vernoemd- zei dat de schilder Rafael, wiens grafrede hij schreef, ‘realistischer’ mensen schilderde dan zij in feite waren. We kennen hem via een portret door Titiaan geschilderd, maar graag toonde ik uit de verzameling van het Prado-museum een portret van een tot nu onbekende kardinaal uit die tijd, portret dat best de uitspraak van monseigneur Bembo staaft.
El Cardenal. Rafael. 1510. 79 x 61 cm
De deskundigen van het Prado:
Wat het meest opvalt aan dit portret, ongeacht de kwaliteit van zijn uitvoering, is Rafaëls buitengewone icastische scherpzinnigheid, waarmee hij het definitieve en universele beeld van een kardinaal uit de Renaissance kon vastleggen en toch de uniciteit van deze persoon kon weergeven. De effectieve weergave van de kwaliteiten van de stoffen, zoals de glans van de rode zijden muceta, getuigt van een directe kennis van de Venetiaanse schilderkunst. Het is niet voor niets gedocumenteerd dat Lorenzo Lotto in 1509 in het Vaticaanse paleis werkte en zijn mogelijke invloed op Rafaël is meer dan eens gesuggereerd.
Het werk wordt gedateerd rond 1510, een jaar voor Alidosi’s dood, vanwege de gelijkenis met het portret van Leo X (National Gallery), en de driehoekige compositie is duidelijk afgeleid van Leonardo’s motieven en in het bijzonder van de Mona Lisa.
icastisch adj. [van Gr. εἰκαστικός 'representatief', d. van εἰκάζω 'weergeven'] (pl. m. -ci). - Beschrijven, afbeelden of uitbeelden in zijn essentiële kenmerken, en dus effectief en vaak droog, scherp: stijl i.; uitdrukkingen i.; een icastische beschrijving. ◆ icastisch, realistisch; met directheid, met representatieve effectiviteit: icastisch beschrijven.
Dit is een van de mooiste schilderijen van de kunstenaar, waarin de neutrale achtergrond (schijnbaar een donkergroen gordijn of ophanging) de aandacht vestigt op het iets groter dan levensgrote model, wiens figuur een driehoek vormt dicht bij het beeldvlak. Het kleurengamma is niet breed maar wel heel levendig, en het is toegepast met buitengewone helderheid en vaardigheid. Het resultaat is dat het moiré-effect van de rode zijden mucete (waarin de lichten in roze zijn geschilderd) contrasteert met het zuivere wit van de mouw en een bijna tastbare indruk van de werkelijkheid geeft.
Bekijk op je scherm de details bij Museo del Prado:
De kern van beide kunstwerken, een gedicht (Het vlot) van Ted Kooser en het portret geschilderd door Rafael zou je kunnen gaan zoeken bij hun uitstekende vormgeving: de levendige beschrijving van de vier jonge kinderen op hun geïmproviseerd vlot en de technische knappe uitbeelding van een belangrijk personage uit de Renaissance. Beiden onder de noemer: ‘Net echt’. Emotioneel aanwezig.
In zijn boek ‘Het gelijk van Spinoza, vreugde, verdriet en het voelende brein’ toont neuroloog, hoogleraar ern schrijver Antonio Damasio, aan hoe gevoelens van vreugde, verdriet, jaloezie en angst essentieel zijn voor rationeel gedrag en het leveren van culturele prestaties. De auteur werpt een nieuw licht op de filosofie van Spinoza, die lichaam en geest zag als een samenhangende eenheid, en rationaliteit, emoties en gevoelens intuïtief beschouwde op een wijze die pas door de moderne neurologie kon worden aangetoond.
In Damasio’s verklaring staat een thema centraal waar ook Spinoza veel aandacht aan besteedde: het voelen. Pijn en genot zijn de essentiële bestanddelen van alle gevoelens. De gangbare opvatting is dat we eerst gevoelens hebben en daar vervolgens uiting aan geven, door gedrag of gelaatsuitdrukking. Damasio draait het om: de uiterlijk waarneembare emoties komen eerst en daarna de innerlijke gevoelens. Het onderscheid tussen emotie en gevoel valt volgens Damasio samen met dat tussen lichaam en geest. Emoties zijn geheel lichamelijk, pas bij de verinnerlijking ervan belanden we in het domein van de geest. Gevoelens zijn ‘mentale gebeurtenissen’, altijd verbonden met het lichaam. De emoties gaan aan gevoelens vooraf.
Zelfportret van Rafael ongeveer 23 jaar
Het gaat dus duidelijk over kunde en ver-innerlijking. Voorbij de eerste emoties, wegen naar ‘mentale gebeurtenissen’ . De kunde het ritme van het spel, de evolutie ervan en de uiteindelijke betovering in één gedicht samen te brengen met de laatste regel als open vraag aan de lezer. ‘De kardinaal’ kijkt je aan. Niet rechtstreeks maar vanuit zijn Mona Lisa-houding. De kunde om belichting en stofstructuren te verbinden met de menselijke aanwezigheid verbindt ons ondanks de tussenruimte van meer dan vijfhonderd jaar.
Natuurlijk wist Shakespeare het al. Aan het einde van Richard II, als de troon verloren is en de gevangenis dreigt, vertelt Richard zonder het te weten iets aan Bolingbroke over een mogelijk onderscheid tussen emoties en gevoelens. Hij vraagt om een spiegel, ziet zijn gezicht en wordt geconfronteerd met een schouwspel van ravage. Vervolgens merkt hij op dat ‘de uiterlijke jammerklachten’, die op zijn gezicht tot uitdrukking komen, ‘slechts schaduwen zijn van ongezien verdriet’, een verdriet dat ‘in stilte groeit in de gekwelde ziel’. Zijn verdriet bevindt zich, zoals hij zegt, ‘geheel van binnen’. In slechts vier versregels geeft Shakespeare aan dat het gebundelde en ogenschijnlijk enkelvoudige proces van gemoedsaandoeningen, dat we vaak nonchalant en onverschillig aanduiden als emotie of gevoel, in onderdelen kan worden geanalyseerd. (Antonio Damasio Het gelijk van Spinoza p.31)
Give me that glass, and therein will I read. (He takes the mirror.) No deeper wrinkles yet? Hath sorrow struck So many blows upon this face of mine And made no deeper wounds? O flatt’ring glass, Like to my followers in prosperity, Thou dost beguile me. Was this face the face That every day under his household roof Did keep ten thousand men? Was this the face That like the sun did make beholders wink? Is this the face which faced so many follies, That was at last outfaced by Bolingbroke? A brittle glory shineth in this face. As brittle as the glory is the face, -He breaks the mirror.- For there it is, cracked in an hundred shivers. Mark, silent king, the moral of this sport: How soon my sorrow hath destroyed my face.
Uit Richard II. Act 4, scene 1
Richard II of England
Hier ligt de beroemde Rafael. De Natuur, Moeder van alles, was tijdens zijn leven bang dat hij haar zou overvleugelen; maar toen hij stierf, ging ook Zij bijna dood. (Kardinaal Bembo bij de begrafenis van Rafael)
Henri Le Sidaner (Port Louis, Mauritius. 1862-Parijs 1939) en Henri Martin (Toulouse 1860-Labastide-du-Vert 1943) zou je volgens de titel van het mooie album, incluis catalogus, uitgegeven ter gelegenheid van een merkwaardige tentoonstelling in Parijs, volgend jaar in Nederland, deux talents fraternels kunnen noemen. Klinkt dat in hedendaagse kunst-oren een beetje vreemd, einde negentiende en nog een eind in de twintigste eeuw was een dergelijke ‘verbroedering’ niet zo ongewoon.
Henri Martin et Henri Le Sidaner ont toujours été regardés comme deux talents fraternels. Si l’on évoquait l’un, c’était immédiatement à l’autre que l’on songeait. Appartenant à une génération symboliste éprise de musique et de poésie, les deux artistes étaient avant tout des mordus de la nature. Ils en ont incarné les deux versants : les clartés ensoleillées de la terre méridionale et les effets apaisés de l’âme septentrionale.Ils participèrent au courant intimiste qui régna sur la Belle Époque. En respectant la véracité…
Henri Martin ‘Les Chaumières au soir’
Henri Martin, geboren in Toulouse in 1860, volgde een opleiding aan de Beaux-Arts in zijn geboortestad en vervolgens aan de École Nationale des Beaux-Arts in Parijs, waar hij al snel een kenmerkende stijl ontwikkelde die beïnvloed werd door de pointillistische technieken van Georges Seurat en Paul Signac, terwijl hij een persoonlijke toets behield die gekenmerkt werd door symboliek en een niet aflatende zoektocht naar licht. Vandaag de dag is hij het meest bekend om zijn idyllische landschappen en scènes van het plattelandsleven die baden in zacht, dromerig licht. Zijn stijl wordt gekenmerkt door een subtiel gebruik van pointillisme, met vleugjes levendige kleur die zijn werken een bijna mystieke sfeer geven. Onder zijn iconische werken is een serie schilderijen gewijd aan de Lot regio, waar hij een huis bezat in Labastide-du-Vert. Deze werken weerspiegelen zijn diepe verbondenheid met de natuur en de rust van het plattelandsleven. (artactif)
Henri Le Sidaner werd geboren aan de kusten van Mauritius in 1862… voordat hij opgroeide in Duinkerken, studeerde aan de Beaux-Arts in Parijs en ging werken in het atelier van de schilder Alexandre Cabanel. Net als Henri Martin werd Le Sidaner beïnvloed door het impressionisme, maar hij ontwikkelde ook een meer persoonlijke en intieme benadering. Zijn werk wordt vaak geassocieerd met een sfeer van rust en sereniteit, met composities die spelen met de subtiele nuances van licht en kleur. Hij staat bekend om zijn schilderijen van tuinscènes, gedekte tafels en ramen die uitkomen op schemerlandschappen. Hij is ongeëvenaard in het creëren van momenten van stilte en contemplatie, vaak verstoken van menselijke figuren, waardoor een gevoel van mysterie en melancholie ontstaat. Le Sidaner werd ook vaak vergeleken met symbolistische kunstenaars vanwege zijn vermogen om een sfeer op te roepen in plaats van de werkelijkheid getrouw weer te geven. (artactif)
Kanaal in Brugge bij schemering ca 1898
Henri Le Sidaner ‘Petite table dans le crépuscule du soir. 1921
Comme l’écrit Ingrid Dubach-Lemainque, « le premier appartient au terroir lumineux du Sud-Ouest, lieu de ses retraites estivales près de Cahors : le second se nourrit des cieux de Normandie, établissant à Gerberoy, à la limite de la Picardie, un domaine où il a créé un jardin fleuri merveilleux. N’est-ce pas finalement merveilleux d’entretenir une amitié fidèle lorsqu’on vit aux antipodes d’un pays ? Sans compter qu’artistiquement, les influences deviennent ainsi infinies.
Onze karakters verschilden enigszins, maar onze visie op kunst kwam precies overeen (Henri Martin)
« Nos natures étaient un peu différentes, mais nos visions d’art étaient parallèles. » « Henri Martin est très timide, souligne Yann Farinaux-Le Sidaner, rugueux, batailleur, et Le Sidaner est très réservé sans être timide et s’exprime avec une infinie distinction. »
(Cahors) Autoportrait 1912 – Henri Martin – Dépot d’Orsay
Henri Martin et Henri Le Sidaner ont toujours été regardés comme deux talents fraternels. Si l’on évoquait l’un, c’était immédiatement à l’autre que l’on songeait. Appartenant à une génération symboliste éprise de musique et de poésie, les deux artistes étaient avant tout des mordus de la nature. Ils en ont incarné les deux versants : les clartés ensoleillées de la terre méridionale et les effets apaisés de l’âme septentrionale. Ils participèrent au courant intimiste qui régna sur la Belle Époque. En respectant la véracité des apparences, nos artistes s’attachèrent à rendre la poésie, la tendresse, la dévotion de leurs sujets, « le sens intime des spectacles de la vie ». C’est ainsi qu’ils surent véritablement créer une connivence avec le spectateur et qu’ils furent qualifiés d’intimistes.
Auteurs: Yan Farrinaux-Le Sidaner en Marie-Anne Destrebecq Martin
Sommaire
Deux talents fraternels Les succès précoces d’Henri Martin Les débuts hésitants d’Henri Le Sidaner Le Paris fin de siècle Les expositions de la Belle Époque Les compositions monumentales d’Henri Martin Gerberoy Labastide-du-Vert et Saint-Cirq-Lapopie La Grande Guerre Les Années folles L’Académie des Beaux-Arts Peintres et musiciens La postérité
45 euro, aan te raden voor uren lees- en kijkplezier.
Portrait de Jean Jaures. Henri MartinHenri Le Sidaner. ‘L’eau morte’. (1901). Pastel on canvas
En een fragment uit het boek waarin de verwantschap met het Vlaamse (Belgische) hinterland wordt bezongen, deze tekst met als titel: ‘Les voyages d’ études.’
Un des traits marquants de cette fin de siècle fut l’ échange entre les artistes français et belges. Les symbolistes parisiens avaient ouvert leurs bras aux poètes flamands qui choisirent d’écrire en français. Ayant fini de grandir a deux pas de leur sol, Le Sidaner incarnera pleinement cette fraternité entre les deux pays. Sans doute grace à Gabriel Fabre qui, très tôt, s’était passionné pour la jeune école belge, le peintre admira profondément Maurice Maéterlinck, Charles Van Lerberghe, Max Elskamp ou Emile Verhaeren dont il deviendra l’ami.
Martin et Le Sidaner furent invites au Salon de la Libre Esthétique de Bruxelles, haut foyer de l’art indépendant qui conviait les plus grands noms de la peinture internationale à exposer aux côtés de l’avant-garde belge. Le premier, au début de l’année 1898, eut l’occasion de visiter Bruges qui ravit son coeur plus que son pinceau : “Ah mon ami, écrivit-il à Rivière, le beau petit voyage que je viens de faire a Dunkerque dans les dunes et dans la veille ville flamande de Bruges. Ah que c’ était beau, et triste, mon pauvre ami. Notre Midi n’ a pas cette intense poésie qui arrache des larmes, comme ces brouillards du Nord où certes je ne veux que passer.”
En revanche le séjour que fit, a l’été suivant, Le Sidaner en Flandre allait être une révélation qui transforma profondément son oeuvre“ : “ Veinard, lui écrivit Martin, tu es a Bruges.” Quoi de plus enchanteur pour un artiste septentrional que de contempler dans l’ enchevetrêment des canaux le souvenir presque intact d’une opulence passée ? Venu pour quelques jours, l’artiste restera en tout un an et demi à Bruges. C’est là véritablement, en s’ attachant à la poésie des cites somnolentes, qu’il trouva la direction de son art : “C’ est là, écrivit Mauclair, qu’il commença d’être tout a fait lui-même. »
Hneri Le Sidaner. ‘Le quai’. 1898
Een van de belangrijkste kenmerken van dit fin de siècle was de uitwisseling tussen Franse en Belgische kunstenaars. De Parijse symbolisten hadden hun armen geopend voor de Vlaamse dichters die ervoor kozen om in het Frans te schrijven. Le Sidaner, die opgroeide op een steenworp van hun grondgebied, zou deze broederschap tussen de twee landen volledig belichamen. Ongetwijfeld dankzij Gabriel Fabre, die van jongs af aan grote belangstelling had voor de jonge Belgische school, bewonderde hij de schilders Maurice Maéterlinck, Charles Van Lerberghe, Max Elskamp en Emile Verhaeren met wie hij bevriend werd.
Martin en Le Sidaner werden uitgenodigd voor de Salon de la Libre Esthétique in Brussel, een broeinest van onafhankelijke kunst waar de grootste namen uit de internationale schilderkunst werden uitgenodigd om samen met de Belgische avant-garde tentoon te stellen. De eerste, begin 1898, kreeg de gelegenheid om Brugge te bezoeken, wat zijn hart meer in verrukking bracht dan zijn penseel: “Ach mijn vriend,” schreef hij aan Rivière, “het mooie uitstapje dat ik zojuist heb gemaakt naar Duinkerken in de duinen en naar de oude Vlaamse stad Brugge. Ach, wat was het mooi en verdrietig, mijn arme vriend. Onze Midi heeft niet die intense poëzie die tranen doet opwellen, zoals die mist van het noorden waar ik zeker alleen maar doorheen wil.”
Aan de andere kant zou Le Sidaners verblijf in Vlaanderen de zomer daarop een openbaring zijn die zijn werk diepgaand zou veranderen: “Bofkont,” schreef Martin hem, “je bent in Brugge.” Wat is er meer betoverend voor een noordelijke kunstenaar dan in de wirwar van grachten de bijna ongeschonden herinnering aan een voorbije weelde te aanschouwen? Na een paar dagen bleef de kunstenaar anderhalf jaar in Brugge. Het was daar dat hij echt de richting voor zijn kunst vond, door zich te hechten aan de poëzie van de slaperige steden: “Het was daar,” schreef Mauclair, “dat hij volledig zichzelf begon te zijn.”
Tot dat andere kind niet meer achter de spiegel zal te vinden zijn maar als kijker zichzelf herkent, tot dan mag er van enige onbevangenheid sprake zijn.
Edward Coley Burne-Jones. The Mirror of Venus. 1870-76
According to Christopher Wood, "No picture illustrates better Burne-Jones's unique genius for blending together the two traditions of Pre-Raphaelitism and the Italian Renaissance into a new aesthetic style than The Mirror of Venus. The scene is purely imaginary, and shows Venus and her maidens gazing at their reflections in a pool of water. The landscape is arid and rocky; these strangely lunar landscapes were to become a recurring feature of his art, widely imitated by his followers. The mood and the colour are Pre-Raphaelite, but the conscious sweetness and elegance of the figures recall the Italian Renaissance, and, in particular, Botticelli, an artist greatly admired by Burne-Jones, and later to become a cult among fashionable aesthetes. (Victorian Web)
Margaret Burne Jones. Schilder: Edward Burne-Jones 1885-1886
Langs ‘de mannenkant’ gaf het schilderij met de groep mooie meisjes die zich uitvoerig spiegelen natuurlijk aanleiding tot voor de hand liggende spot, verspreid als een briefkaart:
Studie voor de ‘The mirror of Venus’. Kijk naar het mooie ritme dat verwondering heet.
Study for the Mirror of Venus
Even vergeten dat een van de voornaamste ‘spiegelaars’ wel degelijk bij de mannelijk kunne mag gerekend worden.
Narcissus. geschilderd door Caraveggio
Maar als de spiegel de tijd ontmaskert. Tussen wat was en wat worden zal. 'Boetvaardige Magdalena bij kaarslicht'.
‘De boetvaardige Magdalena’. Georges de la Tour 1640
De spiegel is een meester in illusie. Hij kan onze perceptie van de werkelijkheid manipuleren door middel van complexe optische illusies. Wanneer we door een spiegel kijken, kunnen de afmetingen van een kamer veranderen. De spiegel laat ons altijd maar een deel van de werkelijkheid zien, afhankelijk van de hoek waaronder we erin kijken. We zien alleen een gereflecteerde werkelijkheid die niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de waarheid. Het beeld verliest zijn geloofwaardigheid in de spiegel. De spiegel is een speeltje van het licht, een instrument van de waarneming en een symbool van misleiding en illusie. (Lea Finke Fine Arts)
Julie Lebrun met Spiegel. Elisabeth Vigée-Lebrun 1787
De ontdekking van het verband tussen jonge kijkers en hun zelfbeeld is voor hedendaagse jochies vanzelfsprekender dan hun lotgenootjes uit de achttiende eeuw. Het blikkenspel tussen personage en toeschouwer dat via reflectie tot stand komt, kun je als een psychologische werking van de spiegel beschouwen. Door jezelf gezien worden. Vroege vormen van reflectie. Nu al vlug op talrijke thuis- en schoolschermen mogelijk.
Those who find ugly meanings in beautiful things are corrupt without being charming. This is fault. Those who find beautiful meanings in beautiful things are the cultivated. For these there is hope.”
Oscar Wilde in The Picture of Dorian Gray uit 1891
Vrouw met spiegel. Giovanni Bellini. 1515
Een uitvoerige thesis ‘Reflections on Reflections, De spiegel in Belgische en Britse kunst. 1848-1918’ van Jana Wijnsouw met uitvoerig beeldmateriaal kun je raadplegen:
Keert zich een paar keer voor de spiegel heen en weer zoals een vogel voor een andere vogel doet bekijkt zichzelf als voor het eerst schikt en herschikt aan schouder, kraag, likt aan haar lipstick, tuit, fluit als een vogel, rekt zich van graagte strekt haar nek, lokroept in zich, giechelt, vliegt.
Judith Herzberg In: Zoals (1987).
Albert Chevallier Tayler – The Mirror, 1914 (detail), oil on canvas
Niet meer de spiegel maar jij die mij aankeek en daarna woordeloos vertelde wat je blijkbaar had gezien. Jij, mijn barmhartige spiegel, lief.
Weinig waarschijnlijk portret van de jonge Schubert Josef Abel 1814
Nog geboren op de rand van de 18de eeuw (1797), op de rand van de januari-maand, 31ste dus, en op de rand van een dozijn kinderen, het twaalfde van Franz Theodor en Maria Elisabeth Katherina Vietz, en dat in een buitenwijk, rand van de hoofdstad Wenen. De bescheiden woonst diende ook als klaslokaal waar zijn vader nauwelijks de kost verdiende met zijn job als muziekleraar.
Bekijk je het fraaie portret geschilderd door Josef Abel en lees je getuigenissen van eigentijdsen die hem gekend hebben, dan is zijn gezette gedrongen gestalte, 1m 52cm, met korte nek en korte dikke vingers (die voor een schitterend pianospel zorgden, dat alvast) en zijn bijnaam ‘Zwammetje ‘(Schwammerl) niet onmiddellijk te rijmen met het portret van een dromerige best wat wereldvreemde, maar uiterst verfijnde jongeman dat je hierboven kunt bekijken. En…dan moet je zijn muziek horen, zoals het trio op. 100, Andante con moto.
Bekijk je dan nog zijn uiterst korte leven, hij stierf op 19 november 1828, werd dus niet eens 32 jaar, met deze zin op zijn grafsteen: “Hier begroef de dood een rijke schat, maar nog mooiere beloften.”
‘Een onvoltooid leven’, Franz Schubert Schmerz en de schaduw van Beethoven, een boek geschreven door Robert Joost Willink.
Dit boek volgt Schubert op de weg naar zijn eigen Kunstmusik, zoals hij deze in zijn strijkkwartetten, pianowerk en symfonieën gestalte gaf, waarbij hij bij alles wat hij schreef onvermijdelijk Beethovens schaduw voelde. Beethoven haalde bij hem het beste naar boven. De jonge componist werd zo door Beethoven geïnspireerd dat hij al zijn “leed” inzette bij het componeren van een nieuwe Kunstmusik. Zonder Beethovens compromisloze opvattingen over muziek was de “Schubert” zoals wij die kennen er niet geweest. (Eburon, Academic Publishers)
Leuk menselijk detail: Bijzondere inspiratie kwam van zijn koffiemolen. Al draaiend om de bonen te vermalen kwam hij onder meer op de thema’s voor het strijkkwartet ‘Der Tod und das Mädchen’. ‘Dagenlang zoek je naar een idee, en dit kleine machientje vindt het in een mum van tijd.’ (Website Het Concert Gebouw)
Schuberts bril (Schubert Geburtshaus Wien) Foto: Graham Fellows
En dan waren er de “Schubertiades”. Op een rij gezet :
De term ontstond begin 19e eeuw naar aanleiding van de bijeenkomsten waarop Franz Schubert met zijn vriendenkring van collega-componisten en -musici samenkwam. Het waren salonavonden met een huisconcert-achtige opzet.[2]
Deze bijeenkomsten waren soms aan huis bij een van de deelnemers, maar ook in de koffiehuizen van Wenen. De Schubertiades – ook gekscherend "Kanevas"-avonden genoemd (welke hun naam ontleenden aan Schuberts stereotiepe vraag "Kann er was?" bij het voorstellen van een kennis van een van zijn vrienden) – kenmerkten zich doordat er uitbundig werd voorgelezen en gemusiceerd, en soms ook gedanst en gefeest.
Bekende bezoekers van de Schubertiades waren Josef von Spaun, Franz Lachner, Moritz von Schwind, Wilhelm August Rieder, Leopold Kupelwieser, Eduard von Bauernfeld, Franz von Schober, Franz Grillparzer en andere vrienden van Schubert zoals de zanger Johann Michael Vogl, voor wie Schubert talrijke van zijn liederen componeerde. Veel van Schuberts composities (niet enkel liederen) werden tijdens de Schubertiades ten doop gedragen.
De avonden werden financieel vaak gedragen door Schuberts rijkere vrienden, en kenden bezoekersaantallen van een handjevol tot meer dan honderd man. (Wikipedia)
Schubertiade, met Schubert achter het klavier. (fragment) Julius Schmidt 1897
‘In Schuberts tijd heerste bij regeringspersonen een grote angst voor herhaling van de revolutie. De Franse revolutie had, naast chaos en gigantische oorlogen, ook de traditionele standensamenleving in het ongerede gebracht. Schubert maakte mee dat er, net als overal in Europa, een regime opkwam van spionnen die geheime genootschappen moesten melden aan de politie. Daarnaast was er een grote censuur. In de gezelschapjes van Schubert probeerde men de vrije geest hoog te houden, tegen de verdrukking in. Dat was niet zonder gevaar.’
‘Schubert gold in zijn eigen tijd als een soort Geheimtipp. Hij was bekend in beperkte kring, terwijl hij het overgrote deel van zijn muziek – symfonieën en opera’s – niet kreeg uitgevoerd. Hij was vooral geliefd om zijn liederen en zijn kamermuziek. Schubert stierf jong – op zijn 31ste in 1828 – en pas halverwege de 19e eeuw werd zijn grote talent echt onderkend. Pas toen nam zijn populariteit een enorme vlucht. Schubert groeide uit tot een soort cultfiguur, maar werd ook geclaimd door de Weners van de late negentiende eeuw. Ze omhulden hem met nostalgie, maakten een Weense troetelcomponist van hem, als een porseleinen poppetje in kitscherige Biedermeierstijl. Het is een beeldvorming die nog steeds sterk aan hem kleeft, maar die de lading van de man en zijn muziek totaal niet dekt. Luister naar Schuberts lied “Der Doppelgänger”, en dan hoor je meteen wat we bedoelen.’
Uit: ‘Uit: ‘Der Döppelgänger-Schuberts verhaal volgens twee kenners, Amare met musicologe Saskia Törnqvist en muziekhistoricus Luc Panhuysen
Der Doppelgänger (Heinrich Heine 1823, publ. 1824)
Still ist die Nacht, es ruhen die Gassen, In diesem Hause wohnte mein Schatz, Sie hat schon längst die Stadt verlassen, Doch steht noch das Haus auf demselben Platz.
Da steht auch ein Mensch und starrt in die Höhe Und ringt die Hände vor Schmerzensgewalt; Mir graust es, wenn ich sein Antlitz sehe, Der Mond zeigt mir meine eigne Gestalt.
Du Doppelgänger, du bleicher Geselle, Was äffst du nach mein Liebesleid, Das mich gequält auf dieser Stelle So manche Nacht, in alter Zeit?
Hedendaagse prent The Masters Music School London
The doppelgänger
Part of 13 Lieder nach Gedichten von Rellstab und Heine (“Schwanengesang”), D 957
The night is quiet, the alleyways are at rest, My treasure used to live in this house; She left the town long ago, But the house is still standing in the same place.
There is a man standing there too and he is staring up high, And he is wringing his hands as a result of overwhelming pain; I feel terrified when I see his face, – The moon shows me my own form.
You doppelgänger, you pale guy! Why are you aping my love agony, The pain that tormented me on this spot, So many nights in the old days?
Four Putti flying Anonymus ? Volger van Cambiaso, Luca) XVI century Museo del Prado
Zwaartekracht schijnt voor deze vliegende putti onbestaand. Hun dartele manier van bewegen is eerder tuimelen. Onbevreesd in de diepte vallen waar op aarde Wassily Kandinsky met tinten blauw en groen omgeven, de vrucht- of bloemen dragende boom borstelde, herfst in Murnau. Kijk.
Gravity seems non-existent for these flying putti. Their frisky way of moving is rather tumbling. Falling fearlessly into the depths where on earth Wassily Kandinsky surrounded with shades of blue and green, brushed the fruit- or flower-bearing tree, autumn in Murnau. See.
The falling leaves drift by the window The autumn leaves of red and gold I see your lips, the summer kisses The sun-burned hands I used to hold
Since you went away the days grow long And soon I'll hear old winter's song But I miss you most of all my darling When autumn leaves start to fall
Het gevoel van dat noodzakelijke schoolopstel, een wandeling in de herfst, en dan vanuit je kamer dromen verzinnen -buiten is het nog te nat of gevaarlijk- en hoe zeere vallen z’af, de zieke zomerblaren van Gezelle daarna met puberstem op tape achterlaten want ik moet naar het zangkoor, ma- terwijl de lente in je lijf niet weet waar eerst uit te barsten, maar ook verloren lopen in weemoed, het wentelt onder ’t vallen en tenslotte voor levenslang sonnet 73 van de grote meester lezen en het jaren later begrijpen vanaf de eerste zin: ‘Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou.’
Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou, als een of twee, of geen, geel blad nog hangt aan takken die zich schudden in de kou- naakt koorskelet, eens zoet van vogelzang. Jij ziet in mij de schemer van de dag, wanneer, ver west, het laatst, veeg licht vertrekt, al haast vertreden door de zwarte nacht, Doods schaduwbeeld, die 't al in doodsrust dekt. Jij ziet in mij het gloeien van de gloed die jeugdig vuur nog aanhoudt op zijn as als op het doodsbed waar het sterven moet, verteerd met dat wat eens zijn voedsel was. Het sterkt je liefde, zou je daarvan leren te minnen wat jou weldra zal mankeren.
(vertaling H.J.de Roy van Zuydewijn)
Denk je aan de titel van deze bijdrage: ‘Herfst, de kunst van het vallen’, dan gaat het de opsteller eerder over de diepte dan over het oplopen van kwetsuren. Denk aan Alice in Wonderland, zij valt in een konijnenpijp en komt daardoor in een absurde wereld terecht. Vallen is nieuwe evenwichten verkennen, jezelf bevragen, loslaten dus. De schrik voor de diepte overwinnen.
Wie ben jij?’ vroeg de rups.
Dat was geen bemoedigend begin voor een eerste gesprek. Alice antwoordde, nogal verlegen: ‘Ik… Ik heb geen idee, meneer, wie ik nu ben. Ik wist wie ik was toen ik vanochtend wakker werd, maar ik moet tenminste al wel zes keer veranderd zijn sindsdien.’ ‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg de rups streng. ‘Leg eens uit!’
‘Ik ben bang dat ik het niet zo goed uit kan leggen, meneer…’ stamelde Alice. ‘Omdat ik niet mezelf ben, ziet u.’
Het is maar één voorbeeld, maar in de kortende dagen, het vroege donker, de herdenking van wie ons voorgingen, de innigheid van de kersttijd, de hoop op het nieuwe jaar, spreekt het raadsel van wat, wie en waarom ons voortdurend aan. Je in de diepte toelaten kan voor wonderlijke dagen zorgen.
Herbsttag
Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross. Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren, und auf den Fluren lass die Winde los. Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage, dränge sie zur Vollendung hin und jage die letzte Süsse in den schweren Wein. Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben, wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben und wird in den Alleeen hin und her unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.
Rainer Maria Rilke
Herfstdag
Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots. Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw, en stel de velden aan de winden bloot. Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;
verleen hun nog twee zuidelijker dagen, stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag de laatste zoetheid in de zware wijn. Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.
Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven, zal waken, lezen, lange brieven schrijven, in lanen rusteloos dwalen, telkens weer, als op de wind de blaren zullen drijven.
Wat is een gedicht? Een verstekeling in de stilte, op woorden betrapt.
(G. van der Graft)
De vindplaats een naam geven. Zeggen we: een gedicht. Het hoort perfect thuis in de stilte, maar…het blijft een ‘verstekeling’. Het ver-breekt de stilte. De woorden ervan verbergen zich in de stilte. Ze horen bij de stilte, zijn wellicht uit haar ontstaan maar verraden haar ook, doorbreken haar.
Toch kunnen ze niet zonder elkaar. Wellicht is het de bedoeling om met die woorden de essentie van de innerlijke stilte te benaderen, haar als water of vruchtbare aarde te beschouwen waaruit de woorden naar hun innigste betekenis zoeken, alle overbodigheid vermijden, om na hun verschijnen opnieuw in de stilte te verdwijnen
Maar…ze blijven ‘verstekelingen’. Blinde passagiers. Eens ontscheept (gelezen dus) bestaat de kans dat ze voor lange tijd bij jou blijven wonen.
Echter…eens het gedicht, of…de muziek in jouw wezen thuis is gekomen, verandert de wereld. De Zweedse dichter Lars Gustavson beschijft dat proces in ‘De stilte van de wereld voor Bach’. De muziek die zelfs het woord overstijgt.
"Er moet een wereld bestaan hebben voor de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur, maar hoe zag die wereld er uit?"
Hier kun je naar die prachtige triosonate luisteren:
DE STILTE VAN DE WERELD VOOR BACH
Er moet een wereld bestaan hebben voor de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur, maar hoe zag die wereld er uit? Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank, overal onwetende instrumenten waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier nooit over een claviatuur waren gegaan. Eenzaam gelegen kerken waar de sopraanstem uit de Johannes Passion zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde rond de mildere windingen van de fluit, weidse zachtmoedige landschappen waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn het gezonde geluid van sterke honden in de winter en - als een slingerklok - schaatsen klauwend in glansijs; zwaluwen schermend in de zomerlucht schelp waar het kind aan luistert en nergens Bach, nergens Bach schaatsstilte van de wereld voor Bach.
(uit De stilte van de wereld voor Bach, Lars Gustavson, vertaling en samenstelling J, Bernlef, 1988)
De aria 'Zerfließe, mein Herze' uit de Johannes-Passion, hier uitgevoerd door de Nederlandse Bachvereniging voor All of Bach. De Johannes-Passion was de eerste passiemuziek die Bach als cantor in Leipzig schreef. Het passieverhaal zoals dat wordt verteld in het evangelie van Johannes, verschilt van dat in de drie andere evangeliën – die van Matteüs, Lucas en Marcus. De nadruk ligt bij Johannes op de goddelijke afkomst van Jezus. Door het lijden heen blijft die goddelijke afkomst steeds een rol spelen, Jezus wordt nergens zo menselijk als in de andere evangeliën.
Poetry of silence from Jaume Plensa i Suñé
Uit ‘The Aesthetics of Silence’ van Susan Sontag (1933-2004)
“De keuze van de voorbeeldige moderne kunstenaar voor stilte wordt zelden doorgevoerd tot dit punt van uiteindelijke vereenvoudiging, zodat hij letterlijk stil wordt. Typischer is dat hij blijft spreken, maar op een manier die zijn publiek niet kan horen…”
“De chronische gewoonte van de moderne kunst om haar publiek te ontstemmen, provoceren of frustreren kan worden gezien als een beperkte, plaatsvervangende deelname aan het zwijgideaal dat in de hedendaagse esthetiek is verheven tot een belangrijke norm voor “ernst”.
“Maar het is ook een tegenstrijdige vorm van deelname aan het zwijgideaal. Het is niet alleen tegenstrijdig omdat de kunstenaar kunstwerken blijft maken, maar ook omdat de afzondering van het werk van zijn publiek nooit duurt… Goethe beschuldigde Kleist ervan dat hij zijn toneelstukken had geschreven voor een “onzichtbaar theater”. Maar uiteindelijk wordt het onzichtbare theater “zichtbaar”. Het lelijke, disharmonische en zinloze wordt “mooi”. De geschiedenis van de kunst is een aaneenschakeling van succesvolle overtredingen.”
Illustration by John Vernon Lord from a rare edition of Through the Looking-Glass and What Alice Found There.
The exemplary modern artist’s choice of silence is rarely carried to this point of final simplification, so that he becomes literally silent. More typically, he continues speaking, but in a manner that his audience can’t hear…
Modern art’s chronic habit of displeasing, provoking, or frustrating its audience can be regarded as a limited, vicarious participation in the ideal of silence which has been elevated as a major standard of “seriousness” in contemporary aesthetics.
But it is also a contradictory form of participation in the ideal of silence. It is contradictory not only because the artist continues making works of art, but also because the isolation of the work from its audience never lasts… Goethe accused Kleist of having written his plays for an “invisible theatre.” But eventually the invisible theatre becomes “visible.” The ugly and discordant and senseless become “beautiful.” The history of art is a sequence of successful transgressions.
‘The Aesthetics of Silence’ van Susan Sontag (1933-2004)
“Stilte” houdt nooit op haar tegendeel te impliceren en afhankelijk te zijn van haar aanwezigheid: net zoals er geen ‘op’ kan zijn zonder ‘neer’ of ‘links’ zonder ‘rechts’, zo moet men een omringende omgeving van geluid of taal erkennen om stilte te herkennen…
“Een echte leegte, een pure stilte is niet haalbaar – niet conceptueel en niet feitelijk. Alleen al omdat het kunstwerk bestaat in een wereld die is ingericht met vele andere dingen, moet de kunstenaar die stilte of leegte creëert iets dialectisch produceren: een volle leegte, een verrijkende leegte, een resonerende of welsprekende stilte. Stilte blijft, onontkoombaar, een vorm van spreken (in veel gevallen van klagen of aanklagen) en een element in een dialoog.” (ibidem)
A binaural torso for spatial recording inside the anechoic chamber at Orfield Laboratories.Credit…Alec Soth/Magnum, for The New York Times
De ’totale’ stilte maakt je inderdaad gek. De ervaringen in ‘de dode ruimte’ van een studio, een plaats met 0,0 echo-waarden, zijn geen waarborg voor een prettige verblijfplaats.
“You’ll hear your heart beating,” Orfield was quoted as saying. And: “In the anechoic chamber, you become the sound.” The experience was so “disconcerting,” The Daily Mail reported, that no one had ever “survived” a visit of longer than 45 minutes. (NY Times Could I survive the quietest place on earth?)
De geluiden van het dagelijks leven zijn dus niet altijd onmiddellijk storend, al verkies ik graag de stilte van het bos boven de ritmes van voorbijflitsende wagens op een autoweg. En luister naar deze opname:
De ‘drukke’ wereld blijft aanwezig, maar de rust van het kabbelend water zal je zonder veel moeite naar een bucolisch landschap voeren. Stilte is ook je van de drukte en haar geluiden kunnen ontdoen door je te concentreren op je al dan niet scheppend werk, om je innerlijke wereld vanuit de verworven stiltes ook te kunnen wapenen tegen het alledaagse geweld. De stilte van je innerlijk bestaan.
Johan Christian Dahl, Noors landschap met regenboog, 1821, Statens Museum for kunst, Kopenhagen
“Wanneer hij eenmaal is begonnen met praten, is het lastig Zwagerman te onderbreken. Voorbeelden van stilte in de literatuur, in zijn eigen werk of dat van Gerard Reve, en stilte en verdwijning in de kunst, zoals bij perfomance-kunstenaar Marina Abramovic, omschrijft hij kleurrijk. ‘Door zielsverhuizing weet je pas wat stilte is. Luister maar naar Prince, een volbloed romanticus. In een nummer dat If I was your girlfriend heet, eindigt hij met de zin ‘Now I know what silence looks like’. Kortom: de ik-figuur probeert door de stilte en in de stilte zijn geliefde te bereiken. En niet door zijn geliefde te bezitten en haar te willen, maar door de ander te willen zijn.’ Zelf hoopt hij nu een aanstekelijk beeld voor de lezer te hebben beschreven van deze zoektocht naar de stilte.”
(Het Parool: Laatste gesprek met Joost Zwagerman: over stilte en zelfverdwijning. Aimée Plukker en Kim Visbeen 10 sept. 2015)
Deze versie van een dreigend onweer is al een copie van het oorspronkelijke doek van de Russische landschapsschilder Nikolai Doubovskoi, in 1890 tentoongesteld en door Tsaar Alexander III onmiddellijk aangekocht. Dat oorspronkelijke doek kun je hieronder bekijken:
Er zwerven zeker nog meer al dan niet ‘officiële’ versies rond in diverse uitvoeringen want het thema van ‘de dreigende stilte’ spreekt aan, heeft vaak al een eigen ervaringscontext. Herinner je. In mijn eigen kindertijd zijn ze met de augustus-onweders verbonden. Geen angst, maar gordijnen open en stoelen op een rij alsof we naar een toneelstuk zouden kijken, tussen bliksem en donder aftellend. ‘Ja, het komt dichterbij!’ Olim meminisse iuvabit, later zal de herinnering genoegen verschaffen. Ja, later. Dus is enige troost voor dat helaas te vlug voorbije ‘later’ best op zijn plaats. De prachtige stemmen van Voces8 zingen ‘May it be’, het ‘Liedje van Enya’ uit de Lord of the Rings. Het betoverde eiland. (3’44”)
Liedje van Enya
May it be an evening star Shines down upon you May it be when darkness falls Your heart will be true You walk a lonely road Oh, how far you are from home Mornie utulie Believe and you will find your way Mornie alantie A promise lives within you now May it be the shadow's call will fly away May it be your journey on to light the day When the night is overcome You may rise to find the sun Mornie utulie Believe and you will find your way Mornie alantie A promise lives within you now A promise lives within you now
Ach, de nacht: verdoken en verdrongen bezoeken oude en vaak vertelde verhalen de noodzaak het wonder wakker te schudden; onwetend hoe en waar het zal verschijnen en of genezen of verschrikken aan de orde is.
Gmt
De nacht Wassily Kandinsky
Op zoek naar allerlei nachtelijke deurtjes om ‘oh’ of ‘ah’ te kunnen zeggen, vond ik een mooie, zeldzame vertaalde tekst van Kahlil Gibran, Libanese dichter en romanschrijver, bijna bij iedereen bekend met zijn werk ‘The Prophet’ uit 1933. Een overzicht, overgenomen van ‘gedichten nl.’
[Bsharri 1883 – New York 1931] Kahlil (óók gespeld als Khalil) Gibran was een Libanese dichter en romanschrijver. Hij schreef zowel in het Engels als in het Arabisch. Gibran verhuisde naar New York in 1912. Hij combineerde elementen van Oosters en Westers mystiek denken. Hij werd wereldbekend met aforistische, poëtische werken zoals De Profeet (1923) en Jesus, de Zoon van de Mens (1928).
Kahlil Gibran heeft met zijn poëtische werken geschiedenis geschreven; zijn boek 'De Profeet' is aangeslagen bij het publiek en wordt tot op de dag van vandaag door velen gebruikt als persoonlijke leidraad.
Hij staat in de Arabische wereld bekend als een onafhankelijk denker, die schreef met een voorkeur voor het kijken over grenzen en verschillen heen. Zijn werk is toegankelijk voor godsdienstigen en atheïsten. Behalve schrijven schilderde hij; zijn boeken worden soms verluchtigd door eigen werken.
Werk: Ara'is al-Muruj (Nymphs of the Valley, vertaald als Spirit Brides, 1906) al-Arwah al-Mutamarrida (Spirits Rebellious, 1908) al-Ajniha al-Mutakassira (Broken Wings, 1912) Dam'a wa Ibtisama (A Tear and A Smile, 1914) The Madman (1918) al-Mawakib (The Processions, 1919) al-‘Awāsif (The Tempests, 1920) The Forerunner (1920) al-Bada'i' waal-Tara'if (The New and the Marvellous,1923) The Prophet, (1923) Sand and Foam (1926) The Son of Man (1928) The Earth Gods (1929) The Wanderer (1932) The Garden of The Prophet (1933) Een foto uit zijn jeugdjaren vult aan wat niet dadelijk in taal te duiden is:
The Seven Selves By Kahlil Gibran
In the stillest hour of the night, as I lay half asleep, my seven selves sat together and thus conversed in whisper:
First Self: Here, in this madman, I have dwelt all these years, with naught to do but renew his pain by day and recreate his sorrow by night. I can bear my fate no longer, and now I rebel.
Second Self: Yours is a better lot than mine, brother, for it is given to me to be this madman’s joyous self. I laugh his laughter and sing his happy hours, and with thrice winged feet I dance his brighter thoughts. It is I that would rebel against my weary existence.
Third Self: And what of me, the love-ridden self, the flaming brand of wild passion and fantastic desires? It is I the love-sick self who would rebel against this madman.
Fourth Self: I, amongst you all, am the most miserable, for naught was given me but odious hatred and destructive loathing. It is I, the tempest-like self, the one born in the black caves of Hell, who would protest against serving this madman.
Fifth Self: Nay, it is I, the thinking self, the fanciful self, the self of hunger and thirst, the one doomed to wander without rest in search of unknown things and things not yet created; it is I, not you, who would rebel.
Sixth Self: And I, the working self, the pitiful labourer, who, with patient hands, and longing eyes, fashion the days into images and give the formless elements new and eternal forms—it is I, the solitary one, who would rebel against this restless madman.
Seventh Self: How strange that you all would rebel against this man, because each and every one of you has a preordained fate to fulfill. Ah! could I but be like one of you, a self with a determined lot! But I have none, I am the do-nothing self, the one who sits in the dumb, empty nowhere and nowhen, while you are busy re-creating life. Is it you or I, neighbours, who should rebel?
When the seventh self thus spake the other six selves looked with pity upon him but said nothing more; and as the night grew deeper one after the other went to sleep enfolded with a new and happy submission.
But the seventh self remained watching and gazing at nothingness, which is behind all things.
This portrait of 15-year-old Kahlil Gibran was made in 1898 by one of his mentors, photographer and publisher Fred Holland Day. (Library of Congress)
De zeven zelven. Kahil Gibran
In het stilste uur van de nacht, toen ik half lag te slapen, zaten mijn zeven zelven samen en spraken fluisterend met elkaar:
Eerste Zelf: Hier, in deze gek, heb ik al die jaren gewoond, met niets anders te doen dan zijn pijn overdag te vernieuwen en zijn verdriet ’s nachts te herscheppen. Ik kan mijn lot niet langer dragen en ik kom nu in opstand.
Tweede Zelf: Jij hebt een beter lot dan het mijne, broer, want het is mij gegeven om het vreugdevolle zelf van deze gek te zijn. Ik lach zijn lach en zing zijn gelukkige uren, en met drie gevleugelde voeten dans ik zijn heldere gedachten. Ik ben het die zou rebelleren tegen mijn vermoeiend bestaan.
Derde Zelf: En hoe zit het met mij, het door liefde geteisterde zelf, het vlammende merk van wilde passie en fantastische verlangens? Ik ben het liefdeszieke zelf dat in opstand zou komen tegen deze gek.
Vierde Zelf: Ik, onder jullie allen, ben de meest ellendige, want niets werd mij gegeven dan verfoeilijke haat en vernietigende afkeer. Ik ben het, het onstuimige zelf, geboren in de zwarte grotten van de Hel, die moet protesteren tegen het dienen van deze gek.
Vijfde Zelf: Nee, ik ben het, het denkende zelf, het fantasierijke zelf, het zelf van honger en dorst, degene die gedoemd is zonder rust rond te dwalen op zoek naar onbekende dingen en dingen die nog niet geschapen zijn; ik ben het, niet jij, die in opstand moet komen.
Zesde Zelf: En ik, het werkende zelf, de meelijwekkende arbeider, die met geduldige handen en verlangende ogen de dagen tot beelden boetseert en de vormloze elementen nieuwe en eeuwige vormen geeft – ik ben het, de eenzame, die in opstand moet komen tegen deze rusteloze gek.
Zevende Zelf: Hoe vreemd dat jullie allemaal in opstand zouden komen tegen deze man, want ieder van jullie heeft een voorbeschikt lot te vervullen. Ach! Kon ik maar zijn als een van jullie, een zelf met een vastbesloten lot! Maar dat heb ik niet, ik ben de nietsdoener, degene die in het stomme, lege nergens en nu zit, terwijl jullie druk bezig zijn met het herscheppen van het leven. Zijn jullie het of ik, buren, die in opstand moet komen?
Toen het zevende Zelf aldus sprak, keken de andere zes zelven met medelijden naar hem maar zegden niets meer; en naarmate de nacht dieper werd, viel het een na het ander zelf in slaap, omhuld met een nieuwe en gelukkige overgave.
Maar het zevende zelf bleef kijken en staren naar het niets, dat achter alle dingen ligt.
(vertaling Gmt)
Designed and created by Kahlil George Gibran, a bronze plaque of Gibran holding a copy of The Prophet—one of the best-selling books of all time—was set atop inscribed granite in 1977 at the edge of Boston’s Copley Square, where it memorializes the writer and artist’s legacy of humanitarianism and generosity.
Kees Verwey, Bloemstilleven met witte kom, jaartal onbekend Olieverf op doek, 68 x 89 cm incl. lijst Collectie Stichting Kees Verwey.
Sommigen zullen bij het horen van zijn naam aan Albert Verwey denken. Dat is de neef van Kees. (Amsterdam, 20 april 1900-Haarlem, 23 juli 1995). Ik kan je allerlei dingen gaan vertellen over Kees Verwey, maar stel dat je daar nieuwsgierig naar bent dan is het een kleine moeite om langs Wikipedia te lopen met diverse andere bronnen in de dichte en iets verdere omtrek. In zijn bloemstilleven hierboven trof mij de stilte. Het grootste gedeelte van Kees Verweys’ werk bestaat uit bloemstillevens, maar het was vooral dit bovenstaande stilleven dat door kleur, opstelling en in combinatie met het lege kommetje het woordeloze nabij bracht. Rust. Het donkere, een vlek rood, wit dat naar mauve tinten uitloopt, de blauw-groene achtergrond, de ronding van het lege kommetje. Stilte.
Drie minuten zestien seconden duurt het mooie gezang hierboven, Voces8 zingt een motet van Anton Brückner: ‘Locus iste’. Vertaald: Dit is de plaats.
'Deze plaats is door God gemaakt, tot een sacrament met niets te vergelijken, onberispelijk.'
'Locus iste a Deo factus est, inaestimabile sacramentum irreprehensibilis est.'
Deze Latijnse tekst wordt doorgaans gebruikt bij de wijding van een kerk of kapel, en Anton Brückner componeerde dit motet in 1869 voor de wijding van de votief kapel van de nieuwe kathedraal in het Oostenrijkse Linz, waar hij als organist werkzaam was.
‘Een filosoof vroeg de Boeddha ‘Kunt u de waarheid vertellen zonder woorden en zonder woordeloosheid ?’ Waarop de Boeddha zweeg. Omdat echte stilte voorbij woorden en woordeloosheid ligt werd de filosoof door dit antwoord bevrijd van zijn illusies. (EoR 13:323)
Schrift en beeld vond plaats in een tijd van nieuwe stromingen zoals Fluxus, performancekunst, pop art en de ontluikende minimal art. Tegenover die tendensen nam deze tentoonstelling een conservatieve en defensieve positie in. Wat de nieuwe stromingen vooral onhandelbaar maakte, was dat ze geen enkele toegang boden tot een achterliggende betekenis. Eind jaren vijftig had Yves Klein al zijn aversie tegen het lezen van kunst geventileerd: “I can no longer approve of a ‘legible’ picture, my eyes are not made to read a picture but rather to see it. Painting is color, and Van Gogh exclaimed: “I want to be liberated from I don’t know what prison”. I think he subconsciously suffered from seeing color cut up by line and its consequences.”
"Ik kan niet langer een 'leesbaar' schilderij goedkeuren, mijn ogen zijn niet gemaakt om een schilderij te lezen maar om het te zien. Schilderen is kleur, en Van Gogh riep uit: "Ik wil bevrijd worden uit ik weet niet welke gevangenis". Ik denk dat hij onbewust leed onder het feit dat hij kleur versneden zag worden door lijn en de gevolgen daarvan.”
De Witte Raaf: Eenzame beelden: over vormen van taal in kunst, Margriet Schavemaker Editie 104, juli-augustus 2003
Rond dezelfde tijd betoogde Susan Sontag in haar essay Against Interpretation dat in veel van de nieuwe kunst geen sprake was van een diepere betekenis. Daarom was dit soort kunst ook niet geschikt om te analyseren en te interpreteren: “What we decidedly do not need now is further to assimilate Art into Thought.”
Stilleven met strohoed, eind nov.-half december 1881 Vincent Van Gogh Olieverf op papier op doek
Met het stilleven van Kees Verwey bracht ik je naar het begrip ‘stilte’. Niet als betekenis, maar als ervaring. De volgende stap ‘Locus Iste’ gezongen door de voortreffelijke Voces8 voerde ons naar een gewijde plaats, naar een werkelijkheid waarin een contact tussen ‘het totaal andere’ en de beschouwer centraal kwam. Maar voorbij de woorden en de woordeloosheid zou je bij de bevrijding van je illusies uitkomen, besloten we met de Boeddha. Wat dat dan ook mag zijn.
Odilon Redon ‘L’ Art Céleste tekening Lithographie on paper
En als de cirkel rond is, kom je bij dezelfde kunstenaar, Odilon Redon, bij de stilte uit met dit bekende werk uit 1911. Het kreeg ‘stilte’ als naam. Stilte. Niet met de vermanende wijsvinger op de stoute lippen gedrukt, maar samen met wijs- en middelvinger, zoals je een kusje zou versturen naar de beminde. Vriendelijk verzoekend. Laten we stil zijn.
Odilon Redon ‘Silence ‘ c. 1911
Ik heb mij met moeite alleen gemaakt.
je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat het zoveel moeite kost alleen te zijn als een zon rollende over het grasveld
neem dan - vriend!- de mieren waar wonend in hun paleizen als een mens in zijn verbeelding -; wachten zij op regen en graven dan verder: het puur kristal is hen zand geworden.
in het oog van de nacht woon je als een merel, of als een prins in zijn boudoir: de kalender wijst het zeventiende jaar van Venetië en zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht.
Gerard van Honthorst ‘Margaeeta Maria de Roodere en haar ouders. 1652
Margareta de Roodere zit achter haar schildersezel. Ze kijkt ons aan, wijzend op een geschilderd portret van haar vader waar haar moeder naar kijkt. Gerard van Honthorst heeft het drietal op zijn beurt geportretteerd. Complimenteert Honthorst zijn leerlinge hier met haar vaardigheden als kunstenaar? Of strijkt hij zelf, als goede leermeester, de eer op? In tegenstelling tot het werk van haar leermeester is er van Van De Roodere zelf geen enkel schilderij bewaard gebleven. Kunst gemaakt door vrouwen werd eeuwenlang als inferieur aan dat van mannen gezien. (Centraal Museum Utrecht)
De sociale status van de schilders in de Republiek varieerde van dagloners via zelfstandige meesters tot goed beloonde hofkunstenaars zoals Michiel van Miereveld en Gerrit van Honthorst, die zich specialiseerden in het portretteren van hoge ambtenaren. In één zo’n portret vertegenwoordigde van Honthorst weer een ander type schilder: een welgestelde amateur die voor zijn plezier schilderde. Verschillende vrouwen werden op deze manier volleerde schilders. De meeste meesters waren mannen, maar er zijn meer dan een dozijn vrouwen geregistreerd die de status van meester hebben bereikt, met als bekendste Judith Leyster (1609-1660).
Maar…de allegorie van de schilderkunst van Gerard van Honthorst wordt door een vrouw gepresenteerd.
De Allegorie van de de Schilderkunst Gerrit van Honthorst 1648
Ze waren aanwezig! In de Barok. Ook als kunstenaressen.
Sofonisba Anguissola, Lavinia Fontana, Fede Galizia, Artemisia Gentileschi, Elisabetta Sirani, Virginia Vezzi, Orsola Maddalena Caccia en Giovanna Garzoni zijn de acht barokke dames die hun leven wijdden aan de schilderkunst. Sommigen onder hen leerden de schilderstiel in het atelier van hun vader. Ook bij 'In de stilte' goed vertegenwoordigd.
Isaac Claesz van Swanenburg (1568) vs. Sofonisba Anguissola (1556)
Het museum voor Schone Kunsten in Gent kondigt alvast voor 2026 een tentoonstelling aan met als werktitel ‘Vrouwelijke kunstenaars tussen 1600 en 1750’.
Nooit eerder werd een tentoonstelling volledig aan dit thema gewijd. Bezoekers zullen voor het eerst ervaren dat vrouwelijke kunstenaars in de Nederlanden allerminst zeldzaam waren. Ze speelden daarentegen zelfs een wezenlijke en onmisbare rol in de bloeiende artistieke economie van de lange 17de eeuw. Daarmee wordt 'Dames van de Lage Landen' een waardevolle nieuwe stap in het onderzoek naar vrouwelijke kunstenaars, en een verdere verbreding van thema's die het MSK in 2018 voor het eerst aanhaalde in de tentoonstelling 'De dames van de barok. Vrouwelijke schilders in het Italië van de 16de en 17de eeuw'.
Met werk van: Judith Leyster, Alida Withoos, Clara Peeters, Anna Maria Janssens, Johanna Koerten-Block, Rachel Ruysch, Geertruydt Roghman, Anna Maria van Schurman, Maria Faydherbe, Margareta de Heer, Maria Strick-Becq, Maria Sybilla Merian… en tal van anonieme kunstenaressen actief in de productie van kant- en borduurwerk.
Clara Peeters Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen (fragm)
En je moet al naar de blinkende rand van de kruik gaan kijken om een weerspiegeling van de schilderes Clara Peeters te vinden. En de naam van de kunstenares vind je aan de zijkant van het mes onder het schilderij.
Het MSK werkt voor deze tentoonstelling samen met het National Museum of Women in the Arts (NMWA, Washington D.C.), hét pioniersmuseum inzake onderzoek en tentoonstellingen over historische vrouwelijke kunstenaars. De tentoonstelling, die eerst in Washington zal te zien zijn tijdens het najaar van 2025, heeft als doel de rol van vrouwen binnen de diverse domeinen van de artistieke (luxe)productie zoals papierknipkunst, glasetskunst, kant- en borduurwerk, kalligrafie, beeldsnijkunst, grafiek en schilderkunst te belichten en in hun context te plaatsen.
Mary Wither of Andwell, early 1670s, by Mary Beale.
Wat zij wilde schilderen
Zij schildert wat zij niet kan eten niet kan bezitten niet beschrijven. Zij schildert wat niet stil blijft zitten niet gelijk blijft niet verandert. Zij schildert wat zij niet kan kweken niet kan vangen niet vergeten. Zij schildert wat zij niet kan raden pakken of begrijpen. Wat ze niet omhelzen kan verwennen of verwijten. Verwaarlozen, laten verwilderen. Omhakken, verscheuren. Verbranden. Betreuren. Zij schildert waar zij niet van slapen kan wat ze zich niet herinnert, niet in kleur. Wat zij niet zingen kan niet juichen. Het onomlijnde blijft onomlijnbaar lokken.
Judith Herzberg 1996
Self-Portrait at the Easel, c. 1548, by Catharina van Hemessen. The Kunstmuseum Basel. Source: Wikimedia.
The Boy with the Arrow (Portrait of the Artist’s Son) (1903), Douglas Volk -Smithsonian American Art Museum-
Ook hier is een toevallige vondst, een schilderij: ‘The Boy with the Arrow’ van de Amerikaanse schilder Douglas Volk (1856-1935) een aanleiding om het over een aspect van de ‘tijd’ te hebben. Laten we maar meteen de meester citeren: ‘Devouring Time’, of het negentiende sonnet van William Shakespeare:
19
Devouring Time, blunt thou the lion's paws
And make the earth devour her own sweet brood,
Pluck the keen teeth from the fierce tiger's jaws
And burn the long-lived phoenix in her blood,
Make glad and sorry seasons as thou fleet'st,
And do whate'er thou wilt, swift-footed Time,
To the wide world and all her fading sweets.
But I forbid thee one most heinous crime:
O carve not with thy hours my love's fair brow
Nor draw no lines there with thine antique pen.
Him in thy course untainted do allow,
For beauty's pattern to succeeding men.
Yet do thy worst, old Time. Despite thy wrong
My love shall in my verse ever live young
Tijd, veelvraat, leg de leeuwenklauw aan banden, Voer aarde op wat ze heeft uitgebroed, Ontdoe de tijger van zijn rotte tanden, Bereid de oude fenix in zijn bloed, Maak de seizoenen goed of laat ze kwijnen, Doe wat je wilt, jij gluiper Tijd, je ziet Al wat de wereld mooi maakt weer verdwijnen. Maar er is één ding dat ik je verbied. Kerf niet je uren in mijn liefs gezicht, En trek daar met je oude pen geen sporen, Spaar hem, een nieuwe generatie richt Zich op zijn schoonheid, die mag niet verloren. Ach, oude Tijd, doe maar je kwade werk. Mijn vers houdt mijn lief levend, jong en sterk.
vertaling: Willem van der Vegt 2008
The boy in the painting is Volk’s own son Leonard during that time in a boy’s life where he is no longer a boy yet not quite a man either. This painting was displayed around the time that Peter Pan was first introduced to the public. It’s thought that Peter Pan had many thinking about this time in a boy’s life called adolescence and might have influenced how popular this painting was at the time. The painting depicts young Leo sitting in the woods on a large rock while holding an arrow and looking into the distance as if contemplating some major decision. He is dressed as a typical American boy of the period and sits in the shade of a large tree.
Je moet al een beetje verder gaan zoeken naar de biografische achtergrond. Leo, eerste zoon van schilder en kunst-pedagoog Douglas Volk is heel jong gestorven. Nauwelijks acht jaar geworden. De dromerige jongen hierboven een voorloper van de geciteerde Peter Pan is een poging van de schilder de ‘devouring Time’ toch nog even te verschalken, of is de toewijzing gewoon een fout in het biografisch materiaal? Maar ook dan blijft het een poging om het snel voorbijgaan van de tijd te isoleren in een portret dat voor altijd het jeugdige bevriest. Er zijn immers talrijke vormen van aanwezigheid. Het beeld. Een gedicht. Zoals je de woorden uitspreekt, hun melodie hoort en de betekenis weer op een heel andere manier tot je doordringt. Luister. Een minuut veertien seconden.
Soms komt er een woord op bezoek. Een vermoeid woord. Vragen om onderdak.
Woord op bezoek
Gewoon een vermoeid woord was het, -of het enkele weken mocht logeren in de stille hoeken van het huis – er zijn als ik naar de rood verkleurende wingerd keek achter in de tuin, of naast de kat mocht slapen die zacht kreunend droomde, vier witte voetjes bij elkaar, kussentjes als uitstekende rustplaats voor een vermoeid woord. Ook in het strijklicht van de late middag in de veranda zou het zich ontrollen, zijn letters loslaten in de spiegeling van het vijverwater op de zoldering.
Onuitgesproken kon het zijn klanken met de vroege avond laten vallen. In het donker van mijn ogen slapen was veel gevraagd, maar het kon.
Van de boeken bleef het ver vandaan, het was maar een eenvoudig woord, zei het, wars van literaire pretenties, maar niet zo simpel of zo slaafs als een lidwoord, wel te lui voor dubbelzinnigheid.
Graag ontdaan van zijn betekenis zou het doorzichtig en onzichtbaar zijn, -ik dacht aan het volle maanlicht in het trappenhuis- maar in haar sluimerslaap schrok de poes toen het smartelijk om verloren letters riep.
Die nacht, in het donker van mijn ogen, droomde ik zijn verlangen om bij het ander woord te zijn. Met enkele krullen en wat streepjes meer zou het van zijn woordblindheid genezen. Een woordspeling hoefde niet, gewoon samen in het woordenboek wonen zoals ‚gaandeweg’ of ‚pepermunt’.
We werden heel vroeg wakker, droevig om elkaars tekort.
'On' en 'af', twee vermoeide woorden in een winternacht. Wie ons verenigde, herkende wel het eigen heimwee naar verloren letters en dies meer.
Onaf maar onafscheidelijk.
Gmt
Man in Hammock Albert Gleizes, 1913
Word on visit
Just a tired word it was, -whether it could stay for a few weeks in the quiet corners of the house - being there when I looked at the red discoloured vine at the back of the garden, or next to the cat was allowed to sleep groaning softly dreaming, four white feet together, cushioned as an excellent resting place for a weary word. Even in the floodlight of late afternoon in the veranda it would unfurl, releasing its letters in the reflection of the pond water on the ceiling.
Unspoken it could let its sounds drop with the early evening. Sleeping in the darkness of my eyes was asking a lot, but it could.
From the books it stayed far away, it was just a simple word, it said, averse to literary pretensions, but not as simple or as slavish as an article, too lazy for ambiguity, though.
Gladly stripped of its meaning, it would transparent and invisible. -I thought of the full moonlight in the stairwell- but in its slumber the cat was startled as it cried out grievously for lost letters.
That night, in the darkness of my eyes, I dreamed its desire to be with the other word. With a few more curls and a few more dashes would cure it of its word blindness. There was no need for a pun, just live in the dictionary together like 'ongoing' or ‘peppermint'.
'On' and 'off', two tired words on a winter night. Those who united us did recognise their own nostalgia for lost letters and the like.
Undone but inseparable.
Gmt
Slapende vrouw met Kat Władysław Ślewiński, 1896
Er is het beeld, de poëzie om jou uit de muil van de verslindende tijd terug te halen, hoe tevergeefs ook. Maar ook de muziek. ‘Come again, sweet love doth now invite.’ van John Dowland naar een anonieme tekst. Uitvoering Konstantin Mizkevitch en ensemble. Full page is de tekst goed leesbaar.
Come again
Sweet love doth now invite
Thy graces that refrain
To do me due delight
To see, to hear
To touch, to kiss
To die with thee again
In sweetest sympathy
Come again
That I may cease to mourn
Through thy unkind disdain
For now left and forlorn
I sit, I sigh
I weep, I faint
I die, in deadly pain
And endless misery
Gentle love
Draw forth thy wounding dart:
Thou canst not pierce her heart;
For I that do approve
By sighs an d tears
More hot than are
Thy shafts, did tempt while she
For scanty tryumphs laughs
Het beeldtype stelde Hypnos voor als een adolescent of, in sommige varianten, als een nog jonger kind. Hij werd voorwaarts rennend afgebeeld, met klaprozen in zijn rechterhand en een drinkhoorn in zijn linker, waaruit hij vermoedelijk een slaapdrankje goot. Op dit hoofd is te zien hoe vleugels uit zijn slapen ontsprongen en zijn haar was uitvoerig gerangschikt in een reeks weelderige lokken, sommige vielen vrij, andere waren vastgebonden in een knoop achter op het hoofd.
Hypnos duikt voor het eerst op in de mythologie in het werk van een van de vroegste Griekse dichters, Hesiod (leefde rond 700 voor Christus), waar Hypnos (Slaap) en Thanatos (Dood) de verschrikkelijke zonen van Nyx (Nacht) waren. Hypnos werd echter over het algemeen gezien als goedaardig voor de mensheid. De god werd vaak genoemd in literaire bronnen en werd geassocieerd met klaprozen en slaapmiddelen. De vleugels van Hypnos stelden hem in staat om zich snel over land en zee te verplaatsen en om het voorhoofd van de vermoeiden te wapperen tot ze in slaap vielen. Zijn zoon was Morpheus, de personificatie van dromen.
Deze foto was de aanleiding. Een intro. De naam ‘Harold Cazneaux’, de fotograaf. Het jaar 1912. De plaats kwam later. De vergelijking met het werk van Léonard Misonne (1870-1943) niet toevallig. Dezelfde tijd maar een serieuze afstand tussen beide fotografen.
Harold Pierce Cazneaux werd op 30 maart 1878 geboren in Wellington, Nieuw-Zeeland, als zoon van Pierce Mott en Emma Florence Cazneau. Zijn vader, een in Engeland geboren fotograaf en zijn moeder, een coloriste en miniatuurschilderes uit Sydney waren in 1876 naar Wellington verhuisd, waar ze een fotostudio hadden opgezet. Het gezin keerde in 1887 terug naar Sydney en verhuisde twee jaar later naar Adelaide waar Pierce Cazneau ging werken bij William H. Hammer and Company, een gevestigde portretstudio. Op 18-jarige leeftijd kwam Harold Cazneaux bij zijn vader in de studio werken als artiest-retoucheur. Hij volgde ook avondlessen aan de Adelaide School of Design onder leiding van Henry Pelham Gill. In die tijd studeerde ook Hans Heysen onder Gill, met wie hij later bevriend raakte. In 1898 werd er in Adelaide een internationale fototentoonstelling gehouden. Onder de exposanten was de Australische fotograaf John Kauffman, een pionier van de ‘Pictorial Movement’ wiens werk een grote invloed had op Cazneaux.
(De ‘x’ achter de oorspronkelijke familienaam ‘Cazneau’ was Pierre’s eigen toevoeging in 1904…It was also at this time that he added an ‘x’ to his name to acknowledge his French ancestry and to establish his own identity.)
Self portrait with camera 1904
Later in dat jaar (1904) had hij genoeg geld gespaard voor zijn eerste eigen camera, een ‘Midge box Quarter-plate en begon hij foto’s te maken in en rond Sydney’s straten en rivieren.
While working at Hammer's studio in Adelaide, Cazneaux met Mable Winifred Hodge. They married in 1905 and had five daughters and a son. His daughters were to become the subject of many of his photographs and all of them assisted him at some stage in his studio at the family home in Roseville known as 'Ambleside'. Their son Harold, who accompanied his father on a number of trips to the Flinders Ranges, was killed on war service at Tobruk in 1941.
Cazneaux, Harold. (1911). Harold Cazneaux with his daughters Jean and Rainbow, 1911 Courtesy National Library of Australia. Retrieved from http://nla.gov.au/nla.obj-144125787
In 1869 publiceerde de Engelse fotograaf Henry Peach Robinson een boek getiteld Pictorial Effect in Photography: Being Hints on Composition and Chiaroscuro for Photographers. Dit is het eerste algemene gebruik van de term “picturaal” dat verwijst naar fotografie in de context van een bepaald stijlelement, chiaroscuro - een Italiaanse term die gebruikt wordt door schilders en kunsthistorici en die verwijst naar het gebruik van dramatische belichting en schaduw om een expressieve stemming over te brengen.
In zijn boek promootte Robinson wat hij “combination printing” noemde, een methode die hij bijna 20 jaar eerder had bedacht door afzonderlijke elementen van afzonderlijke beelden te combineren tot één nieuw beeld door meerdere negatieven of afdrukken te manipuleren. Robinson was dus van mening dat hij “kunst” had gecreëerd door middel van fotografie, omdat het uiteindelijke beeld alleen door zijn directe tussenkomst tot stand kwam. Robinson bleef de betekenis van de term zijn leven lang uitbreiden. (Wikipedia)
‘Surry Hills’ 1914
In 1914 won Cazneaux de ‘Happy Moments’ wedstrijd van Kodak en gebruikte de prijs van £100 als aanbetaling voor een huis in Roseville, ‘Ambleside’ op 24 Dudley Street.
The Winning photo: ‘Waiting for daddy to come home‘ (1914)
The house had been named after a village in South Australia by its original owner, Gayfield Shaw. He was Cazneaux's friend, an artist-etcher who built Ambleside for himself in about 1912. Harold, his wife Winnie, and their daughters Rainbow, Jean, Beryl and Carmen, moved into their new home in May 1915. Two more children would be born at Ambleside – Joan in 1916, and Harold Ramsay in 1920.
A Surry Hills alleyway. 1911
Jean, Carmen, Beryl, Harold, Rainbow and Joan Cazneaux
Cazneaux ontwikkelde al zijn werk in zijn eigen donkere kamer in Ambleside, oorspronkelijk in een slaapkamer, en toen Bostocks studio werd verkocht, moest hij bij gebrek aan een geschikt en betaalbaar pand in de stad terug naar Ambleside, waar hij een aangrenzende studio bouwde. Dit was Cazneaux’s werkplek voor de volgende 35 jaar. Harold Cazneaux vond troost in de tuin. Het bleek een therapeutische ontsnapping aan de depressie die hem nog steeds bij zeldzame gelegenheden bezocht. Tijdens deze dieptepunten raakte hij ‘verdwaald’ in de tuin, zittend in de schaduw van een boom, alleen en stil, werkend aan een wirwar van problemen. Vaak was het al schemerig voordat hij uit de tuin kwam en besloot om de achterstand in te halen en tot diep in de nacht door te werken, nadat hij Rainbow had opgeroepen om hem te helpen.
Cazneaux bridged the gap between commercial and art photography and between the pictorialist and modernist schools of photography. He was converted to pictorialism in 1898, when he saw an exhibition in Adelaide of impressionist-style photographs of John Kauffman, who had lived in England and Europe for 10 years and was familiar with the bromoil landscapes of Horsley Hinton. By 1910 Cazneaux was the leader of the pictorialist movement in Australia, which held that photography was a form of high art, closely linked to painting. He manipulated negatives and prints to produce soft focus images and became an expert in the use of the bromoil process. In the 1920s and 1930s his work showed features of modernism, especially in his images of surfers, sunbakers and the steel and concrete of the Sydney Harbour Bridge
Sydney Harbour Bridge 1934
For many years Cazneaux’s prints were exhibited in shows organised by the London Salon of Photography (1911 to 1952) and later included in the Royal Photographic Society of Great Britain’s annual salons. In 1921 he was elected a member of the London Salon and in 1937 he was the first Australian to be conferred an Honorary Fellowship by the Royal Photographic Society. Beyond his photographic oeuvre, Cazneaux was also a prolific writer. As a correspondent for Photograms of the Year (UK) for more than twenty years he was the international voice of Australian photography. He was official photographer for Sydney Ure Smith’s lifestyle magazine The Home from 1920 to 1941. And he was commissioned to produce images for a number of Ure-Smith’s publications including Sydney Surfing (1929), The Bridge Book (1930), The Sydney Book (1931) and The Australian Native Bear Book (1932). (Canalblog Alain.R. Truong)
Steam and Sunshine 1934
Vaak zie ik foto’s die bol staan van allerlei ‘effecten’. Er is eerst en vooral ‘het oog’. Jouw oog dat via de camera het oog in de hand wordt. Het beeld is er vaak al. De vorm. De begrenzing. En…vooral het licht. (en lichttinten tot en met verschillende ‘donkerten’.) Kijk je naar de beelden van Cazneaux dan weet je dat hij “een ziener” is. Zonder dat ‘zien’ wordt het prutswerk, maakdinges, effecten zonder affect. Kijk hieronder naar de prachtige foto van vier schoolmeisjes van de Frensham School die een beekje oversteken. Het rijtje van vier, twee weerspiegeld in het water. Kijk naar het licht. In de luchten boven en onder. Het is geen actiefoto. Eentje nog links aan de kant, eentje al overgestoken, rechts. Eentje, beide voeten op een steen, een ogenblik later is ze aan de overkant. Het onderwerp is ‘Stepping Stones’. Bijna symbolisch. Dag kindertijd.
Friedrich Moritz August Retzsch – Faust und Mephisto beim Schachspiel, Öl auf Leinwand, 29 x 34 cm
Zijn de straten leger? Bewoners uitgezwermd? In het heen en weer van de vakantiedagen hebben we het over de tijd. Niet de eerste keer maar bij enig nadenken verwijzen wij in onze levens voortdurend naar het verleden. Weet je nog wel, oudje? En wat met die nog vreemdere tijd van straks-en-morgen om van overmorgen nog te zwijgen?
Faust is het verhaal van een naar kennis strevende dokter en zijn gewiekste tegenstander, de duivel en zieltjes winnende Mephisto. In ruil voor zijn ziel, kan Faust voor een beter leven gaan. Faust is de belichaming naar dat verlangen naar een beter leven. Faust moet kiezen tussen de kracht van het geloof en de zekerheid van wetenschappelijke inzichten; tussen egocentrische zelfverwezenlijking en maatschappelijke erkenning; tussen een kuis bid en werk en erotisch hedonisme. Iets van alle tijden? Iets typisch Duits? (Remy in Wonderland). Hoe dus met deze zgn. keuze omgaan?
Vraag het aan een dichter. Een dichter met jaren op de teller. Frederick Seidel, USA jaargang 1936, dus achtentachtig geworden op 19 februari.
In a 2002 profile of Seidel in The Nation, Robyn Creswell writes: "He is not a satirist, though he can be very wicked, and the comedy of his poems is not the comedy of manners. Instead, it is the more desperate, more affecting comedy of belatedness, in which the poet finds that his voice is only an accent, and that all accents are only echoes. What makes Seidel stand out among American poets, however, is not just his air of early-blooming ennui but the fact that he is uniquely contemporary."
"Hij is geen satiricus, hoewel hij heel boosaardig kan zijn, en de komedie van zijn gedichten is niet de komedie van de zeden. In plaats daarvan is het de meer wanhopige, meer ontroerende komedie van de laatheid, waarin de dichter ontdekt dat zijn stem slechts een accent is, en dat alle accenten slechts echo's zijn. Wat Seidel echter onderscheidt onder de Amerikaanse dichters is niet alleen zijn air van vroegbloeiende ennui, maar ook het feit dat hij uniek hedendaags is."
What Next
So the sun is shining blindingly but I can sort of see. It’s like looking at Mandela’s moral beauty. The dying leaves are sizzling on the trees In a shirtsleeves summer breeze.
But daylight saving is over. And gaveling the courtroom to order with a four-leaf clover Is over. And it’s altogether November. And the Pellegrino bubbles rise to the surface and dismember.
Source: Poetry (September 2012)
De beste gedichten van Frederick Seidel balanceren op het scherp van de snede tussen de diagnose van wat er mis is en zelf in de fout zijn. Net als zijn vorige 18 bundels, gaat “So What” over esthetische bezigheden en lichamelijke problemen, diep gevoelde persoonlijke verliezen en de kluwen van kwaad en horror in de wereld. Met bijna 140 pagina’s bevat de bundel gedichten die aanvoelen als herhalingen van technieken en raakvlakken uit het verleden, met een uitgeput gevoel van urgentie. Maar Seidel is een van onze beste hedendaagse dichters, en hij is tot ver in zijn negende decennium blijven schrijven, knap en als een parodie op knap schrijven.
“1937.” A Poem by Frederick Seidel (From the Collection “So What”)
It’s always about to rain except When it’s already raining, like now. They go from the pub to the cinema through the rain, To the newsreel and the Disney cartoon, With tickets that are half-price
One day a week in the afternoon. It was the Basque city of Guernica last week, Weeping under airplanes dropping bombs. Walt Disney is not Picasso, But his art is gloriously sunny,
But Mickey Mouse has already said The poems of Lorca will never be funny. Disney, the century’s genius, makes amends. Only he can make butterflies And hurricanes make friends.
D. H. Lawrence is a kamikaze Burning up the sky On his way to bite England explosively and die. He has bad English teeth
That are sharp as a shark And a burning brain That sings like a lark. Silkworms eat mulberry leaves to feed Rainer Maria Rilke the silk he needs
To address the angelic orders. Even the enormous angels Dismount from the sublime, dismount From Pegasus, the horse with wings, And instead of wine, sip brine.
The nostrils of the T. S. Eliot crocodile Lurk just above the surface of the river Nile. His periscope is two nostrils that watch like eyes. His snout stays submerged In water bitter as bile.
Kisses of passion grunt like electroshock And cause convulsions and rigor mortis And sexually join together Two hard-shelled hunchbacks, Each shaped like a tortoise.
They’re Eliot, they’re Lawrence, Each honking on and on, on his moral high horse. If Lawrence caught her, Lawrence would slaughter Emily Dickinson, Eliot’s daughter.
Some will get sick and some will die But that is not the reason why A small plane Tows an advertisement For a nearby bar and restaurant
Through the sky Above the beach at Gibson Lane. It is the opposite of insane. Everybody knows Pete the pilot. It’s his plane,
Which he crashes without harm now and again. Black marvelous waves, white August, Is the summer song of Gibson Beach. There’s a skywriting plane crossing the sun With a marriage proposal from someone for someone.
Frederick Seidel
Frederick Seidel has been hailed as “the poet of a new contemporary form” (Dan Chiasson, The New York Review of Books) and “the most frightening American poet ever” (Calvin Bedient, Boston Review). The poems in Frederick Seidel Selected Poems span more than five decades and provide readers with some of Seidel’s most powerful work. Frederick Seidel’s many books of poems include Peaches Goes It Alone, The Cosmos Trilogy, Ooga-Booga, Poems 1959–2009, Nice Weather, and Widening Income Inequality, all published by Farrar, Straus and Giroux.
1937. Een gedicht van Frederick Seidel
Het gaat altijd regenen, behalve Als het al regent, zoals nu. Ze gaan van de pub naar de bioscoop door de regen, Naar het journaal en de Disney tekenfilm, Met kaartjes aan halve prijs
Eén dag per week in de namiddag. Vorige week was het de Baskische stad Guernica, huilend onder vliegtuigen die bommen lieten vallen. Walt Disney is geen Picasso, maar zijn kunst is glorieus zonnig,
Maar Mickey Mouse heeft al gezegd De gedichten van Lorca zullen nooit grappig zijn. Disney, het genie van de eeuw, maakt het goed. Enkel hij kan vlinders maken En orkanen maken vrienden.
D. H. Lawrence is een kamikaze Verbrandt de hemel Op weg om Engeland te bijten en te sterven. Hij heeft slechte Engelse tanden
Die zo scherp zijn als een haai En een brandend brein Dat zingt als een leeuwerik. Zijderupsen eten moerbeibladeren om Rainer Maria Rilke de nodige zijde te geven
Om de engelenordes toe te spreken. Zelfs de enorme engelen Stijgen af van het sublieme, Stijgen af Van Pegasus, het paard met vleugels, En in plaats van wijn, nippen ze aan pekel.
De neusgaten van de T. S. Eliot krokodil loeren net boven het oppervlak van de de Nijl rivier. Zijn periscoop zijn twee neusgaten die kijken als ogen. Zijn snuit blijft ondergedompeld In water bitter als gal.
Hartstochtelijke kussen knorren als elektroshocks En veroorzaken stuiptrekkingen en rigor mortis En seksueel versmelten Twee gebochelden met een harde schaal, elk in de vorm van een schildpad.
Ze zijn Eliot, ze zijn Lawrence, Elk toeterend op zijn morele paard. Als Lawrence haar betrapt, zou Lawrence Emily Dickinson, Eliot's dochter, slachten.
Sommigen zullen ziek worden en sommigen zullen sterven Maar dat is niet de reden waarom Een klein vliegtuig een advertentie meesleept voor een bar en restaurant in de buurt
Door de lucht Boven het strand van Gibson Lane. Het is het tegenovergestelde van krankzinnig. Iedereen kent Pete de piloot. Het is zijn vliegtuig,
Dat hij af en toe zonder schade laat neerstorten. Zwarte prachtige golven, witte augustus, Is het zomerlied van Gibson Beach. Er vliegt een vliegtuig over de zon Met een huwelijksaanzoek van iemand voor iemand.
I’ve learned everything and not very much. Not recently, but when I began writing poetry the two poets who taught and influenced me the most were Ezra Pound and Robert Lowell. In the case of Pound, the incomprehensible music of it, the reach and the size of the ambition, and the way the poetry finds moments of great simplicity and sweetness. In the case of Lowell, so many different things I learned and imitated from him. And otherwise it’s been many poets, everybody. (NY Times)
'Midnight'
God begins. The universe will soon. The intensity of the baseball bat Meets the ball. Is the fireball When he speaks and then in the silence The cobra head rises regally and turns to look at you. The angel burns through the air. The flower turns to look.
The cover of the book opens on its own. You do not want to see what is on this page. It looks up at you, Only it is a mirror you are looking into. The truth is there, and all around the truth fire Makes a frame. Listen. An angel. These sounds you hear are his.
A dog is barking in a field. A car starts in the parking lot on the other side. The ocean heaves back and forth three blocks away. The fire in the wood stove eases The inflamed cast-iron door Open, steps out into the room across the freezing floor To your perfumed bed where as it happens you kneel and pray.