Tussen kunst en kunde: Miguel Mackinlay (1895-1958)

Mackinlay, Miguel; Summer; Bushey Museum and Art Gallery; http://www.artuk.org/artworks/summer-16055

Bekijk je aandachtig de naam van deze schilder dan vertelt hij alvast iets over zijn afkomst: zoon van een Spaanse moeder en een Schotse vader wordt hij in Spanje geboren maar reist hij, na de dood van zijn moeder, in 1906 als 13-jarige naar Perth in West-Australië, met zeker ook de herinnering aan een bezoek in het Prado toen hij nog een kind was. In Perth heeft hij alvast als jonge sollicitant bij een decoratie-firma getoond dat hij een goed oog had. Getuige een beschrijving van zijn sollicitatie, jaren later toe hij een bekende schilder was geworden:

'We advertised for a boy to learn decorating and amongst other applicants came this dark-eyed  lad of 14 years, with a bundle  of sketches under his arm. On  inspection I could not believe that the work was that of an untrained  youth, and told him so. He flared into a temper, waving his arms  and sketches around his head, and dared me to let him paint a portrait  then and there in our studio. 
From that day on, for the next five years he studiously and honestly went through the drudgery of apprenticeship – drudgery to him,  as he told us after years, as his aims  were far beyond the capacity of our  humble business.'
Mackinlay, Miguel; The Young Reader; Leamington Spa Art Gallery & Museum; http://www.artuk.org/artworks/the-young-reader-54383

Naast zijn werk volgt hij er een degelijke opleiding bij Britse ‘expatriate teachers’, wint talrijke prijzen, houdt er zijn eerste tentoonstelling en vertrekt dan voor goed naar Londen waar hij in de lente van van 1914 aankomt en ouders en familieleden nooit meer zal terugzien.

Mackinlay was soon  at work on a mural for the new offices of  the West Australia Government in The Strand. Once this was completed, early in 1915, he opted to continue his training and enrolled for a life class; before long he was living with Laurie Carruthers, an artists’ model. By the time he was conscripted, in November 1917, they had a child. The couple married in August 1918, during a period of convalescence for a leg injury, before Mackinlay resumed active service for the duration of the hostilities (NB. He  was declared unfit for service and stayed on  a base in UK. He did not go back to the front). 
Een van de vele frontschetsen

De jaren onmiddellijk na de oorlog waren een tijd van uitzonderlijke onzekerheid, sociaal, politiek en cultureel. Mannen als Mackinlay, wiens carrière ontspoord was juist op het moment dat zij verwachtten zichzelf te lanceren – hij was net 19 in 1912 – bevonden zich misschien wel in de slechtste positie: ondanks de drang om door te gaan waar hij was gebleven, was de wereld zo totaal veranderd dat zoiets eenvoudigweg niet mogelijk was. Hij kon niet vermijden verstrikt te raken in de sfeer van collectief cultureel geheugenverlies, waarin het nabije verleden feitelijk ontoegankelijk was, en men weer van voren af aan moest beginnen. Mackinlay’s bekwaamheid in het tekenen van figuren bezorgde hem werk als illustrator van populaire fictie in 1919, toen een nieuw maandblad in de kiosken verscheen, Hutchinson’s Story Magazine. Al snel was Mackinlay een van de vaste medewerkers en verscheen hij in vrijwel elk nummer totdat het werd afgesloten in 1929.

Children in a tub pen and wash
He and Laurie now had a daughter, as well as a son, and with no immediate family or resources to fall back on, the regular income was crucial. Not that Mackinlay had given up hope of being recognised for more than his technical skill in black and white. For a brief moment, he brushed shoulders with the two of the more forward-looking exhibiting bodies, The New English Art Club and the London Group. He contributed work to both societies in 1921 and 1922, and in 1923 to the New English Art Club alone. By this time, he had also had his first picture hung at the Royal  Academy, and in future it was to be on this bastion of the establishment that he decided to fix his aspirations. Not that he was ever a neat fit in this annual jamboree on which he pinned his hopes and reputation; almost too tame for the New English or the London Group, neither was Mackinlay ever at home in the stiflingly middle-class atmosphere of the RA. 
The Bath

Een van zijn mooiste werken, The Bath, is in feite een portret van zijn familie. De familie als zelfportret. Je voelt de sfeer van de tijd in de vormgeving, maar ook de armoede. Hij leest de krant, op zoek naar werk, zij bereddert het huishouden. De twee kinderen zijn hun eigen kinderen. ‘The Bath’ wordt op een groepstentoonstelling opgemerkt door het voornaamste en meest gezaghebbende kunsttijdschrift ‘The Studio’. (Sommigen denken dat het kunsthistoricus William Gaunt (1900-1980) was die de bijdrage schreef.

'Some of his  other drawings have an almost pre-Raphaelite care and tenderness of line.  All his work shows a reverence for nature – a carefully thought out design  and the capacity for taking pains which  a true artist must possess. It is to be  hoped Mr MacKinlay will occupy  himself less, as time goes on, with  picture, “The Bath” has an  unusual combination of qualities  – accomplished technique, artistic  conception and psychological insight – conspicuously lacking in most  exhibits which surround it.'
Convalescence

Het is inderdaad de lijn, ‘the tenderness of line’ die door ‘W.G.’ wordt opgemerkt, al zullen de roaring twenties die lijn in allerlei art deco-vormen trachten te bevriezen. Uit de verwarring van het tijdperk na de eerste wereldoorlog probeert een maatschappij opnieuw adem te halen, te leven zoals zij dat zelf willen, of in het slechtste geval ‘zouden willen’. De opdracht: weg uit de armoede van Battersee.

Battersea roofs 1923-4
Hij voelde zich hiertoe in staat omdat hij in feite ontsnapt was uit de achterbuurten van Battersea, waar hij aan het begin van het decennium woonde, naar een meer welvarend bestaan in Fitzrovia. Dit hoofdstuk lag niet helemaal in het verleden, want hij stuurde het schilderij Battersea roofs, dat vier of vijf jaar eerder moet zijn geschilderd, naar de najaarstentoonstelling in Manchester in datzelfde jaar, 1927. Het arbeidersinterieur was geen onderwerp dat de bezoekers van de Royal Academy vaak op de tentoonstelling, of zelfs in het echt, tegenkwamen. Enerzijds greep het onderwerp terug op de bloeitijd van de schilders van Camden Town tien jaar eerder, wier overlevende leden nu de ruggengraat vormden van de Londense Groep.
Tête à tête

De variëteiten van ‘le déjeuner sur l’herbe’ zijn niet meer te tellen, en ook hier waren de commentaren niet mis. Van voorzichtig met het servies, tot de vaststelling dat deze tête à tête door twee vrouwen werd verbeeld. Maar…er moest geld verdiend worden en dus nam het commerciële werk weer een belangrijke plaats in.

Er is al heel wat gepalaverd of kunst en kunde, alsof het twee verschillende entiteiten zouden zijn. De toegepaste kunsten en…? Ik laat het open. Ik denk dat kunde ook voor kunst belangrijk blijft, terwijl kunst het toegepaste werk blijft inspireren, of zouden beiden best gewoon in elkaar opgaan? Kon The Scottish National Gallery in 2017 nog 70 schilderijen samenbrengen van een generatie artiesten met als leidraad ‘True to life’: ‘British Realist painting in the 1920s and 1930s’, het blijft zoeken naar kwaliteitsvolle reproducties en teksten die deze boeiende persoonlijkheden ook op het net tot hun recht laten komen. We zullen nog enkele waardevolle sites aanduiden die zich met deze opdracht bezighouden, of zeggen we ‘hielden’? Ze verdienen toch een beschermde status, niet?

Children Painting Pen and blue wash

http://www.miguelmackinlay.org/

http://miguelmackinlay.org/project-team.html

http://miguelmackinlay.org/war-drawings.html

Dr. Dorothy Ericson, doctor of philiosophy en nog vele andere titels leidt het project en belicht ook heel boeiend de onderdelen van Miguel’s leven in afzonderlijke bijdrages in pdf format.

https://dorothyerickson.com/?page_id=4628 The great war

Mackinlay, Miguel; Laurie and Theresa, the Artist’s Daughters; Bushey Museum and Art Gallery; http://www.artuk.org/artworks/laurie-and-theresa-the-artists-daughters-16066

Mijn bewondering voor Miguel is groot. Zijn werk, maar ook zijn leven heeft mij ontroerd. Het dagelijks leven als inspiratiebron is ook de basis van dit blog: zonder al te veel lawaai, iets wat ook ‘stilte’ wordt genoemd: daarin de tijd nemen om door prent of tekst op zoek te gaan naar meer: achtergronden, tijd, pogingen, mislukkingen, tot het weer gebeurt: een tekst, een kunstwerk, een ontwerp, een verhaal, muziek: de verbinding. Want wij zijn niet tijdelijk, maar in de tijd. De tijd van herkenning en verbinding. Wat gisteren was zal morgen zijn.

Miguel Mackinlay Zelfportret

POGING TOT SAMENVATTING

flugzeugtraeger-von-neo-rauch-stifte-auf-papier.jpg

Jongens in Vlaamse velden en Waalse forten
uit de stugge vaderlandse grond gehaald,
terwijl vakantie-dromers uit de luchten vielen
en tunnels het leven van kinderen eisten.

-zelfs bergen waren niet hoog genoeg
om de met god-gewapenden te ontlopen-.

en Robin is dood.

Tussen hemel en aarde
zou er meer moeten zijn.

stilte

VA-Postkarten-und-Briefe-im-Ersten-Weltkrieg-664.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (11)

 

King_Peter_I_after_coronation,_21_September_1904.jpg

Sleutelfiguur (2)

Eens de regeringswisseling een feit was (hierboven de kroning van Koning Peter I), begonnen de hoogtijdagen van Pasic’ s politieke carrière. Macht paste hem als gegoten en de titel van ‚vader van de natie’ leek hem op het lijf geschreven.
Weinig geliefd bij de elite maar op handen gedragen door de boeren.
Hij hanteerde een haperende spreekstijl, vol terzijdes en tussenwerpsels in het zware provinciale dialect van Zajecar dat de bewoners van Belgrado erg grappig vonden.
Geen grote spreker was hij, maar een uitstekende communicator in het bijzonder voor en met de boeren die de overgrote meerderheid van het Servische electoraat uitmaakten.
Zijn directe manier van aanspreken, zijn droge humor en zijn bijna patriarchale baard maakten de nodige indruk en gaven hem de bijnaam ‚Baja’, man van formaat, niet alleen gerespecteerd maar ook geliefd bij zijn tijdgenoten.

Kenmerken als extreme voorzichtigheid, geheimzinnigheid en slinksheid maakte hem tot een niet dadelijk te duiden persoonlijkheid.  Hij zette zin besluiten niet op papier, sprak ze zelfs niet uit en verbrandde regelmatig persoonlijke en officiële documenten.
In mogelijke conflictsituaties wendde hij regelmatig passiviteit voor en liet hij pas op ‚t allerlaatste moment in zijn kaarten kijken.
Hij was zo pragmatisch dat zijn tegenstanders zich begonnen af te vragen of hij überhaupt principes had.  Voeg daarbij een sterke gevoeligheid voor de publieke opinie en de behoefte zich verbonden te voelen met de Servische natie waarvoor hij zo hard had gewerkt en geleden. (p47)

Hij was vooraf op de hoogte gesteld van het plan om de koning te vermoorden, hield zijn kennis voor zich en wilde er niet bij betrokken worden. Enkele dagen voor de uitvoering reisde hij met zijn gezin per trein naar de Adriatische kunst, toen nog onder Oostenrijks bestuur, om daar de verdere ontwikkelingen af te wachten.
Hij begreep dat zowel zijn eigen onafhankelijkheid en die van de regering moesten gewaarborgd worden.
Als staatsman bouwde hij echter een duurzame relatie met het leger en het netwerk van de koningsmoordenaars op.  Een probleem daarbij waren de ‚Onafhankelijke Radicalen’, een fractie die in 1901 van zijn eigen partij was afgescheiden.  Zij wilden met de koningsmoordenaars samenwerken om de regering te ondermijnen.
Pasic’s tactiek bestond uit de toekenning van een genereus financieringspakket voor het leger, ondanks de protesten van zijn partijgenoten. Hij erkende de coup van 1903 en verzette zich tegen de pogingen om de uitvoerders ervan voor het gerecht te brengen.
Maar tegelijkertijd remde hij de activiteiten van de samenzweerders af en waarschuwde hij in persberichten voor de ‚onverantwoordelijke elementen’ die buiten de structuren van het constitutionele gezag opereerden en een bedreiging vormden voor de democratische orde.

Ambivalente houdingen hebben natuurlijk ambivalente effecten.  Hij kon de invloed van het netwerk op de nationale politiek terugdringen, maar kon niet verhinderen dat ze nog steeds meer invloed kregen bij de sympathiserende burgers, de zgn. ‚zveritelji’ -mensen die zich na de moorden tot het ideaal van de samenzwering hadden bekend- en die geneigd waren nog extremere standpunten in te nemen dan de oorspronkelijke samenzweerders.
De verwijdering van de belangrijkste koningsmoordenaars uit het politieke leven had bovendien tot gevolg dat Apis binnen het netwerk een dominante, bijna onaantastbare positie verwierf.
Hij zette zich meer dan de anderen in voor de rekrutering van een kern van ultranationalistische officieren die bereid waren de strijd voor de vereniging van alle Serviërs, met alle beschikbare middelen te ondersteunen (49)
En vanwaar kwam die ‚ultranationale droom’?
Tijd voor een mentale landkaart zoals Clark zijn hoofdstuk betiteld, en te lezen in zijn unieke boek ‘De Slaapwandelaars’.

1315.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (10)

serbia11.jpg

Sleutelfiguur (1)

In Zürich als ingenieur opgeleid werd Nikola Pasic na de koningsmoord één van de dominante figuren in het Servische koninkrijk.
Omdat hij voor en na de moordaanslag in Sarajevo aan de top van de Servische politiek stond was hij een van de sleutelfiguren in de crisis die aan de uitbraak van de eerste wereldoorlog voorafging.

Niet alleen de lange duur van zijn loopbaan -meer dan veertig jaar- maar ook de afwisseling van momenten van triomf met situaties van extreem gevaar kenmerken zijn politieke carrière. Wellicht heeft het ingenieur zijn hem leren ‚sleutelen’ maar hij zal deze eigenschap vooral op de politiek moeten toepassen. (bleef tot zijn 45ste ongetrouwd wegens te weinig tijd)
In 1875 reist hij als correspondent  voor de irredentistische krant Narodno Oslobodenje (Nationale Bevrijding) naar Bosnië waar een opstand tegen de Turkse overheersing was uitgebroken om verslag te doen van de Servische nationale strijd.
In het boek heeft de vertaler als noot het begrip ‚irredentisme’ bij Van Dale afgedrukt:

‚Het streven naar hereniging van die delen van een volksgemeenschap die door historische ontwikkeling van het stamland gescheiden zijn, met dit land (oorspronkelijk Italië, later als algemene politieke term)’
In dit geval streefde men dus naar naar de uitbreiding van Servië met alle gebieden in Oostenrijk-Hongarije en andere landen die als ‚Servisch’ werden beschouwd. (noot p 44)

Pasic ligt aan de basis van de oprichting van de Radicale Partij van bij het begin van de jaren tachtig en hield toezicht op de modernisering ervan die tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog met afstand de belangrijkste kracht in de Servische politiek zou blijven.

‚De Radicalen belichaamden een eclectische politiek waarin liberale constitutionele ideeën werden gecombineerd met een streven naar Servische expansie en de aaneensluiting van alle gebieden op de Balkan waar Serviërs woonden.’ (45)

Als basis van het electorale succes duidt de auteur de gemeenschap van kleine boeren aan die de ruggengraat van de Servische maatschappij vormden.
Het gaf hem de kans populistische programmapunten te realiseren die de partij verbonden met panslavisme groeperingen in Rusland.
De partij bleef het leger wantrouwen niet alleen wegens de kost voor de belastingbetaler maar omdat ze steunde op de boerenmilities als vertrouwde en meest natuurlijke strijdkracht.
Zo koos de partij tijdens de Timok-opstand van 1883 de zijde van de gewapende boeren tegen de regering. Bij de represailles kon Pasic, bij verstek ter dood veroordeeld,  nog net naar Sint-Petersburg vluchten waar hij talrijke contacten met panslavistische stromingen legde zodat zijn beleid ten zeerste met de Russische politiek werd  geassocieerd.
Eens Milan in 1889 van de troon was verwijderd, kreeg hij gratie en keerde hij als gevierd man terug naar Belgrado waar hij eerst tot voorzitter van de Skupstina (parlement) werd gekozen en daarna tot burgemeester van de hoofdstad.  Zijn eerste termijn als premier beëindigde hij met zijn aftreden uit protest tegen het voortdurende buiten grondwettelijke gesjoemel van Milan en de regenten. (45)

Eens Alexandar aan de macht kwam stuurde hij Pasic als buitengewoon gezant naar Sint-Petersburg. (kon hij zijn politieke ambitie bevredigen en was hij ver genoeg verwijderd van Belgrado!)
Het was duidelijk dat de toekomstige nationale Servische emancipatie uiteindelijk zou afhangen van Russische steun.
Als vader Milan terugkomt in de Belgradose politiek worden de aanhangers van de radicale partij weggezuiverd en wordt Pasic teruggeroepen. Nu vader en zoon samen aan de macht zijn wordt Pasic in 1898 tot 9 maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij Milan in een partijpublicatie zou hebben beledigd. Bij de opstand in 1899 bij de mislukte aanslag op de koning-vader wezen beschuldigende vingers in de richting van de Radicalen. En alhoewel Pasic in de gevangenis zat eiste Alexandar dat hij zou worden terechtgesteld maar…onder invloed van de Oostenrijk-Hongaarse regering bleef zijn leven gespaard. Door een list bekende hij (onwetend dat hij al gered was) onder druk dat hij moreel mee verantwoordelijk was voor de aanslag, en door deze ondertekening bleef zijn leven gespaard zodat zijn partijgenoten dit gebaar als verraad beschouwden: Pasic, zegden ze, had zijn eigen huid willen redden.  Een verdenking die hem politiek dood maakte zodat hij zich gedurende de roerige jaren van Alexandars bewind totaal uit het publieke leven terugtrok.
Kunnen verdwijnen is ook een politiek talent.

 

kaart 2141208.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (9)

murder-in-1903-of-the-serbian-king-alexander-and-his-wife-draga.jpg

Familiegeschiedenissen (3)

Apis, de Egyptische stier-god, de kracht in het verborgene of zoals een van zijn medestanders zei: ‚Hij is een geheime kracht aan wie ik mezelf beschikbaar moet stellen, ook al zegt mijn verstand dat daar geen reden voor is.’ (38)
De man van de kleine samenzwering, niet de leider van een grote volksbeweging. Het motiveren van enkelingen die zich in cellen verzamelen, met elkaar in contact staan zonder het grote verband te moeten zien.
Een mannelijke wereld in en rond de rokerige Belgradose koffiehuizen.
Hij neemt zijn tijd, kan zijn plannen aanpassen, brengt tenslotte een samenzwering van zo’n 150 man op de been.  Eerst de officieren daarna de burgerlijke politieke leiders onder wie de voormalige minister van buitenlandse zaken Djorde Gencic die eens een klap in zijn gezicht kreeg na  zijn interventie bij de openbaring van de koninklijke huwelijksplannen.
De eed die ze zweren is zonder al te veel romantiek opgesteld: het vermoorden van de koning en zijn gemalin.
Bij de aanslag op 11 juni 1903 geraakt Apis zelf zwaar gewond.

Na de aanslag wordt de macht onmiddellijk weer aan het parlement overgedragen. Petar Karadjordjevic werd uit Zwitsers ballingsoord terug gehaald en tot koning uitgeroepen.  De grondwet van 1888, omgedoopt tot grondwet van 1903 werd met een paar aanpassingen in ere hersteld.
De rivaliteit tussen de twee Servische dynastieën behoort tot het verleden.
(Karadjordjevic die een groot deel van zijn leven in Frankrijk en Zwitserland had doorgebracht was een aanhanger van Stuart Mill -in zijn jonge jaren had hij zelf Mills ‚On Liberty’ in het Servisch vertaald.)

Maar terwijl de staatsgreep van 1903 bepaalde oude problemen oploste, creëerde die ook nieuwe problemen die in belangrijke rol zouden spelen bij de gebeurtenissen in 1914.
Eerst vooral loste de groep samenzweerders niet zo maar op in het nieuwe bestel maar bleef hij een belangrijke factor in de Servische politiek en het publieke leven.
Publieke kritiek op het netwerk bleef moeilijk. Tenslotte lagen zij aan de basis van de nieuwe orde en was hun ‚werkwijze’ een duidelijk voorbeeld van hun mogelijkheden.
Hun invloed bleef vooral aan het hof erg groot. Het is dan ook Apis die in de winter van 1905 kroonprins Djorde mag vergezellen op een reis door Europa. Clarck merkt op dat de kroonprins het nooit tot koning zou brengen: hij diskwalificeerde zichzelf in 1909 voor de troonopvolging door zijn lijfknecht dood te trappen. (43)
Zo bleef de koning de gevangene van hen die hem aan de macht hadden gebracht zoals de Oostenrijkse gezant in Belgrado signaleerde.
Niet alleen kregen de vroegere samenzweerders de beste postjes maar door het feit dat ze gemakkelijk toegang hadden tot de koning konden ze ook invloed uitoefenen op beleidskwesties van nationaal belang.
Dat wekte niet alleen binnenlandse maar ook buitenlandse wrevel op.
Zo riep Groot-Britannië zijn gevolmachtigd gezant terug en moest een zaakgelastigde (Thesiger) zorgen voor het gezantschap.
In 1905 werden vooral plechtigheden in en rond het hof door vertegenwoordigers van de Europese grootmachten geboycot.
In het leger zelf vroegen sommigen om de koningsmoordenaars uit de dienst te ontslaan. Kapitein Milan Novakovic werd daarop prompt gearresteerd en door een militaire rechtbank veroordeeld tot uiteenlopende gevangenisstraffen. Eens  hij vrijkwam begon hij opnieuw zijn publieke aanvallen te lanceren. In 1907kwam hij om bij een zogenaamde ontsnappingspoging.  De verontwaardiging in parlement en bij de liberale pers was groot.
Deze relatie tussen parlement en leger bleef ook na 1903 bestaan en zou inderdaad  bepalend zijn voor de wijze waarop Servië op de gebeurtenissen in 1914 reageerde.
De man die vanuit de politiek deze tegenstelling zou beheren was de Radicale leider Nikola Pasic.

Nikola_Pasic_1.jpg

 

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (9)

82964451_KoninginDragaKoningAlexandercoloris.jpg

Familiegeschiedenissen (2)

Nooit vertoond, zou de hedendaagse verslaggever zeggen, nooit vertoond het feit dat de afgetreden ex-koning Milan achter de schermen de touwtjes nog steeds in handen had.  Clark noemt het : ‚een grotesk familiemanoeuvre’, en dat was het ook.

In de jaren 1897-1900 werd deze regeling geformaliseerd in de ‚Milan-Alexander duarchie’. Pa werd tot opperbevelhebber van het Servische leger bevorderd, de eerste burger die ooit dit ambt bekleedde.
De gevolgen van dit beleid waren catastrofaal: het passeren van de relatief liberale bepalingen van de Servische grondwet, het introduceren van een soort neo-absolutisme: afschaffen van geheime stemmingen, opheffen van persvrijheid, opdoeken van kranten.  Protesten van de Radicale partij leidden tot uitsluiting van de macht.
(met op de achtergrond koningin-moeder Nathalie, die ondanks haar scheiding achter de schermen een belangrijke figuur bleef.)
Alexanders huwelijk met Draga Masin, weduwe van een obscure ingenieur, bracht geen verbetering in de situatie.
De minister van Buitenlandse zaken Djorde Gencic probeerde met een krachtig argument dit huwelijk tegen te houden: ‚Sire, u kunt onmogelijk met haar trouwen. Ze heeft met Jan en alleman het bed gedeeld.- mijzelf incluis.’
Als antwoord kreeg hij een harde klap in zijn gezicht. Het zou hem later naar de kant van de koningsmoordenaars brengen.
Het hele kabinet trad af en het kostte de koning moeite een nieuw kabinet samen te stellen dat duidelijk ‚het huwelijkskabinet’ werd genoemd.
Ook vader Milan vond de toekomstige trouwpartij maar niets. Hij nam zelfs ontslag als opperbevelhebber van het leger.
‚Als de regering u na een dergelijke dwaasheid het land uit jaagt, zal ik de eerste zijn om dat toe te juichen.’ een citaat uit een vaderlijke brief die aan duidelijk niets te wensen overliet.
Maar in 1900 trouwt Alexandar met Draga, en door het ontslag van zijn vader kan hij zijn greep op het officierskorps verstevigen en de nodige zuiveringen doorvoeren
Het was dan ook een opluchting voor hem te vernemen dat zijn vader die zich in Oostenrijk had gevestigd in januari 1901 was overleden.
Nog even kon het koninklijke duo op sympathie rekenen toen het paleis bekend maakte  dat de koningin in verwachting was maar toen dit een list bleek om de publieke opinie gunstig te beïnvloeden, was de maat vol.
Zeker toen in maart 1903 de koning midden in de nacht de Servische grondwet buiten werking stelde om snel nieuwe repressieve pers- en associatiewetten in de wetboeken te kunnen opnemen om drie kwartier later de grondwet weer te herstellen.

In juli 1901 had de Radicale Partij een absolute meerderheid verworven en samen met machtige kooplieden- en bankiersfamilies, in het bijzonder met families die betrokken waren bij de voedsel- en veehandel- ontstond er een stevige oppositie vooral tegen het pro Weense beleid van de Obrenovic waardoor de Servische kapitalisten de toegang tot de wereldmarkten werd ontzegd en de economie vastliep in een Oostenrijks monopolie.
De demonstratie op 6 april 1903 werd hardhandig door de politie uiteengeslagen. Er vielen achttien doden en bijna vijftig gewonden.  Meer dan honderd mensen onder wie veel legerofficieren werden gevangen gezet, al kwamen ze na een paar dagen weer vrij.

‚In het epicentrum van de toenemende oppositie tegen de kroon stond het Servische leger. Rond de eeuwwisseling was het leger een van de meest dynamische instituten van de Servische maatschappij.  In een nog steeds grotendeels agrarische en slecht presterende economie was het niet gemakkelijk een maatschappelijke carrière op te bouwen en bood het leger nog steeds de beste kansen op invloed en aanzien. Deze ontwikkeling was nog versterkt door koning Milan, die veel geld in het leger stak en het officierskorps sterk uitbreidde, terwijl hij bezuinigde op het toch al magere staatsbudget voor het hoger onderwijs.’ (p37)

Zoon Alexander snoeide die toelage terug, er ontstonden grote achterstanden in de betaling van de officiersoldij en door het nepotisme-beleid van het hof werden steeds meer vrienden en verwanten van de koning en zijn vrouw op sleutelposten benoemd.
Omdat er geruchten rondgingen dat de koning die er niet in geslaagd was een biologische erfgenaam te produceren, van plan was de broer van koningin Draga, Nikodije Lunjevica, tot zijn opvolger te benoemen, werd het tijd om actie te ondernemen.
Rond Dragutin Dimitrijevic, later bekend onder de naam ‚apis’ een getalenteerde jonge luitenant in het Servische leger, kristalliseerde zich een militaire samenzwering.

640px-Dragutin_dimitrijevic_apis.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (8)

Karađorđe_Petrović,_by_Vladimir_Borovikovsky,_1816.jpg

Familiegeschiedenissen (1)

Je zou Servië in de negentiende eeuw kunnen benaderen als een klein landbouwgebied geklemd tussen het Ottomaanse en het Oostenrijk-Hongaarse rijk.
De uitdrukking: ‚landbouw’ en ‚geklemd’ zijn inderdaad belangrijk.
Hoofdrolspelers: twee rivaliserende clans (families)
-het huis Obrenovic
-het huis Karadjordjevic.
Beiden druk in de weer om Servië van de nabije overheersers te bevrijden.
Christopher Clarck begint zijn verhaal met de nogal baldadige en bloedige aanslag (1903) op het toenmalige koningspaar Alexandar en Draga, uit de Obrenovic-dynastie door een groep van zo’n 150 samenzweerders die vooral uit het Servische leger waren gerekruteerd.
Hoe is het zo ver kunnen komen?

De voormalige ‚donkere’ veehoeder Kara Djordje (zeg maar ‚Zwarte Georges’) stichter van het huis Karadjordjevic leidde in 1804 een opstand die de Ottomanen uit Servië verdreef, maar moest in 1813 naar Oostenrijk vluchten toen de Ottomanen in de tegenaanval gingen.
Een tweede opstand, 2 jaar later, onder leiding van Milos Obrenovic, een bedreven politicus, zorgde voor onderhandelingen waardoor een Servisch vorstendom door de Ottomanen werd erkend.
Toen Karadjordjevic uit ballingschap terugkeerde werd hij in opdracht van Obrenovic en met medeweten van de Ottomanen vermoord.
Zo kreeg Obrenovic de titel van prins van Servië toegekend en werd Servië een provincie van het Ottomaanse rijk geregeerd door leden van de Obrenovic-clan.
Christopher Clarck merkt op dat het frappant was hoe weinig regerende Servische regenten door natuurlijke oorzaken stierven.

MilosObrenovic_1848.jpg


De stichter van het vorstendom, prins Milos Obrenovic was een hardvochtig autocraat met de nodige opstanden als gevolg.
In 1839 trad Milos af maar zijn zoon Milan was net zo ziek van de mazelen dat hij 13 dagen later stierf zonder ooit beseft te hebben dat hij tot vorst was verheven.
Aan de heerschappij van Milos tweede zoon, Mihailo, kwam een voortijdig einde toen hij in 1842 plaats moest maken voor een telg van de Karadjordjevic-dynastie en dat was niemand anders dan Alexandar, zoon van zwarte Georges die echter in 1858 ook weer troonsafstand moest doen voor Mihailo en in 1860 op de troon terugkeerde.
Ook hij was niet erg populair en acht jaar later werd hij met een nichtje vermoord door een complot waarachter naar alle waarschijnlijkheid iemand van de Karadjordjevic zat.

Milan Obrenovic zorgde voor een beetje rust (1868-1889) en een politieke continuïteit.
In 1882, 4 jaar nadat het Congres van Berlijn Servië als onafhankelijke staat had erkend, riep Milan zijn land uit tot een koninkrijk en zichzelf tot koning.
Een jaar later echter kwam er al een opstand toen vanuit het koningshuis werd geprobeerd de boerenmilities in het noordoosten van het land te ontwapenen. (de Timok-opstand)
Milan reageerde met harde repressie-maatregelen en ontketende een ware heksenjacht op de kopstukken in Belgrado die ervan verdacht werden de opstand te hebben gesteund.

Begin jaren tachtig veranderde de Servische cultuur door de opkomst van politieke partijen met eigen kranten, verkiezingen, manifesten en plaatselijke comité s.
De reactie van de koning daarop bestond uit een aantal erg autocratische maatregelen. In 1883 leverden de verkiezingen in de Skupstina, het Servische parlement,  een meerderheid op die Milan niet zo goed gezind was.  Hij weigerde de regering met een meerderheid van de radicale Partij te benoemen en stelde een regering van bureaucraten samen. Bij decreet werd de Skupstina tien minuten geopend en daarna ook weer per decreet gesloten.

Door een rampzalige oorlog met Bulgarije, ontstaan door eigenzinnige koninklijke besluiten buiten de ministerraad genomen, en een bittere door schandalen omgeven scheiding van zijn vrouw Nathalie werd zijn positie nog meer ondermijnd. Toen hij in 1889 troonsafstand deed (om de weg vrij te maken voor de knappe jonge echtgenote van zijn privésecretaris) was het blijkbaar hoog tijd om te verdwijnen.
Er volgde een regentschap van vier jaar tot zoon Alexandar meerderjarig was.  De manier waarop zoonlief aan de macht kwam lag in de traditie van de vaderlijke esbattementen: de zestienjarige nodige de ministers uit voor een diner en bij het uitbrengen van de toast werd hen duidelijk gemaakt dat zij gearresteerd waren. De jonge koning verklaarde dat hij de volle koninklijke macht zou uitoefenen.  De belangrijkste ministeries en telegraafkantoren waren intussen al door het leger bezet.
De inwoners van Belgrado ontwaakten de volgende ochtend in een stad vol aanplakbiljetten die duidelijk maakten dat Alexandar de macht had gegrepen

 

AleksandarObrenovic.jpg

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (6)

14387.147121.large.jpg

Geheel in overeenstemming met het devies van Radio Clara ‚Blijf verwonderd’ vertelde de ochtend – spreektal-meesteres Cara dat ze blij was nu de bonzen van Europa in Ieper samenkwamen en daar de prachtige lakenhallen kunnen bewonderen. Mijn verwondering was groot vooral omdat ik dacht dat deze duur betaalde dames en heren voor andere doeleinden in dit oord zouden samenkomen.


Nog meer verwonderd omtrent de activiteiten die in de net geciteerde stad en streek hadden plaats gevonden las ik in het weekblad Knack ‚De man die de trekker overhaalde’ een beschrijving van de moord op Frans Ferdinand, 100 jaar later en waarin de hoofdpersoon Princip de rol als organisator en uitvoerder van de aanslag krijgt toebedeeld, geheel in overeenstemming met de nationalistische personencultus omtrent de man. 

De bevindingen van ene Milos Vojinovic, onderzoeker aan de universiteit van Belgrado waarin België en Emile Verhaeren voorbeelden zouden geweest zijn van hoe een jonge democratie zich moest gedragen, vergroten mijn verwondering.  De Balkan-visie omtrent deze ‚helden’ staat in schril contrast met wat ik opstak bij lectuur van het prachtige boek ‚Slaapwandelaars’ (Hoe Europa in 1914 ten oorlog trok) van de Australische historicus Christopher Clark. (de Bezige Bij 2013)
Laat dus alle thrillers thuisliggen en lees en herlees dit boek waarin het hoe belangrijker is dan het ‚wie-was-de schuldige’, althans in die zin dat het onderzoeken van het hoe-het-kwam ons een duidelijker beeld kan geven van de rol van de talrijke participanten.

Inderdaad, de overvloed aan bronnen is een van de meest in het oog springende problemen.
Het is een oceaan van bronnen, maar met verraderlijke stromingen.’ (p13)
Zo citeert hij de 57-delige Duitse publicatie Die Grosse Politik, een bundeling van 15.889 documenten gerangschikt op driehonderd onderwerpen waarvan de uitgave niet alleen het wetenschappelijke onderzoek zou dienen maar Duitsland zou vrijpleiten van de schuld eraan, stelling die gecanoniseerd werd in het Verdrag van Versailles.
Ook de Franse regering publiceerde na de oorlog een bundeling van documenten waarvan in 1934 de minister van buitenlandse zaken Jean Louis Barthou het politieke karakter niet kon ontkennen. De publicatie moest een zeker tegenwicht bieden aan de campagne die in Duitsland na het verdrag van Versailles was gelanceerd.
In Wenen verscheen de achtdelige verzameling ‚Österreich-Ungarns Aussenpolitik’ om wellicht de Volkerenbond voor te zijn die de Oostenrijkse regering in minder gunstige omstandigheden zou dwingen tot publicatie.
De documenten die de jonge Sovjetunie publiceerde waren duidelijk bedoeld om aan te tonen dat de oorlog door de autocratische tsaar was uitgelokt en zijn bourgeois bondgenoot Raymond Poincaré in de hoop de Franse eisen tot terugbetaling van vooroorlogse leningen te kunnen ontkrachten.
En zelfs de British ‚Documents on the Origins of the War,’ met lofprijzingen en wetenschappelijke ernst toegejuicht, waren niet vrij van tendentieuze omissies die nogal een vertekend beeld opleverden van het Britse aandeel in de gebeurtenissen die in 1914 op een oorlog uitliepen.


‚De grote Europese documentaire uitgaven waren dus, niettegenstaande hun onloochenbare wetenschappelijke waarde, ook munitie in een ‚documentenoorlog’ zoals de Duitse militaire historicus Bernhard Schwertfeger in 1929 in een kritische studie opmerkte.’ (p14)

Je moet dus de gepubliceerde ‚nationale’ documenten nauwkeurig bestuderen maar ze zijn vaak erg zwijgzaam over bepaalde brandende kwesties.
Een voorbeeld? De Duitse kanselier Theobald von Bethmann Hollweg publiceerde in 1919 zijn ‚Betrachtungen zum Weltkrieg’, maar zegt daarin vrijwel niets over zijn eigen optreden of dat van zijn collega’ s tijdens de julicrisis van 1914.
Clarck geeft nog een aantal voorbeelden uit diverse hoeken waarin propaganda het haalt op de feitelijkheden. (zie p15)
Bepaalde betrokkenen ‘herinneren’ zich erg weinig van de gebeurtenissen in die tijd’
Van bewust vervalsen, vergeetachtigheid tot zelfrechtvaardiging, het zijn hindernissen die de werkelijkheid camoufleren.

JJ-Poster-80.jpg


En zegt de auteur: er zijn nog altijd ernstige leemtes. Belangrijke communicatie verliep mondeling en is nooit op papier vastgelegd, en wat er gezegd is valt alleen uit de tweede hand of uit latere getuigenissen te reconstrueren.
Zo gingen de Servische organisaties die bij de aanslag in Sarajevo betrokken waren erg conspiratief te werk en lieten ze vrijwel geen sporen op papier na.


‚Dragutin Dimitrijevic, het hoofd van de Servische militaire inlichtingendienst en een sleutelfiguur in de samenzwering om aartshertog Franz Ferdinand te vermoorden, had de gewoonte zijn papieren regelmatig te verbranden.  Zijn vijand Nikola Pasic, de Servische minister-president,  deed vreemd genoeg hetzelfde.


Zo is er nog altijd niets bekend over de inhoud van de vroegst besprekingen tussen Wenen en Berlijn over hoe te reageren op de moorden in Sarajevo.
En Clark citeert nog een aantal ‚verdwenen documenten en notulen’ van diverse zijden.

Natuurlijk is deze crisis uitzonderlijk ingewikkeld.
‚Het verhaal van het ontstaan van deze oorlog moet daarentegen een begrijpelijk beeld schetsen van de multilaterale interactie tussen vijf autonome, gelijkwaardige hoofdrolspelers – Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië- of zes als we Italië meetellen, plus een verscheidenheid aan strategisch belangrijke en even autonome actoren zoals het Ottomaanse rijk en de staten van het Balkanschiereiland, een regio die in de jaren voorafgaand aan de oorlog gekenmerkt was door hoogoplopende politieke spanning en instabiliteit.’

De weinig transparante besluitvormingsprocessen binnen de staten die bij de crisis betrokken waren is nog een extra hindernis.  Ook bij de ‚bondgenoten’ heerste er geen eensgezindheid.

Er bestond onzekerheid (en onder historici bestaat die nog steeds) over de vraag waar de macht om het beleid te bepalen precies gelokaliseerd was in de diverse staatsinstellingen en ‚beleidsmaatregelen’ – of althans beleidsgerichte initiatieven van allerlei aard- kwamen niet noodzakelijk vanuit de top van het systeem. Ze konden opborrelen vanuit hele marginale locaties in het diplomatieke apparaat, vanuit legerbevelhebbers, regeringsmedewerkers of zelfs ambassadeurs, die veelal op eigen houtje beleid maakten.

Twintig jaar geleden telde het gepubliceerde overzicht van literatuur tot dan toe 25.000 boeken en artikelen.


Een volgende keer zullen we het hebben wat daar de positieve en negatieve gevolgen van zijn, want het debat kan oud zijn, het onderwerp is nog altijd actueel, en op dit moment in feite actueler dan twintig, dertig jaar geleden.

De Europese Ieperse bezoekers zullen niet veel tijd hebben om de Lakenhallen te bewonderen.

 

zeep073a.jpg

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (5)

Postkarten_10 (40)_Glocke_Weltkrieg1KL.JPG


Het einde van de lagere school-tijd, schooljaar 1955-56,  liep over in een zonnig onbekommerd verblijf in het mooie Heer sur Meuse waar de Christelijke Mutualiteit zijn zomerkampen voor twaalfjarigen organiseerde.
Tien dagen zon in een glooiend landschap, bossen en vergezichten, tochten, spelletjes, diep onder de indruk van de nieuwe natuur die wilder en weidser was dan de gekende hoogtes in en rond het Turnhoutse: de konijnenberg in Vosselaar, de hoge mouw in Kasterlee.
’s Nachts regende het, ’s morgens lag de nieuwe dag vers uit de vingers van de goden te dampen.  Ouders waren nog niet uitgevonden, de leiding bestond uit net iets oudere jonge kerels-van-goede-wil, de hoge dennen en diepe loofwouden, de natuurlijke habitat voor de lost boys, mijlenver van de puber-tijd.
Landschappen die daarna levenslang in je herinneringen oplichtten wanneer het woord ‚Ardennen’ ter sprake kwam.
Op 12 juli keerden we terug naar de realiteit en bleken ouders net daar te zijn waar ouders thuishoren: bij de uitgang van het Turnhoutse treinstation, klaar om je kartonnen valies-doos over te nemen en geduldig naar je heimwee-verhalen te luisteren.

Mijn vader knikte, nam de vakantievalies uit mijn handen, keek afwezig naar de foto waarop de wilde bende ongeduldig opgehoopt naar de camera had gekeken en zei toen dat er iets met vava was, dat ik niet moest schrikken en dat het gisteren gebeurd was en ze besloten hadden mij pas vandaag op de hoogte te brengen. Ja, hij had iets gekregen. Vava had een zwak hart, dat wist ik toch, zei mijn vader. En toen de dokter er was, was hij al dood.  Een hartaanval.

Wij woonden in ons nieuwe huis naast August en Trees. Mijn pa zorgde voor vava, moeders vader. Voelde hij zich ’s nachts niet goed dan belde hij en was mijn vader even later, slaapdronken zoals dat heet, bij zijn bed. Dat hoorde zo. Zonder geklaag of commentaar.
Vreemd thuis te komen in een huis waar de rolluiken waren neergelaten en de radio zweeg. Dat waren de geplogenheden: je schermde je af van de wereld. Vava lag thuis opgebaard. De benedenverdieping was door de begrafenisondernemer in een met zwarte doeken behangen onherkenbare ruimte omgetoverd. Nonkels en tantes liepen in en uit. Er was veel te regelen. Rouwkleren, de rozenkrans in de kerk van de Clarissen, de doodsbrieven en prentjes, de kist.

Vava.
Ik heb je al drie jaar overleefd. Maar mijn actieve legerdienst speelde zich (en dat woord mag je letterlijk nemen) in Duitsland af waar ik bureelwerk deed bij een grote garage die de vroegere vijand werk verschafte. De vijand van toen, de Russen, werd nauwkeurig geobserveerd en wij hanteerden allerlei geheimschriften om na decodering te ontdekken dat de boodschap het weerbericht van de volgende dagen bevatte.
‚Ge kunt nooit weten,’ zei de adjudant.

De kinderen van toen leefden nog niet met de volwassenen samen ook al waren er onder die dames en heren mensen die je met ma, pa, moemoe en vava, nonkel of tante aansprak. Er was de wereld van de ‚grote mensen’ en de wereld van de kinderen. Waren we toch samen dan zwegen we.  Dat was beleefd.  Als grote mensen spreken dan…
Wij zwegen veel.  Als ik met jou ging wandelen dan vertelde ik zoals alle kinderen vertellen maar ik kan me maar heel weinig antwoorden herinneren.  Je knikte.
Wij leefden in onze aparte werelden.
Bij familiefeesten werd er druk gekaart, dronken de volwassenen hun borreltjes en de kinderen limonade of donker tafelbier. De kinderen speelden buiten.  De volwassenen babbelden binnen. Onze kinderlevens werden wel besproken maar wijzelf waren daar niet bij betrokken.
Natuurlijk probeerden we hun verhalen op te vangen, en bij de maaltijden of de late borrels zaten we toch bij elkaar en spitsten we onze oren om die geheimzinnige verhalen te horen vertellen, werden we beetje bij beetje ingewijd in de geplogenheden van dat verre volwassen bestaan.

mother why 6.jpg


Vava.
We komen altijd te laat om elkaar te leren kennen.
Zelfs nu onze werelden door elkaar lopen en kinderen een jongere mensensoort zijn die met ons bewoners van dezelfde planeet zijn, is er tijd te kort om elkaar te bevragen, om de andere lagen te leren kennen, de geschiedenis van wat wij ‚voorouders’ noemen met de onze te verbinden.

Het verlies van levens en liefdes.
Achter elke naam op een koude steen met pro patria en ander goed bedoeld geleuter staat niet alleen het eigen verloren leven, maar telkens weer zie ik achter de letters kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen opdoemen die vragen: ‚en wij dan?’
Ze zijn ook met miljoenen.
Kan ik me voorstellen dat ikzelf tegenover het nazi-regime een leven zou veil hebben als ik mijn lafheid en andere angsten zou overwonnen hebben, bij de doden van de grote oorlog bliksemt het geroep in een afschuwelijke leegte. 
Geen ideologie tenzij het vrij holle neutraliteitsprincipe uit een berekend verdrag van Wenen met een Belgische uitloper in 1839, offerde  de angstigen op die vaak gewoon ‚verkeerd verbonden’ waren en daardoor tot elkaars beulen werden gevorderd.

Vava.
Welke dwaasheden roepen om herdenking tenzij we het woord her-denken naar essentie leren begrijpen, ons denken zelf aanpakken, de nationaliteiten dienstbaar voor wereldbekers voetbal vrijwaren van valse helden-verledens en rancuneuze utopieën.
Zie ik mijn veertienjarige kleindochter gulzig naar het leven vragen stellen dan hoop ik dat de dreun van Marchovelette eindelijk is uitgestorven en de brandwonden die zich over drie generaties hebben verspreid geheeld zijn in het besef dat wij her-denken van wat herdacht moet worden.

Fig.-29.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (5)

site-marchovelette-casemate.jpg

Luik, Namen en Antwerpen kregen als vestingssteden een reeks forten rondom hun agglomeratie, ontworpen en uitgevoerd door Henri Alexis Brialmont.  In Namen werden tussen 1888 en 1892 negen forten gebouwd.  Vier grote en vijf kleinere. Ze waren net zoals bij de stad Luik onderling verbonden door loopgraven en prikkeldraad, en net zoals in Luik waren die verbindingen in slechte staat.
Een fort was in feite niet meer dan driehoekige of vierkantige grote blok (ongewapend) beton, zonder comfort voor degenen die het gebruikten, uitgerust met artillerie. (22cm en 21 cm, Franse en Duitse herkomst)
Het fort van Marchovelette  op de linker Maas-oever werd verdedigd met volgende stukken.  Mijn Engelse bronnen gebruiken deze termen:

One 21 cm gun turret with a single gun
One 15 cm gun turret with two guns
Two 12 cm gun turrets with one gun
Three retracting 57mm rapid-fire gun turrets for close defense
Five 57mm guns in embrasures defending the ditch

site-le-fort-de-marchovelette.jpg


De zware wapens waren Duits, typische Krüpp afkomst, de andere Frans en andere diverse afkomsten.
Het fort was van een zoeklicht voorzien en met seinlichten om met de nabije forten te kunnen communiceren. Er werd net voor de eerste wereldoorlog aan een ondergrondse telefoonlijn gewerkt maar die was niet gebruiksklaar.
De wapens gebruikten ‚zwart poeder’ in plaats van ‚rookloos poeder’ zodat ze wolken gas produceerden in de binnenruimtes en zich door het fort verspreidden.
Het doel van een fort was de opmars van een vijand te vertragen.

Na de uitschakeling van de Luikse forten beginnen de Duitsers op 21 augustus rond 10 u met een systematische en hevige beschieting van de forten als van de stad Namen.
De forten krijgen ook hier te maken met o.a. 420mm M artillerie, de zogenaamde ‚dikke bertha’s,  met granaten van zo’n 800kg terwijl de verdedigers zelf granaten van maximum 90 kg kunnen afvuren.
Fort Marchovelette wordt op 21 augustus gebombardeerd met 21cm howitzers en de volgende dag met de fameuze dikke bertha’s.
Op zondag 23 augustus slaat een granaat in de kruitruimte.  Twee derde van de manschappen is dood of zwaar gekwetst, vreselijk verbrand.

Een getuige:

Le bombardement qui accable le fort depuis l’aube du dimanche 23 se ralentit pour cesser vers 13 heures. Le lieutenant Caussin s’écrie: “Nous sommes sauvés, tous à vos postes, on contre-attaque!”. Tout à coup, vers 13 heures 45, une salve s’abat sur le massif. Simultanément, une explosion formidable, l’arrêt des machines, l’extinction des lumières, et un seul cri prolongé… puis le silence. (Un obus avait atteint une puissante charge de poudre.) Projeté avec violence contre la porte du magasin à projectiles, je me relève, et puis, aussitôt, je suis agrippé par un camarade. Je m’engage dans le couloir, mais, tout de suite, je dois rebrousser chemin, Le gaz, la fumée me prennent à la gorge. Je me dirige vers le massif central et je traverse les flammes pour enfin aboutir aux fenêtres de l’escarpe. Le scène qui se passe, en ces instants tragiques, est indescriptible. Des camarades horriblement brûlés se bousculent sans vêtements ou avec des lambeaux qui flambent encore. Plus de cheveux. La figure toute noire. Méconnaissables, ces malheureux se dirigent vers l’infirmerie où se dévouent le docteur Emery et les infirmiers. D’autres, halètent ou gémissent atrocement avant de mourir.

Au-dessus de la rampe, je suis capturé par les Allemands qui avancent en tirailleurs. Le fort de Cognelée est tombé, le nôtre est pris. Soudain, les hommes du coffre de tête, isolés et ignorant qu’un drapeau blanc est levé, exécutent fidèlement leur consigne. Le feu cesse.

Gaspari, originaire d’Arlon et soldat au fort, discute avec les Allemands qui, finalement, acceptent les explications. Le commandant Duchâteau, blessé, le lieutenant Caussin, affreusement brûlé, qui s’étaient avancés sur le massif pour respirer et s’abriter dans un entonnoir, sont faits prisonniers. L’officier allemand qui les reçoit les félicite de leur conduite héroïque. Les deux officiers belges, des blessés, et un convoi de prisonniers dont je fais partie, sont conduits à la ferme de Pierre Caume. Les blessés sont affreux à voir; nous ne les reconnaissons plus. La tête, la figure et les mains ne sont qu’une plaie; les cartilages du nez, des paupières et des oreilles ne forment plus que des amas de gélatine. Ils sont étendus sur des brancards à même le fumier. C’est alors que les troupes allemandes, musique en tête, montent sur le glacis du fort pour fêter leur victoire.

Le commandant Duchâteau, le lieutenant Caussin et quelques blessés marchant difficilement, sont transportés au couvent de Champion transformé en “feld-lazarett”.

Lorsque l’automobile qui amène le commandant du fort de Marchovelette et son lieutenant pénètre dans la cour du couvent, le colonel d’Etat-major, qui est venu les prendre, fait sortir une compagnie pour rendre les honneurs. Commandant la 3e division de la Garde et visitant les blessés, il félicite le commandant Duchâteau et lui déclare: “On est fier, lorsqu’on a affaire à des adversaires tels que vous”.

Tegenstander Augustin V.N. zal zwaar verbrand met vele andere gekwetsten naar een hospitaal in Huy worden gebracht, later naar Luik.

site-fort-de-marchovelette-une-coupole-de-120mm-déchaussée.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (4)

ishot-1.jpg

De Franse wet op de Transcriptie uit 1798 voerde het lotingssysteem voor dienstplichtigen in. Trok je als rekruut een laag nummer (van 1 tot aan het getal van de nodige soldaten in het kanton) dan moest je voor drie jaar naar het leger.  Trok je een hoog lot dan mocht je thuis blijven.
De welgestelden echter die een laag lot hadden getrokken konden zich vrijkopen. Het was een kwestie om een arme sukkelaar te vinden die voor een overeengekomen som jouw legerdienst ging vervullen.
In grote steden vond je zelfs agentschappen die zorgden voor plaatsvervangers en de afkoopsom regelden.

Al de progressieve partijen (radikalen, socialisten en daensisten)  keerden zich tegen de loting.  Maar het was pas in 1909 dat de regering Schollaert dit onrechtvaardige systeem verving door de dienstplicht van één zoon per gezin. Koning Leopold II ondertekende de wet op zijn sterfbed.

Augustin was blijkbaar een van de laatste lotelingen. Met zijn 1 meter 594 millimètres werd hij op 29 juni 1909 ‚incorporé comme milicien de 1909 province d’ Anvers 17é canton commune de Turnhout, no 89 du tirage. Stamnummer 53958.

Zijn uiterlijk werd vrij uitvoerig beschreven in het livret van het 8me Regiment de Ligne 1ste bataillon 4de compagnie.
Het is de enige tweetalige afdeling op het formulier.
Aangezicht, teint, voorhoofd, kleur der oogen, neus (base, hauteur, forme, largeur!) mond, lippen, kin haar, wenkbrauwen en bijzondere teekens.
Het zou er na 23 augustus 1914 enigszins anders uitzien, maar het leger was bezorgd om lichamen te herkennen eens ze blijkbaar ongeschonden op het slagveld (ik schreef eerst zonder na te denken ‚slachtveld’) achterbleven.

Hij zou officieel afzwaaien op 11 mai 1919. De som van 3420fr (aanzienlijk bedrag) werd hem als gekwetste gevangene op 22 mei 1922 bezorgd en op 6 augustus 1921 kreeg hij ook 3 chevrons de front.
Met de wet van 10 mars 1923 werd dat getal teruggebracht tot twee chevrons, maar en surplus zes eerefrontstrepen. (15 novembre 1936)
Hij werd dus ook officieel een ‚vuurkruiser’, Belgische militairen die 12 maanden in de eerste wereldoorlog- al dan niet onderbroken- hebben dienstgedaan in een eenheid die in direct contact stond met de ‚vijand’.
Hoorde je echter bij de militairen die tussen 4 augustus 1914 en 31 oktober aan de IJzer hebben ‚gelegen’
of tussen 28 september 1918 en 11 november 1918 hebben deelgenomen aan het Bevrijdingsoffensief dan had je aan 9 maanden genoeg om een vuurkruiser te zijn.

Augustin ‚lag’ niet aan de IJzer, maar na 23 augustus in verschillende ziekenhuisbedden (Huy en Luik) en werd officieel ‚renvoyé dans ses foyers le 15 octobre 1915 en in 1919 definitief uit het contingent verwijderd.
Hij heeft er dus alvast als late loteling een legerdienst opzitten van 1909 tot en met 1919.
Zijn ‚Vuurkaart’ vermeld echter alleen maar dat hij van 4-8-14 tot 23-8-14 gediend heeft tijdens de veldtocht 1914-1918.
Het woord ‚gediend’ heeft meer dan één betekenis in dit verhaal.

Net voor hij in 1914 nog eens werd opgeroepen was hij in 1913 getrouwd. Bij zijn aanvraag om in het strijdersfonds te worden opgenomen in 1920 vermeld hij drie kinderen te hebben: 7 jaar, 3 jaar, 1 jaar.
Het joch van drie, geboren op 3 juli 1917 was mijn moeder.

Hij krijgt later het oorlogskruis met palm als ridder in de Leopold II orde, oorlogskruis met palm, een zegemedaille en een herinneringsmedaille van den oorlog 1914-1918.
In ruil voor 50% invaliditeit.
Op de vuurkaart staat: Kwetsuren: één. Inderdaad, één oog vrijwel verloren en over het hele lichaam brandwonden.  Eén grote wonde. Om maar te zwijgen van de onzichtbare kwetsuren.

Als kleinkind wandelde ik met hem, kinderhand in zijn misvormde hand. Ik vond dat heel gewoon want ik had vava nooit anders gekend dan als kleine man met zwarte bril en vervormde handen.
Waarom dat zo was werd niet verteld.  De grote oorlog, ja. Dat was voldoende want hij was mijn vava die op 68 jarige leeftijd plots zou sterven toen ik 12 was. Een man met een groot hart, een luide stem en een hevig temperament.

P6130002.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (2)

Rubifoam-1889-recto-blog.jpg

Een jaartal

Het jaar van de geboorte, de deur van een levensloop. Ken je ook het achterpoortje van de sterfdatum dan kun je met het bijna vergeten hoofdrekenen iemands bestaan in een getal samenvatten. Hij of zij is x jaar oud geworden. Maar tegelijkertijd is die levensloop in een tijd verankerd, in zeden en gewoonten, in doen en laten waarin de geboorteplaats de uitkijktoren kan genoemd worden van waaruit je het kleine en iets grotere gebeuren interpreteert en ondergaat.

Ook al kun je met die twee cijfers, geboorte- en sterfdatum,  een reepje tijd trancheren, het is met honderden zichtbare en vooral onzichtbare worteltjes vergroeid in het bestaan waarin deze twee getallen slechts vage aanduidingen zijn.

De geboortedatum van een ‘ouvrier agricole’ mag dan niet in de geschiedenisboeken te vinden zijn, maar aan de administratie van gemeente, parochie en het leger is hij niet ontsnapt.

Geboren in ‘Vieux Turnhout’ in 1889.  Vier dagen na een jongetje dat in het Ooostenrijk-Hongaarse rijk, op de grens van Beieren in Braunnau het zogenaamde levenslicht zal zien en als Adolf nog een tijdje net zo onopvallend aanwezig zal blijven. Of twee dagen voor het kind Ludwig uit de familie Wittgenstein zijn eerste kreetjes hoorbaar maakt. Graag wil ik in september van dat jaar ook nog het kleine meisje Anna Akmatova vermelden en enkele maanden later het jongetje Martin Heidegger. (vergeet Charlie Chaplin niet want ik vermoed dat hij de enige uit het rijtje zal zijn die Augustin bij leven en welzijn met naam en toenaam heeft gekend.

Het is het jaar dat Vincent van Gogh in de Provence zijn mooie sterrennacht schildert en een kaartje met het ontwerp ervan naar zijn broer stuurt terwijl in Parijs de Eifeltoren de voornaamste bezienswaardigheid van de Exposition Universelle wordt ingehuldigd.

Hij is met nogal wat jongetjes van dat jaar alvast bestemd om live te gaan meedoen in wat nu de spektakel musical 14-18 heet en ook als ‘de groote oorlog’ in zijn leven een speciale plaats zal innemen.

Maar daar weet het kleine boerenzoontje nog niets van. Hij is het kind van Cornélie Vermeulen en Corneille Ferdinand Van N. In 1909 , het laatste jaar van de lotelingen zal hij het lot 89 trekken, zijn geboortejaar, en au service actif het vaderland gaan dienen zoals dat heet.

Ik laat de gezegende sterrennacht over de kleine baby waken. Wat wij nu weten deert hem nog niet.

VanGogh_Sterrennacht.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (1)

weltkarte-29.jpg

De naam van een boerenjongen, bekend als Gust maar in de annalen van de krijgsmacht als Augustin genoteerd.

Een pestliedje was het. Niet om iemand te pesten, maar ontstaan door de gevolgen van de zwarte dood in het Wenen van 1679 te bezingen.
En lieve Augustin die ik de volgende dagen probeer te benaderen, de figuur van het liedje zou een doedelzak-speler zijn geweest die na een stevige avond doordrinken langs de weg in slaap viel, voor dood  werd aanzien door de grafdelvers en met doedelzak in een massagraf terechtkwam waar hij ’s morgens uit zijn roes ontwaakte.  Omdat hij niet uit eigen kracht uit de vrij diepe kuil kon klimmen begon hij  te spelen want hij wilde graag sterven zoals hij had geleefd.
En jawel, hij werd gehoord.  Ondanks zijn slaap met de geïnfecteerde doden bleef hij gezond en zo werd Augustin het symbool van hoop voor het Weense volk.
Ongeveer op deze manier werd het verhaal verteld door prediker Abraham a Sancta Clara (1644-1709) en bleef Augustin voor de Wieners in het liedje ‚Oh du lieber Augustin’  leven.
De zuinige Schotten maakten met de melodie er ‚Did ye ever see a lassie, a lassie, a lassie’ van en in Holland lieten ze op deze wijze Sinterklaas op de deur kloppen (Daar wordt op de deur geklopt, deur geklopt…)
Vergeet ook niet dat Hans Christian Andersen het gebruikte in zijn sprookje ‚De varkenshoeder’ (1841) achtenveertig jaar voor jij zou geboren worden.

O, du lieber Augustin, Augustin, Augustin,
O, du lieber Augustin, alles ist hin.

Geld ist weg, Mensch ist weg,
Alles hin, Augustin.
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Rock ist weg, Stock ist weg,
Augustin liegt im Dreck,
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Und selbst das reiche Wien,
Hin ist’s wie Augustin;
Weint mit mir im gleichen Sinn,
Alles ist hin!

Jeder Tag war ein Fest,
Und was jetzt? Pest, die Pest!
Nur ein groß’ Leichenfest,
Das ist der Rest.

Augustin, Augustin,
Leg’ nur ins Grab dich hin!
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin!

Text and melody: Marx Augustin (1679)

Voor een nauwelijks overlevende van de grote oorlog een toepasselijk liedje.
Goede lezer(es) dit is de tijd dat grootvaders hun eigen grootvader eren. Hij nam deel aan wat nu in een ‚spektakel’ musical ’14-18’ heet maar waarvan de dreun tot in de ziel van het intussen zeventigjarige kleinkind nog niet is uitgestorven.
Volg de gids.

Ach!_due_lieber_Augustin_repetition.png