112_aa81a576ceadc2cd8548f57a50cb8b11

Overhaast je reis in geen geval, en dus moet ik op mijn stappen terugkeren om je verder te onderhouden over de vele mogelijkheden en onmogelijkheden die zo’n vrouwelijk weg biedt.

Het westerse denken geeft graag namen, benoemt de dingen.
Naam en persoonlijkheid zijn onderdelen onderdeel van het westerse streven naar vorm, zegt Camille Paglia in haar dik boek Het seksuele masker, en al denkt deze vrouw vlugger dan ze ‘t kan opschrijven, de essentie van het westen is het belang dat we hechten aan de eigen identiteit van de objecten.

Benoemen is kennen.
Kennen is beheersen.
Jaja, dat denken of dachten wij.

Het verre Oosten heeft altijd een andere methodiek gehad om de natuur te lijf te gaan, namelijk hem NIET te lijf te gaan.
Ga mee met de natuur is daar het advies.
In de meditatie van het oosten zoek je jezelf te harmoniseren MET de natuur terwijl het Westerse (mannelijke) denken deze wil be-HEERSEN.

Voor het westen zijn er geen statische dingen, er is alleen energie, het panta rei, alles beweegt.

“De westerling kent en weet door te zien.
De perceptuele relatie ligt ten grondslag aan onze cultuur en heeft onze gigantische bijdrage aan de kunst bewerkstelligd.”
aldus Paglia.

Heel terecht noemt ze dat herkennen, dit identificeren ons “apotropaion” onze manier om onze angst af te weren.

“herkennen is rituele cognitie, een dwangmatige herhaling. (…) Onze concentratie op het mooie is een apollinische strategie.”

Wat wij echter in het Westen onderdrukken is het chtonische, dat “van de aarde” betekent.
En niet de oppervlakte van de aarde, het gewemel van schoonheid in al zijn levensvormen, maar de diepe binnenkant, de hel, het onderbewustzijn, het dionysische.
Paglia heeft het over
“…het blinde razen van de onderaardse krachten, het lange trage zuigen van het duistere moeras.”

En ze doet er nog een schepje bovenop dat ik jullie niet wil onthouden:

“Het is de ontmenselijkende gewelddadigheid van biologie en geologie, de darwinistische verspilling, en het bloedvergieten, het vuil en de verotting die we uit ons bewustzijn moeten bannen om onze apollinische integriteit als persoon te kunnen behouden.
De westere wetenschap en esthetiek zijn pogingen om die verschrikkingen in vorm te gieten die voor onze verbeelding minder onverteerbaar is.”

Het spreekt vanzelf dat “de tragedie” een bij uitstek westerse uitingsvorm is waarin vrouwen (Medea en Phaedra van Euripides, Cleopoatra en Lady Macbeth van Shakespeare, Phèdre van Racine het genre scheef trekken door hun verstorende invloed op het mannelijke handelen.

Maar niet vooruitlopen, Silverstein!We keren terug naar de primitieve jachtgemeenschappen waarin de vrouw het symbool van vruchtbaarheid was, en naarmate in sedentaire groepen de invloed van de natuur minder werd, nam de vrouwelijke belangrijkheid af.

In het Oosten was dat niet zo, het mannelijke en het vrouwelijke, het yang en ying zijn krachten in de mens en in de natuur die elkaar in evenwicht houden, zich met elkaar vermengen en waaraan de maatschappij ondergeschikt is.

Kali, de Indiase natuurgodin is een scheppende EN een vernietigende godin, met de ene arm deelt ze zegeningen uit met de andere snijdt ze de kelen af.

Die morele ambivalentie van de grote moedergodinnen wordt gemakshalve door de Amerikaanse feministen vergeten ook al hebben ze hen in ere hersteld.
“We kunnen het ontblote lemmet van de natuur niet vastpakken zonder ons eigen bloed te vergieten.”

De westerse cultuur heeft zich van meet af gedistantieerd van het vrouwelijke.
De laatste westerse samenleving van enig belang die vrouwelijke krachten vereerde was het Minoïsche Kreta.
Die cultuur stortte dan ook ineen en herstelde zich nooit.

Les: het vereren van vrouwelijke krachten is geen waarborg voor culturele kracht of levensvatbaarheid.
Dat was wel zo met de Myceense oorlogscultuur die ons via Homerus is overgeleverd.

“De mannelijke wil tot macht: de Myceners uit het zuiden en de Doriërs uit het noorden verenigde zich in het apollinische Athene waaruit de Grieks-Romeinse lijn van de geschiedenis uit zou voortkomen.”

De apollinische en de joods-christelijke tradities zijn transcendentaal: ze proberen de natuur te overwinnen of te transcenderen. (ik denk hier aan de geestelijke pogingen van de mystiek en de kabbala die het begrip transcendentie niet alleen voor metaal en goud gebruiken!)
De Joods-Christelijke godsdiensten zijn evenals de Griekse verering van de Olympische goden LUCHTGODEN.
Dat is al een stap verder dan de oorsprong van de religies die allemaal als aardcultus begonnen, als verering van de vruchtbare natuur.

Deze verschuiving van de aardcultus naar de luchtcultus brengt een degradatie van de vrouw met zich mee.
Zij was met haar rondingen en welvingen tenslotte een gelijkenis met de vormen van de aarde, met dezelfde geheimzinnigheid omgeven, een wezen dat de mannen vereerden en dat ze ook vreesden.
Uit haar waren ze op aarde neergekwakt, en zij, de grote moeder zou hen ook weer verslinden.

Met de verschuiving van aarde naar lucht, gaat de verschuiving van buik naar hoofd samen.

“Door dit alles zijn de seksen gevangen geraakt in een komedie van wederzijdse historische schuldplichtigheid.
De man, in zijn afschuw voor zijn schuldplichtigheid aan de fysieke moeder, schiep zich een andere realiteit, een heterokosmos, om zich de illusie van vrijheid te verschaffen.
de vrouw, die aanvankelijk genoegen nam met de bescherming van de man, maar nu werd aangestoken naar het verlangen naar een eigen illusie van vrijheid, dringt door tot de systemen die de man voor zichzelf had ontworpen en onderdrukt haar schuldplichtigheid aan de man door die zich toe te eigenen.
Ze ontkent dat er ooit een vraagstuk van sekse en natuur is geweest.”

Diep ademhalen nu want …wat is het alternatief, als dat er al zou zijn?
Laten we het overdenken en morgen elkaar op dit web terugvinden.