idiot (225)

062_db9253b02ec9d843b9a7bba90e01a127

Honderden mensen sturen hun homemade postkaarten in.
Ze vertellen hun geheim.
Op hun manier.
Eén geheim per postkaart.
Ze versieren ze zelf, sommigen maken er ware kunstwerkjes van.
Alles gebeurt helemaal anoniem.
Je deelt elkaars geheimen.
Net zoals de grote meesters hun doeken schilderden, hun geheimen dus kenbaar maakten, zo maken mensen van over heel de wereld hun eigen kunstwerkje, met hun geheim.

 

de lof der zotheid (2) (224)

953_70da54901d21d61418f59d5ea316c065

De zotheid spreekt:

Als u ook mijn geboorteplaats wilt weten – want tegenwoordig vindt men het belangrijkste criterium voor adeldom de plaats waar je je eerste kreetje hebt geslaakt – ik ben niet op het zwervende Delos ter wereld gekomen, niet uit de zieden-de zee, niet ‘in gewelfde grotten’, maar op de eilanden der gelukzaligen, waar alles vanzelf groeit, zonder zaaien en zonder maaien. Daar bestaat geen pijn, geen ouderdom en geen ziekte.
Op de akkers zie je geen asfodillen, kaasjeskruid, zee-ui, lupine, bonen of dat soort onkruid.
Maar wat je ook kijkt en waar je ook ruikt, heerlijk komt je de vergeetbloem moly tegemoet, algenezer panacee, pijnstiller nepenthe, marjolein, ambrozijn, lotus, rozen en viooltjes, hyacinten en venusschoentjes. In dit paradijs ben ik geboren en natuurlijk heb ik het leven niet ingezet met gehuil, maar heb ik onmiddellijk mijn moeder lief toegelachen.
En ik benijd de allerhoogste zoon van Kronos zijn geit als voedster zeker niet, want mij hebben twee alleraardigste nimfen met hun borsten gezoogd, Roesje, Methe, de dochter van Bacchus, en Wilde, Apaidia, de dochter van Pan.
U ziet ze hier ook, in mijn gevolg van vriendinnen en dienares-sen.
Als u al hun namen wilt weten, dan zullen die me, met permissie, in het Grieks uit de mond komen.

De vrouw die u hier met opgetrokken wenkbrauwen ziet staan is Philautia, Eigenliefde.
Zij daar, die u als het ware toelacht met haar ogen en in de handen klapt heet Kolakia, Vleierij.
Van dit meisje dat er zo suf en slaperig uitziet, is Lethe, Vergetelheid, de naam.
Die met haar ellebogen op tafel en het hoofd in de handen wordt Misoponia, Laksheid, genoemd.
Zij met die krans van rozen op en druipend van parfums is Hedone, Genotzucht.
Met die vochtige naar alle kanten schietende ogen, dat is Anoia, Leeghoofd.
Die met de glanzende huid en het al te weldoorvoede lichaam is Truphe, Overdaad.

U ziet ook twee goden tussen de meisjes staan: de één heet Komos, Dronkemansoptocht, de ander Negretos Hupnos, Bodemloze Slaap.
En ik verzeker u, door de trouwe hulp van mijn gevolg breng ik van alles en nog wat onder mijn zeggenschap, ik, keizerin over keizers.

Mijn afkomst, opvoeding, en vrienden hebt u gehoord.
Spits nu uw oren om te horen met welke grote gaven ik goden én mensen begunstig en hoe ver mijn macht reikt.
Zo zal ieder-een zien dat ik met recht en reden de titel Godin voor mij opeis.
Want als een bepaalde schrijver treffend gezegd heeft dat het ware kenmerk van een godheid: stervelingen helpen, en als degenen die de mensheid hebben geleerd nuttige producten als wijn of graan of wat dies meer zij te verbouwen daarom terecht in de godenraad zijn opgenomen, dan mag ik, die in mijn eentje alles aan allen schenk, toch zeker met recht het alfa en omega van alle goden zijn en heten?


Best te geloven dat Thomas More ‘amused’ was bij ht lezen van deze spitse taal.
En dat de dwaasheid die hier aan het woord is zichzelf “een god” noemt, ligt niet zo ver van het verhaal waarmee Europa op Zeus rug in dit werelddeel belandde.

De goden zijn meer dan waar ook heer en meester geweest in dit wereldstuk.
De mix van Griekse en Romeinse sagen met de Germaans Frankische heldenverhalen doen het nog altijd als je de Europese televisiekanalen afschuimt.
En de moraalridders moet je vooral niet in het oosten maar aan Europa’s aardige borst gaan zoeken, want goed en kwaad blijkt zowat een Europees patent te zijn.

De kerstening van Europa probeerde de sporen van deze woud- en dondergoden uit te vegen, maar vermomd als middeleeuwse heks, gehuld in de gewaden van de ridders van de tafelronde, afgeborsteld in de Pruisische sprookjes, de nieuwe Wagneriaanse roep naar die pureté dangereuse, wroet nog altijd die polarisatie tussen geweten en geweld in de Europese harten en hebben wij ze naar de vier windstreken uitgevoerd, de kolonisators van de wereld om ze nu als jankende boemerang weer op onze Europese koppen te krijgen in zover we niet voor altijd geblindoekt en gehelmd zijn.

Dat de zotten mogen spreken is inderdaad geen vinding van Erasmus, maar hij geeft zijn dwaasheid een vrij sympathieke stem.

Van de stier naar het hobbelpaard is ook maar één gedachtensprongetje lang als je Hölderin geloven kunt:

Spottet ja anicht des Kinds, wenn es mit Peitsch und Sporn
Auf den Rosse von Holz mutig un gross sich dünkt,
Denn, ihr Deutschen, auch ihr seid
Tatenarm und gedankenvoll.

Oder kömmt, wie der Strahl aus dem Gewölke kömmt,
Aus Gedanken die Tat? Leben die Bücher bald?
O ihr Lieben, so nimmt mich
Dass ich büsse die Lästerung.

Ja, An die Deutschen zou net zo goed An die Europaer mogen heten, want eer daar die Bücher leben, zal ’t nog een tijdje duren, of ’t zouden de kasboeken moeten zijn.

 


de lof der zotheid (223)

753_0c173c24a418eba2d4701c80f504ba38

Op het platteland, 9 juni 1508

Beste Thomas,
Tijdens mijn recente terugreis uit Italië naar Engeland vond ik het zonde om alle tijd te paard te verspillen aan platvloerse, onbenullige kletspraatjes.
In plaats daarvan wilde ik me een tijdje ongestoord bezinnen op wat ons allebei na aan het hart ligt, en ook met warme gevoelens terugdenken aan de even geleerde als dierbare vrienden die ik hier had achtergelaten.
Een van de eersten aan wie ik moest denken was jij, Thomas.
Altijd als ik aan je denk wanneer we ver van elkaar zijn, is dat even prettig als je gezelschap toen we bij elkaar waren – en ik mag sterven als dat niet het aanminnigste is wat ik in mijn leven heb meegemaakt.
Dus omdat ik echt iets om handen wilde hebben en het me een minder geschikt moment leek voor serieus wetenschappelijk werk, besloot ik me te amuse-ren met een lof der Zotheid.
‘Welke godin van de wijsheid heeft dat in je hoofd laten opkomen?’ zul je zeggen.
In de eerste plaats bracht jouw achternaam More me op het idee.
Want die lijkt net zoveel op het Griekse woordje Moria, Zot- heid, als jijzelf van de betekenis ervan verschilt.
Een groter verschil is zelfs onmogelijk, daar is iedereen het over eens.
Ten tweede had ik zo’n vermoeden dat juist jij dit speelse geesteskind van me zou waarderen, omdat je nu eenmaal heel erg dol bent op zulk soort humor, die eigenlijk wel ge-leerd is – vlei ik me – en hier en daar ook nog wel spits.
Zelfs in het alledaagse leven speel je al vaak een soort Democritus.
Toch zijn je intelligentie en inzicht zo uitzonderlijk dat je er op alle punten anders over denkt dan de doorsnee mens.
Maar je bent weer zo ongelofelijk aardig en makkelijk van karakter dat je met elk soort mensen goed kunt omgaan, en ook nog met plezier.
Daarom zal je dit pronkredevoerinkje graag als een aandenken aan je makker aannemen.
Maar je zult het ook in bescherming nemen, omdat het aan jou gewijd is en dus al bij jou hoort en niet bij mij.
Want er zullen zeker criticasters met modder komen gooien.
Sommige zullen beweren dat dit niemendalletje te lichtzinnig is, en ongepast voor een theoloog, anderen dat het te agressief is, en strijdig met de ingetogenheid van een christen.
Ze zullen roepen dat ik met mijn agressieve aanvallen de oude komedie of een zekere Lucianus laat herleven.
Maar als mensen bezwaar hebben tegen het luchtige onderwerp en het speelse karakter, wil ik ze er graag aan herinneren dat ik hier niet origineel ben: in het verleden hebben grote schrijvers al vaak zoiets gedaan.

Eeuwen en eeuwen geleden heeft Homerus bij wijze van grapje zijn Muizenkikker-strijd geschreven, Virgilius De mug en De stamppot en Ovidius De notenboom.
Polycrates schreef een lofprijzing op Busiris, net als criticus Isocrates, Glauco op de onrechtvaardigheid, Favorinus op Thersites en op de derdedaagse koorts, Synesius op de kaalheid en Lucianus op de vlieg en op de kunst van het klaplopen.
Seneca schreef een ‘Apotheose’ van Keizer Claudius als niemendalletje, Plutarchus een dialoog tussen Gryllus en Odysseus, Lucianus en Apuleius iets met een ezel als hoofd-persoon en een anonymus het Testament van het biggetje Knorrie Krokelodokus, dat ook door de heilige Hieronymus wordt genoemd.

Zodoende verzoek ik mijn critici om het maar op te vatten alsof ik hiermee een spelletje schaak ter ontspanning heb gespeeld of desnoods ‘aan het hoepelen ben geweest’.
Want het is wel erg onrechtvaardig om elke beroepsgroep zijn ei-gen amusement te gunnen, maar intellectuelen elke vorm van amusement te verbieden.
En vooral als ‘de grapjes serieu-ze consequenties hebben’ en de humor zo wordt aangepakt dat een lezer die ‘geen plank voor zijn hoofd heeft’ er meer van opsteekt dan van de strikt logische of verleidelijke argumenten die bepaalde mensen hanteren.


Lees verder in het boek Lof der Zotheid van Desiderius Erasmus vertaald door Harm-Jan van Dam en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2001.
Oorspronkelijke titel: “Morias Enkomion, id est, Stultitiae laus, Erasmi Roterodami declamatio”. ISBN 90 253 1129 6.
Lees ook “De Mensheid zij geprezen” van Arnon Grunberg.
WORDT VERVOLGD


beter nog een niet-burger te zijn (222)

482_30c25c4f283a71be92b8525e40209ceb

Dürer maakt van dit portret een eigen uithangbordje: zijn A.D. vignet, zijn Latijnse en Griekse teksten, de denkbeeldige studeerkamer waarin de geleerde zich bevindt, Dürer eigent zich Erasmus toe, want wie de grote merken binnenhaalt mag nog grotere opdrachten verwachten.

Chirac dacht Europa binnen te halen, Europa als uithangbord boven zijn carrière, het leek gemakkelijk.
Maar het uithangbord viel op het geëerde hoofd, en volgens degenen die het kunnen weten, gaf dat een klap.

Europa heeft een probleem.
Dat zeggen diezelfden die het kunnen weten. Vroeger waren dat de onderwijzers, nu de journalisten en politieke commentatoren.

Europa is een probleem.
Altijd geweest.
En laten we maar hopen dat het zo mag blijven want de stilte van de totalitaire administratie, de rimpelloze vijver van de eenheidsworst, dat is pas een probleem.

Erasmus schrijft:
“ Ik wil een wereldburger zijn, aan allen te behoren. Of meer nog: een niet-burger zijn.”

Voor een “defectis natalis” (zo noemde men toen een bastaard, een geboorte-ongelukje) een krasse uitspraak.
Zijn pa, priester in Gouda, zijn ma, dochter van chirurgijn in Zevenbergen, ze zagen het samen wel zitten, maar de omgeving zag dat iets minder.
Net als over zijn geboortestad Rotterdam (zijn geboortehuisje werd na het bombardement in de 2de W.O. voor altijd weg geveegd) zwijgt hij liefst over zijn afkomst.
Daarom is hij met zijn naam gaan experimenteren, want als je Gerrit Gerritszoon heet, dan is de plaatselijke veeteelt al een mooi perspectief, maar of je daarmee in Oxford, Parijs of Turijn binnen kunt, is een andere kwestie.

De pest zag Europa niet als een probleem.
Ze gebruikte alle mogelijke handelsroutes en sluipweggetjes en kwam overal.
Als Erasmus zeventien is, sterft zijn moeder aan de pest, en even later volgt zijn vader.
Hij krijgt dan de keuze: of voor jezelf zorgen of het klooster ingaan. Een aardige vorm van OCMW die elk tekort aan roepingen meteen mee oplost.

Voor een man die zich dichter noemt, “een minnaar van rust en schaduw”, is een klooster best een aardige plaats. Je hebt er boeken, gezelschap en veel rust en schaduw.
De man had echter een afkeer van vis en vasten vond hij ook al niets, hij wenste dus vlees te eten en zich te goed te kunnen doen aan Bourgondische wijn al verafschuwde hij slemppartijen:

…alsof het een groot geluk is, door wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door slaap overmand te worden.”

En om het Europese denken toch nog enigszins te ge-denken deze uitspraak van de meester:

“Het taalverschil verhindert geenszins een gesprek tussen mensen met hetzelfde hart”.

Een mooie uitspraak die de pompeuze Alle Menschen werden Brüder best mag vervangen, want liever enkele mensen met hetzelfde hart dan een troep Brüder die zich voor elke kar laten spannen.

WORDT VERVOLGD


de pijn (221)

170_36c0390821c99c4e7dd5cd66bf343e4c

Jonggestorven abrikozen

Heeft de aarde zelf pijn
als ik haar betreed?
Verwond ik de wortel
van de geurende boom?

Zo begaan
is de hemel niet:
zij snoeide, sneed af
mijn spruit, mijn zoon.

Geurende levens
met duizenden vielen
niet één dat bleef
aan de tak die boog.

Wie heet levend
nog, in dit huis:
deur die het licht van de lente
geen doorgang bood?

Meng Jiao (715-814) China
vertaling: Lloyd Haft
het doek is van Adriaan Coorte, Rijksmuseum A’dam

Met die pijn, hij verloor zijn drie zonen, 99 worden is op zichzelf al een wrang gedicht.


Jonggestorven abrikozen is een uitgave van Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2003.
Antiquariaat.


kijken en luisteren (220)

650_a4eb19a80012e35fd3a3f8bcfaf3feac

En van Berlijn weer terug naar New York, naar het Museum for Modern Art, vriendelijk als MoMa afgekort.
Ken je die electronische wandelgidsen waarmee je kunt rondlopen om te horen waar en wanneer het allemaal gebeurd is en wat wie en waarom iets moet voorstellen, enz?

Lees dan deze bijdrage uit de New York Times en maak je klaar om de Belgische Musea binnen te vallen, gewapend met Ipod en een pak inspiratie


With Irreverence and an iPod, Recreating the Museum Tour
By RANDY KENNEDY

If you soak up the Jackson Pollocks at the Museum of Modern Art while listening to the museum’s official rented $5 audio guide, you will hear informative but slightly dry quotations from the artist and commentary from a renowned curator. (“The grand scale and apparently reckless approach seem wholly American.”)

But the other day, a college student, Malena Negrao, stood in front of Pollock’s “Echo Number 25,” and her audio guide featured something a little more lively.
“Now, let’s talk about this painting sexually,” a man’s deep voice said. “What do you see in this painting?”

A woman, giggling, responded on the audio track: “Oh my God! You’re such a pervert. I can’t even say what that – am I allowed to say what that looks like?”

The exchange sounded a lot more like MTV than Modern Art 101, but for Ms. Negrao it had a few things to recommend it. It was free.
It didn’t involve the museum’s audio device, which resembles a cellphone crossed with a nightstick. And best of all, it was slightly subversive: an unofficial, homemade and thoroughly irreverent audio guide to MoMA, downloaded onto her own iPod.

The creators of this guide, David Gilbert, a professor of communication at Marymount Manhattan College, and a group of his students, describe it on their Web site as a way to “hack the gallery experience” or “remix MoMa,” which they do with a distinctly collegiate blend of irony, pop music and heavy breathing. It is one of the newest adaptations in the world of podcasting – downloading radio shows, music and kitchen-sink audio to an MP3 player.

Specifically, these museum guides are an outgrowth of a recent podcasting trend called “sound seeing,” in which people record narrations of their travels – walking on the beach, wandering through the French Quarter – and upload them onto the Internet for others to enjoy.
In that spirit, the creators of the unauthorized guides to the Modern have also invited anyone interested to submit his or her own tour for inclusion on the project’s Web site, mod.blogs.com/art_mobs. (Instructions are on the Web site.)

In the museum world, where the popularity of audio tours has grown tremendously over the last decade, the use of commercial MP3 players seems to be catching on.
Officials at the Walker Art Center in Minneapolis have discussed putting their new audio guide material on the Web for downloading to portable players.
Last year, the Mori Art Museum in Tokyo lent viewers iPods to use as audio guides for one exhibition, and Apple Computer has helped the Château de Chenonceau in the Loire Valley of France do the same thing, using the sonorous voice of the actor Michael Lonsdale.

But the rise of podcasting is now enabling museumgoers not simply to enjoy audio guides on a sleeker-looking device but also to concoct their own guides and tours.
A New York art Web site, woostercollective.com, recently made a sound-seeing tour of the Jean-Michel Basquiat retrospective at the Brooklyn Museum, which the Web site’s creators made in hushed tones while wandering through the show, sometimes quoting from the museum’s official audio guide, which they listened to as they chatted.

At Marymount, on the Upper East Side, Dr. Gilbert said he was partly inspired to create the unofficial guides after listening to the museum’s audio tours for children, which he found much more entertaining and engaging than the new ones recently introduced for grown-ups.

But Dr. Gilbert said his larger point was to try to teach his students to stop being passive information consumers – whether through television, radio or an official audio guide – and to take more control, using as his model the guru of so-called remix culture, Lawrence Lessig, a professor at Stanford Law School.

“It’s not incumbent on us to, you know, praise the art necessarily,” Dr. Gilbert said recently at the museum, wearing neon-green sunglasses and leading a group of students through the underground tour.
“That’s part of the playfulness and fun of this project.
If we want to say something irreverent or something scathing about the art, that can come out.” (In the name of politeness, the project’s Web site does tip its hat to the Modern: “Apologia: We love MoMA.
Hackers hack a platform out of respect for it.”)
Informed about the project last week, museum officials declined to reciprocate with their opinions, but also made no comments about instituting an iPod ban.

So far, the unofficial guides cover only a few of the museum’s works – by artists like Pollock, Cindy Sherman, Francis Bacon, Picasso, Max Beckmann and Marc Chagall, whose well-known “I and the Village” comes in for a critical pummeling by Jason Rosenfeld, a Marymount professor of art history, who calls it “the worst, most reductive kind of art” and blames Chagall for all the “ugly menorahs” and tacky stained-glass windows in modern synagogues.

“It’s the worst style that ever developed in the history of art,” he declares.

A visceral Bacon painting called “Painting” (1946) gets an all-music treatment that sometimes sounds like Metallica.
Beckmann receives a dark hip-hop soundtrack. (“If anybody cares/ I’ll be in the basement slitting my throat/ Happy New Year.”)
And the Pollock guide, while mostly sex-obsessed, does include the owner of the deep voice, John Benton, another Marymount communication professor, talking about Pollock’s calligraphic technique and his references to Roman art.

But lest any of this become boring, the discussion is also sprinkled with driving guitar riffs from the 1970’s song “Peaches,” by the Stranglers, along with echo effects and the sound of a woman moaning in pleasure.

“That’s not me doing that,” stressed Ms. Negrao, a Marymount junior who is one of the women’s voices on the Pollock guide. “That’s a sound effect.”

Last week, as she and her fellow students Liza Pastore, Cheryl Stoever and Aubrey Strickland gathered in a semicircle in front of the Pollock, other museumgoers crowding by would slow down and stare, wondering why the women were laughing and what they were hearing through those familiar white iPod earphones.

Later, in front of Ms. Sherman’s “Untitled No. 92,” the group roped in a stranger, Ashkan Sahihi, and persuaded him to listen along on one of their iPods to a funny and sometimes silly recorded exchange between students and professors about the photograph, with the soundtrack from the movie “Kill Bill” blasting in the background.

Mr. Sahihi smiled and bobbed his head to the beat and later pronounced the student production much better than the last audio guide he’d heard (and that was an official one narrated by David Bowie).

“Anybody who listens to those guides that you really get in museums,” he said, “you get pretty tired because usually it’s a very drawn-out explanation of why the museum was willing to pay so much money for a picture.”

“This is not just some expensive name telling me about expensive art,” he added. “Plus, it’s funny.”


Hierbij het werk van Beckmann, the family waarbij die mooie hiphop hoort waarover sprake in dit artikel.
Komaan, hack al die verschrikkelijke Belgische musea (hun websites alleen al!) en verspreid via Ipod nieuwe interpretaties, kortom haal ze uit de kunstsfeer weg en geef ze terug aan de mensen zoals de toekomstige gouverneur van Limburg zou zeggen.

Ik zet d
e site van de studenten bij mijn links, daar vind je alles over de manier van werken en allerlei voorbeelden en inspiratie om zelf aan de slag te gaan.
Wie begint er mee? Radio Clara? Of heeft die zelf ook zo’n beurt nodig?


zomerse dag (219)

501_1ba252bbb00a5750cbf72761bd074ec7

Een kruikje Falnerische wijn
haal je nu best uit de koele kelder.

In de tuin verstilt de tijd
en zelfs de dromen verdampen.

De grote woorden slapen
terwijl de vogels zingen.

(foto Han Singels 1983, Rijksmuseum A’dam.)


klasfoto uit 1889 (218)

284_e2176b7363a9ffa6d30e916dbc7e096e

Op mijn tochten naar de verloren boeken en gravures van Fernando Columbus, vond ik in een antiquariaat in Berlijn deze authentieke klasfoto uit 1889.

Op de foto staan 27 meisjes, met een lerares en de directeur van de school.
Ze hebben allen een nummer boven hun hoofd.
Achteraan heeft iemand met blauw anilinepotlood de 27 namen geschreven. Vanaf nr. 1, Paula Brummer tot nr. 27 Louise Stein.
Nummer tien, Liesbeth von Mocki is blijkbaar al in 1894 gestorven want naast haar naam staat een kruisje met die datum.

Als ik goed kijk, denk ik dat de foto tegen een buitenmuur is genomen, want je ziet de planten achter de meisjes, het zal waarschijnlijk mei of juni zijn.
Er is slechts één meisje, meisje nr. 14, Frieda Pusmann, die glimlacht. De rest kijkt van neutraal tot eerder stug.
Waarschijnlijk was er ook niet veel reden om te glimlachen in 1889, Berlijn, Duitsland.
De kinderen komen zeker niet uit een gegoed milieu, al zijn ze ook niet arm. Voor zo’n foto trok je je beste kleren aan, en als ik hen bekijk, dan zou je ze oneerbiedig bij de lagere burgerij kunnen plaatsen.(naar de Duitse normen van toen)

Al zal in 1889 de grote wereldtentoonstelling in Parijs openen en kan half Europa zich aan de Eifeltoren vergapen, in België wijken dat jaar meer dan 5000 mensen uit naar Amerika en Argentinië.
In het jachtslot Mayerling plegen de 30jarige kroonprins Rudolf van Habsburg en zijn geliefde, de 18jarige barones Maria Vetsera zelfmoord, en in Berlijn is Wilhelm II aan de macht gekomen na de driemaanden regering van Frederik.III. en zal weldra Bismarck het schip verlaten terwijl 85.000 kleine aandeelhouders van het Panamakanaal al hun centen kwijt zijn na het faillissement van Ferdinand de Lesseps, een schandaal dat de anti semitsche gevoelens erg aanwakkert.

In Brussel is er een advocaat, Henri La Fontaine die de “Société Belge pour l’arbitrage et la paix” opricht, een poging om internationale conflicten niet militair maar diplomatiek op te lossen.
Hij heeft vooruitstrevende ideeën over de emancipatie van de vrouw en ziet Brussel als internationale hoofdstad. (hij wil ook een internationaal documentatiecentrum oprichten)

In Duitsland zijn echter de schema’s voor een mogelijke mobilisatie opgesteld. Vooral de grote treinbewegingen om de troepen naar mogelijke fronten te brengen worden nauwkeurig in beeld gebracht, met het gevolg dat eens dit plan in gang wordt gezet, het niet meer zal te stoppen zijn.

Je voelt de kern van de grote oorlog aanwezig, de bloedige 20ste eeuw is in volle voorbereiding en mijn grootvader die later onder de forten van Luik de naam oorlogsinvalide zal duidelijk maken, ziet het levenslicht.

Terwijl kijken de 27 meisjes naar de fotograaf. In 1900 zullen ze ongeveer 22-23 jaar zijn, deze jonge vrouwen met hun anonieme geschiedenissen, leveranciers van jongens die in de Westhoek zullen sneuvelen of wiens kleinkinderen in het “duizendjarige” rijk zullen verdwijnen.

De onmacht van deze 27 blikken verbindt ons.


Internet crusaders (217)

 

 

 

615_14ea15e4ba0a0b833dd23e76ce391cf0Death by a Thousand Blogs
New York Times today

By NICHOLAS D. KRISTOF
Published: May 24, 2005

Beijing

The Chinese Communist Party survived a brutal civil war with the Nationalists, battles with American forces in Korea and massive pro-democracy demonstrations at Tiananmen Square.
But now it may finally have met its match – the Internet.

The collision between the Internet and Chinese authorities is one of the grand wrestling matches of history, visible in part at http://www.yuluncn.com.

That’s the Web site of a self-appointed journalist named Li Xinde.
He made a modest fortune selling Chinese medicine around the country, and now he’s started the Chinese Public Opinion Surveillance Net – one of four million blogs in China.

Mr. Li travels around China with an I.B.M. laptop and a digital camera, investigating cases of official wrongdoing.
Then he writes about them on his Web site and skips town before the local authorities can arrest him.

His biggest case so far involved a deputy mayor of Jining who is accused of stealing more than $400,000 and operating like a warlord.
One of the deputy mayor’s victims was a businesswoman whom he allegedly harassed and tried to kidnap.

Mr. Li’s Web site published an investigative report, including a series of photos showing the deputy mayor kneeling and crying, apparently begging not to be reported to the police.
The photos caused a sensation, and the deputy mayor was soon arrested.

Another of Mr. Li’s campaigns involved a young peasant woman who was kidnapped by family planning officials, imprisoned and forcibly fitted with an IUD.
Embarrassed by the reports, the authorities sent the officials responsible to jail for a year.

When I caught up with Mr. Li, he was investigating the mysterious death of a businessman who got in a financial dispute with a policeman and ended up arrested and then dead.

All this underscores how the Internet is beginning to play the watchdog role in China that the press plays in the West. The Internet is also eroding the leadership’s monopoly on information and is complicating the traditional policy of “nei jin wai song” – cracking down at home while pretending to foreigners to be wide open.My old friends in the Chinese news media and the Communist Party are mostly aghast at President Hu Jintao’s revival of ideological slogans, praise for North Korea’s political system and crackdown on the media.
The former leaders Jiang Zemin and Zhu Rongji are also said to be appalled.

Yet China, fortunately, is bigger than its emperor. Some 100 million Chinese now surf the Web, and e-mail and Web chat rooms are ubiquitous.

The authorities have arrested a growing number of Web dissidents.
But there just aren’t enough police to control the Internet, and when sites are banned, Chinese get around them with proxy servers.

One of the leaders of the Tiananmen democracy movement, Chen Ziming, is now out of prison and regularly posts essays on an Internet site.
Jiao Guobiao, a scholar, is officially blacklisted but writes scathing essays that circulate by e-mail all around China.
One senior government official told me that he doesn’t bother to read Communist Party documents any more, but he never misses a Jiao Guobiao essay.

I tried my own experiment, posting comments on Internet chat rooms.
In a Chinese-language chat room on Sohu.com, I called for multiparty elections and said, “If Chinese on the other side of the Taiwan Strait can choose their leaders, why can’t we choose our leaders?”
That went on the site automatically, like all other messages.
But after 10 minutes, the censor spotted it and removed it.

Then I toned it down:
“Under the Communist Party’s great leadership, China has changed tremendously.
I wonder if in 20 years the party will introduce competing parties, because that could benefit us greatly.”
That stayed up for all to see, even though any Chinese would read it as an implicit call for a multiparty system.

So where is China going?
I think the Internet is hastening China along the same path that South Korea, Chile and especially Taiwan pioneered.
In each place, a booming economy nurtured a middle class, rising education, increased international contact and a growing squeamishness about torturing dissidents.

President Hu has fulminated in private speeches that foreign “hostile forces” are trying to change China. Yup, count me in – anybody who loves China as I do would be hostile to an empty Mao suit like Mr. Hu.
But it’s the Chinese leadership itself that is digging the Communist Party’s grave, by giving the Chinese people broadband.

E-mail: nicholas@nytimes.com


Toen ik ze hier vertelde dat onze pers en media door twee persgroepen worden beheerd (gecontroleerd) en dat zoiets erg voelbaar is door hun verweven zijn met de industrie en dus politiek, keken ze me ongelovig aan.

Hoe moet ik ze uitleggen dat persconcentratie in België een bestaand feit is dat vrijwel op geen enkele politieke reactie kan rekenen?
Hoe moet ik ze uitleggen dat je zoiets aan de lijve kunt ondervinden, en dat bijvoorbeeld een publieke omroep steeds vanuit die groepen onder vuur komt te liggen?

Neem dus je laptop op en wandel.

Een citaat:

Aan Nederlandstalige kant verkocht De Persgroep van Christian Van Thillo eind 2004 “elke dag zo’n 240.000 kranten”, noteerde ‘Lej’ in De Standaard van 26 maart.
En ‘Lej’ ging verder: “De Morgen had eind 2004 een oplage van 51.495 exemplaren.
Het Laatste Nieuws verkocht 290.628 kranten.” Als wij goed kunnen tellen geeft dat samen geen 240.000 maar 342.123 kranten dagelijks.
De Tijd was eind 2004 volgens Le Soir, goed voor een (dalende) oplage van zo’n 39.000 exemplaren per dag. In totaal maakt dat voor De Persgroep zo’n 381.000 kranten per dag. Waarmee Van Thillo die ook nog eens de lakens uitdeelt bij VTM wel heel sterk komt te staan. De politicus die bv. in het dossier van de beheersovereenkomst met de VRT, tegen de wil van Van Thillo wil ingaan, moet wel heel sterk in zijn of haar schoenen staan. (jpe) (DIOGENE(S) 59)

ik verwijs hiervoor naar een website:
http://www.indymedia.be

Rembrandt kijkt je aan, al jaren.
Tekent hij zichzelf?


een fragment (216)

450_928e4cc7c88399d0ee8ca015f550e0f6

Dit is een fragment uit “Triangel, documenten bij een afscheid, een roman”.
Je kunt het ganse boek weldra  lezen via dit blog, titel bovenaan.

38. Woorden

Elk woord kun je oppompen.
Het krijgt dan een dikke buik zoals een aanstaande moeder. Is zijn tijd daar, komen er wel honderd kleine woordjes uit dat ene woord.
Ze zijn nog bloot en ze huilen omdat ze nog niets betekenen.Tot ze iemand vinden die hen verzint. Ze spurten om ter eerst naar een verhaaltje.

Het woordje ‘er’ van er was eens, wint meestal. Maar ook het woordje ‘toen’ -‘toen de winter voor de deur stond.’- heeft snelle voetjes.
Ik hou ook wel van trage woorden zoals ‘gelukkig’ waarmee verhaaltjes eindigen: ‘ze leefden nog lang en gelukkig’.
Woorden die een geheim verbergen of heel traag open bloeien vind ik het mooist.’Piramide’ of ‘verduizendvoudigen’ bijvoorbeeld.

Woorden met belletjes om hun enkels zoals ‘tierlantijntjes’ gebruik ik als ik droevig ben.

Nu ik vandaag naar buiten kijk, vind ik ‘morgenkrieken’ prachtig.
Het licht gekookt in rijstpapier, saffraan erbij, snuifje vanille, 24 krieken en enkele oranjesnippers. Het recept voor een vroege wintermorgen.

Warm in woorden bewaren

.Elias, engel zonder nepvleugels in hospitaalbed


onzichtbaar worden (215)

865_e09daedc3f797ea12f9f0492ab0a3ac7

RECYCLING

When in a fit of anger my father killed the cat,
Bartolo my cat
because it put its tail in his broth
and because it was already old and didn’t catch mice as it should
and because it was expensive to maintain,
when my drunk father killed it with his hands
there was a noisy confusion at home.
All came, all:
my sister said: save me the eyes
for a pair of earrings, and Martino,
our blind neighbor, bagged the guts
– you can make violin strings with them –
and mother, who cried at first, cried with me;
she wanted the fur
to put as a collar on her jacket,
and the whiskers
were bagged by my brother Eladio the mechanic,
and the fur on its paws became
nice pincushions
for the fat witch that lives at the back of the courtyard
and is a dressmaker.
What was left they boiled with salt and onions.
They gave it to Luis, who sleeps on our street,
because with it you can also make cat broth for the hungry.
I asked for the bones.
I bite them one after another in front of my sister’s mirror
because my grandmother said
that if you bite the right one you become invisible.

PIEDAD BONNET
Colombia


New York city in de toekomst? (214)

936_d5f1ab5c8b72d2c5642af45a9c67ad64

Er zijn natuurlijk ook toekomstvisioenen.
Eentje kreeg ik zo maar cadeau in de new York Times van deze morgend.

China, the World’s Capital
By NICHOLAS D. KRISTOF
KAIFENG, China

As this millennium dawns, New York City is the most important city in the world, the unofficial capital of planet Earth. But before we New Yorkers become too full of ourselves, it might be worthwhile to glance at dilapidated Kaifeng in central China.

Kaifeng, an ancient city along the mud-clogged Yellow River, was by far the most important place in the world in 1000. And if you’ve never heard of it, that’s a useful warning for Americans – as the Chinese headline above puts it, in a language of the future that many more Americans should start learning, “glory is as ephemeral as smoke and clouds.”

As the world’s only superpower, America may look today as if global domination is an entitlement. But if you look back at the sweep of history, it’s striking how fleeting supremacy is, particularly for individual cities.My vote for most important city in the world in the period leading up to 2000 B.C. would be Ur, Iraq. In 1500 B.C., perhaps Thebes, Egypt. There was no dominant player in 1000 B.C., though one could make a case for Sidon, Lebanon. In 500 B.C., it would be Persepolis, Persia; in the year 1, Rome; around A.D. 500, maybe Changan, China; in 1000, Kaifeng, China; in 1500, probably Florence, Italy; in 2000, New York City; and in 2500, probably none of the above.Today Kaifeng is grimy and poor, not even the provincial capital and so minor it lacks even an airport.
Its sad state only underscores how fortunes change.
In the 11th century, when it was the capital of Song Dynasty China, its population was more than one million. In contrast, London’s population then was about 15,000.

An ancient 17-foot painted scroll, now in the Palace Museum in Beijing, shows the bustle and prosperity of ancient Kaifeng. Hundreds of pedestrians jostle each other on the streets, camels carry merchandise in from the Silk Road, and teahouses and restaurants do a thriving business.
Kaifeng’s stature attracted people from all over the world, including hundreds of Jews.
Even today, there are some people in Kaifeng who look like other Chinese but who consider themselves Jewish and do not eat pork.

As I roamed the Kaifeng area, asking local people why such an international center had sunk so low, I encountered plenty of envy of New York.
One man said he was arranging to be smuggled into the U.S. illegally, by paying a gang $25,000, but many local people insisted that China is on course to bounce back and recover its historic role as world leader.

“China is booming now,” said Wang Ruina, a young peasant woman on the outskirts of town.
“Give us a few decades and we’ll catch up with the U.S., even pass it.”

She’s right. The U.S. has had the biggest economy in the world for more than a century, but most projections show that China will surpass us in about 15 years, as measured by purchasing power parity.

So what can New York learn from a city like Kaifeng?

One lesson is the importance of sustaining a technological edge and sound economic policies.
Ancient China flourished partly because of pro-growth, pro-trade policies and technological innovations like curved iron plows, printing and paper money.
But then China came to scorn trade and commerce, and per capita income stagnated for 600 years.

A second lesson is the danger of hubris, for China concluded it had nothing to learn from the rest of the world – and that was the beginning of the end.I worry about the U.S. in both regards.
Our economic management is so lax that we can’t confront farm subsidies or long-term budget deficits.
Our technology is strong, but American public schools are second-rate in math and science.
And Americans’ lack of interest in the world contrasts with the restlessness, drive and determination that are again pushing China to the forefront.

Beside the Yellow River I met a 70-year-old peasant named Hao Wang, who had never gone to a day of school. He couldn’t even write his name – and yet his progeny were different.

“Two of my grandsons are now in university,” he boasted, and then he started talking about the computer in his home.

Thinking of Kaifeng should stimulate us to struggle to improve our high-tech edge, educational strengths and pro-growth policies.
For if we rest on our laurels, even a city as great as New York may end up as Kaifeng-on-the-Hudson.


stilleven met kazen (213)

278_23eb27d678479aff877361cd9c9521c6

Op een rijk gedekte tafel ligt een flinke stapel kazen.
Daar omheen staan schalen met fruit, enkele glazen, een kan, wat noten, brood en een peer.
Felle kleuren overheersen in dit stilleven van Floris van Dijck: een wit damasten tafelkleed op een zwaar rood oosters kleed, gele kazen en geelrode appelen.
Zo’n stilleven met fruit, brood en kaas werd in de 17de eeuw een ‘ontbijtgen’ genoemd: een ontbijtje. Van Floris van Dijck zijn maar tien stillevens bekend.(tekst van het Rijksmuseum te A’dam waar het doek te zien is)

Van het ene wonderlijke naar het andere want wat is er mooiër dan dit stilleven ten onrechte nature morte genoemd want het doek zindert van het leven.

Hier zijn we terug in mijn geliefde 17de eeuw.
Floris Claesz Van Dijck is in 1575 in Delft geboren, trekt naar Italië (heeft hij er Sweerts ontmoet?) en laat ons tien wonderlijke stillevens na.

Kijk maar naar het damasten tafellaken, en naar het dure Wan Li porselein dat de Oost Indische Companie meebracht, en je kunt dan nog denken dat het schilderij een code inhoudt, zoals de vier elementen: aarde (fruit), vuur (porselein), lucht: insecten, en water: schelpen.

Dat is allemaal heel fraai maar ga niet voorbij aan de dadelijke betekenis: de smaak.
Je proeft de kaas in combinatie met de vruchten, en drink er een glas zoete wijn bij om je gehemelte te ronden.
Zoals Felix Timmermans over eten kon schrijven (ik heb in de kostschool meermaals de avond voor de kermis gelezen bij gebrek aan iets feestelijks tussen de kiezen!) zo schildert Joris Van Dijck vooral de smaak en daar werkt zowel het damasten tafelkleed als de lichtinval aan mee.

Na hem kwamen Nicolaas Gillis en Floris van Schooten met ontbijtjes, en als ik nu de tafel buiten dek, dan probeer ik met het eenvoudige van elke dag zo’n “ontbijtje” samen te stellen.
Aardbeien, een banaan, honing en zure sinaasappelconfituur, en daar notenbrood bij en de geur van Italiaanse koffie.
Enkele merels op de achtergrond, de poes in de grote tuinzetel, de regendruppels van de voorbije nacht.
Visioenen?
Ze bestaan.


het mysterie en de grote Objectiviteit (212)

774_a2bc79e00398a3247a96c4534f246102

Om zijn gevoelens bij zijn visioenen aan te duiden gebruikt Jung deze zin:

Von der Schönheit und der Intensität des Gefühls während der Visionen kann man sich keine Vorstellung machen.
Sie waren das UNGEHEUERSTE, was ich je erlebt habe.

“Ungeheuer” wil zeggen: kolossaal, reusachtig, ontzaggelijk, maar als znw. betekent het ook: “monster”, “spook”.
De dualiteit met de grijsheid van de dag die op de nachtelijke visioenen volgt wordt erdoor beklemtoond.
Tijdens die grijze dag was alles “te materieel”, te groot en te plomp. (schwerfällig)
“Ik werd ervan overtuigd,” schrijft hij, “dat “Leven” ein Existenzauschnitt, een bestaansonderdeel was, dat zich in een hiervoor ontworpen 3-dimensionele wereld afspeelt.”

Hij herinnert zich nog dat hij de verpleegster om excuses vroeg als ze zou “beschadigd” worden, er was een grote heiligheid in de kamer, en dat was gevaarlijk en kon haar schaden.
Hij is bang dat de heilige atmosfeer die hij ervaart anderen zou pijn doen.

“Damals verstand ich, warum man vom Raum erfüllende “Geruch” des Heiligen Geistes spricht.
Es war ein Pneuma im Raum von unaussprechliger Heiligkeit, deren Verdeutlichung das Mysteriums Coniunctionis war.”

Dat zo’n zalig gevoel mogelijk was had hij nooit gedacht, dat zo’n zaligheid kon blijven duren had hij nooit voor mogelijk gehouden.
De visioenen en belevenissen waren volkomen reëel; niets was gefantaseerd, sonder alles war von letzer Objektivität.

En daarmee belanden we terug bij dat begrip “ojectiviteit”, een begrip dat je hier allerminst zou verwachten.
Hij probeert het begrip te omschrijven vanuit zijn ervaringen en begint eerst met het woord “eeuwig” te bevragen.
Hij begrijpt de schroom tegenover dit woord, maar hoe moet hij anders zijn ervaringen beschrijven?
Een toestand, zegt hij, waarin heden, verleden en toekomst één zijn. Er waren geen tijdelijke begrippen meer waarmee je die ervaring kon meten.

“Wie kann ich mich vorstellen, dass ich gleichzeitig wie vorgestern, heute und übermorgen bin?
Dann hätte etwas noch nicht begonnen, etwas anderes wäre klarste Gegenwart, und wieder etwas wäre schon beendet – und doch war alles Eines.
Das einzige, was dag Gefühl erfassen könnte, wäre eine Summe, eine schillernde Ganzheit, in der Erwartung für das Beginnende ebenso enthalten ist wie Überraschung über das eben Geschehende und Befriedigung oder Enttäuschung über das Resultat des Vergangenen.
Ein unbeschreibliches Ganzes, in das man mit verwoben ist; und doch nimmt man es mit völliger Objektivität wahr.”

Deze laatste zinnen zijn van het mooiste Duits dat ik ken. Je moet ze opnieuw lezen, deconstrueren en plotseling wordt de betekenis en de veelzijdigheid aan semantiek zichtbaar.
Hij plaatst die objectiviteit die hij meemaakte in dromen en visioenen bij de voleindigde Individuaties.
Ze duidt op een losmaken van waardes en van dat wat we als gevoelsmatige verbondenheid aanduiden.
Mensen hebben zeer te doen met die gevoelsmatige verbondenheid, maar ze houdt nog steeds projecties in, en wil je tot die objectiviteit en tot het zelf komen dan moet je die projecties terug nemen.
Gevoelsbetrekkingen zijn betrekkingen van het verlangen, met dwang en onvrijheid belast. Je verwacht iets van de anderen waardoor deze en jij zelf onvrij worden.
Het objectieve inzicht staat achter de gevoelsmatige betrokkenheid. Zij schijnt het centrale geheim te zijn.
Slechts door die objectiviteit is een werkelijke “coniunctio” mogelijk.

Het lijkt een hele opdracht om zonder de ervaringen die Jung had die “objectiviteit” te beoefenen, maar je voelt duidelijk de richting die je kunt uitgaan en de valkuilen die de gevoelens voor ons gegraven hebben.
Daarom sluit ik af met een mooie schilderij waarop de ongelovige Thomas (wij allen dus) met zijn vinger in de verrezen Christus gaat om te zien of de wondes echt zijn.
Kijk naar de figuren. Ze zijn niet emotioneel omdat de heiland weer onder hen is verschenen. Ze zijn eerder wantrouwig. Kijk naar de man met het knijpbrilletje en zelfs de vermoeide Jezus schijnt het allemaal te veel te worden.
Toch gaat er een grote schoonheid uit van dit 17de eeuwse doek, want het brengt ons ongeloof in die Ganzheit erg menselijk in beeld, met een onthutsende objectiviteit.

En zegt Jung, of iets nu echt of vals is doet niets ter zake, ze staan NAAST de ervaringen die je meemaakt.
De aanwezigheid van onze ideeën en ervaringen is belangrijker dan de vraag naar hun subjectieve beoordeling.
Zou Zarathustra zich toch niet beter met kippen kweken hebben bezig gehouden?