wie was op welk ogenblik echt? (211)

962_a6dd47e6520c52f1b8d0051b756e1004

Zo sterk zijn zijn indrukken over de niet bestaande mozaïeken in Ravenna dat hij ze aanhaalt en beschrijft op een seminarie waarin over de oorspronkelijke opvatting van het doopsel als initiatie wordt gehandeld.
Ook seine Begleiterin kon lange tijd niet geloven dat wat zij “mit eigene Augen gesehen” had niet bestond.

Net zo vreemd vind ik dat Deirdre Bair niet over dit voorval spreekt in haar lijvige Jung biografie.
Wel zegt ze dat de familie moeilijk bronnen vrijgaf en dat zonder de zegen van de erven er niets kon geraadpleegd worden, maar WAAROM zij dit hoogst merkwaardige feit, verteld door Jung zelf in zijn “Erinnerungen, Traume, Gedanken” niet analyseert of plaatst komt me bijna onbegrijpelijk over.

Jung zelf zegt: het was een merkwaardige ervaring, maar verklaren is nauwelijks mogelijk.
Wel citeert hij een gebeurtenis uit het leven van de Romeinse keizerin Galla Placida (in 450 gestorven).
Op terugweg van Constantinopel, haar land van afkomst, naar Ravenna geraakt hun schip in een zware storm. Haar twee kinderen vergezellen haar en ze belooft een kerk te zullen bouwen als ze heelhuids uit het avontuur komen, wat uiteraard ook gebeurt.
Ze wil er ook de gevaren van de zee laten uitbeelden en zo wordt haar gelofte omgezet in de bouw van de San Giovanni in Ravenna die ze met mozaiëken laat versieren.
Tijdens de vroege middeleeuwen worden de kerk en de mozaieken door brand verwoest, maar in de Ambrosiana in Milaan bevinden zich nog schetsen van een voorstelling van Galla in een boot.

Ook raakt hij zijn betrokkenheid met de figuur van de keizerin aan. Haar stijl van leven, haar verbonden zijn met een barbaarse echtgenoot, het houdt Jung bezig, en hij trekt zich haar lot aan.
In het mausoleum vindt hij de kans toch nog enigzins met haar kontakt te maken, en haar lot vindt in zijn “anima” (de vrouwelijke kant in het wezen van de man) een passende historische uitdrukking.
Ik gebruik bijna letterlijk zijn eigen woorden.

“Die anima des Mannes trägt einen eminent historischen Charakter.
Als Personifikation des Unbewussten ist sie getränkt met Geschichte und Vorgeschichte.”

Kortom, al wat een man al heeft beleefd, ook in zgn. “vorige” levens, alles dus wat nog in hem levendig is, dat is die Anima.

“In mijn treffen met de Anima ben ik daadwerkelijk in kontakt gekomen met de gevaren die ik in de mozaieken zag voorgesteld.
“Bijna was ik verdronken. Het ging met mij zoals met Petrus die om hulp had geroepen en door Jezus werd gered.(…)
Ik ben er levend van afgekomen en de integratie van de onbewuste inhouden had wezenlijk tot vervolmaking van mijn persoonlijkheid bijgedragen.”

Hij zegt verder dat het natuurlijk een subjectieve overtuiging blijft, en of dit alles heeft plaats gevonden en wat het bewerkte, dat kan men alleen maar ervaren.

Hij haast zich om weer “wetenschappelijk” te worden:
Obschon sie kein wissenschaftlich zu qualifizierendes Faktum darstellt (als dat geen Duits is!) und damit ohne Verlust aus einem “offiziellen Weltbild” herausfallen könnte, bleibt sie doch eine praktisch ungemein wichtige und folgenreiche Tatsache, die auf alle Fälle von realistischen Psychotherapeuten kaum übersehen darf.”

Ik hoor hem weer terugvallen in zijn vroegere zekerheden, en het is pas na lang aarzelen dat hij toegeeft

“…dass ein Innen aussehen kann wie ein Aussen und ebenso ein Aussen wie ein Innen.
Die wirklichen Wände des Baptisteriums, welche mein physischen Augen sehen mussten, waren überdeckt und verwandelt durch eine Vision, die ebnso real war wie das unveränderte Taufbecken.
Was war in jenem Augenblick real?”

En om helemaal af te ronden zegt hij dat hij tot het besluit is gekomen dat wij in betrekking met het onbewuste nog heel wat ervaringen nodig hebben voor wij ons in theorieën vastleggen.

Jarenlang zal hij zijn grondige studie omtrent de alchimie geheim houden uit schrik te worden geklasseerd bij de niet-wetenschappers, maar meer en meer is hij ervan overtuigd dat we in deze mystieke ondergrond elkaar dieper kunnen bereiken dan in de theologische traktaten.
Maar dat is voor morgen.
Intussen rukken de Barbaroi op naar Rome, een stad waar Carl Jung nooit is geraakt


samen zien wat er niet was (210)

Minolta DSC

De eerste keer was hij in 1914 in Ravenna en toen reeds intrigeerde hem het Mausoleum van de Romeinse keizerin Galla Placida.

Galla Placida was een sterke vrouw bij wiens geboorte het Romeinse rijk in twee werd gedeeld.
Zij werd in het Oostelijk gedeelte geboren en groot gebracht.
De Oostelijke heerser benoemde zijn zoon Honorius tot keizer van het Westen.
In 402 verlaat Honorius Rome en Milaan en kiest hij Ravenna als hoofdstad van het Romeinse rijk.
Het lag in de moerassen en was daarom tamelijk veilig tegen de voortdurende aanvallen van de Wisigoten.

Galla Placida, dochter van de fameuze keizer Theodosius, zus van Honorius, mooi en erg godvruchtig huwt eerst met Athaulf, koning van de (rij ruwe) Wisigoten, daarna met de toekomstige Konstantijn III, de generaal van haar broer Honorius, en na de dood van haar broer wordt ze zelf Augusta in afwachting van de meerderjarigheid van haar zoontje.

Het is een nogal spannend en warrig verhaal maar ze had doorzettingsvermogen, deze vrouw.
Meegesleept naar legerkampen, tegen haar wil gehuwd met barbaarse vorsten, in eer hersteld, kortom een aanwezigheid

In 1931 keert Carl Jung terug naar Ravenna en weer komt hij onder de indruk van het mausoleum (al is het weinig waarschijnlijk dat de stoffelijke resten van Galla daar verblijven!)
Hij bezoekt de ruimte met een “Bekannten” (vrouw).
In het baptiserium, de doopkapel valt hem het speciale blauwe licht op, datzelfde blauwe licht overigens waarover hij het heeft tijdens zijn ziekte en nachtelijke visieoenen die ik gisteren beschreef.
Hij vroeg zich niet eens af waar het licht vandaan kwam, en tot zijn grootste verbazing zien ze, waar vroeger vensters waren, vier grote mozaikfresco’s van een bijzondere schoonheid.

Ich ärgerte mich auf meinen Gedächtnis zo ganz und gar nicht verlassen konnte.”

Aan de zuidkant kijken ze samen naar de doop in de Jordaan, aan de Noordkant zien ze de doorgang door de Rode Zee van de kinderen van Israel, en het derde verbleekte vlug in zijn herinnering.
De vierde, de mooiste mozaïk stelde Christus voor die de zinkende Petrus de hand reikte.
Voor die laatste mozaïk blijven ze zeker twintig minuten staan en ze discussiëren over de oorspronkelijke doopritus, in het bijzonder over het feit dat de werkelijke doopselritus met werkelijk doodsgevaar verbonden was. (het helemaal onderdompelen!)

Von dem Mosaik des untersinkenden Petrus bewahrte ich die deutlichste Errinerung und sehe noch heute jedes Detail vor mir:
Die Bläue des Meeres, die einzelnen Steine des Mosaiks, die Spruchbänder die ich zu entziffern suchte.
Nachdem wir das Baptisterium verlassen hatten, ging ich sogleich zu Alinari, um mir Photographien der Mosaiken zu kaufen, konnte aber keine finden.”

Omdat hij een andere afspraak heeft dacht hij eraan de foto’s van huis uit te bestellen.
Als hij weer thuis is, vraagt hij aan een vriend die naar Ravenna reist hem die foto’ s mee te brengen.
Die kan de bewuste foto’ s niet vinden want…die mozaieken schijnen NIET te bestaan.

WORDT VERVOLGD


de vurige tongen 3 (209)

481_5808cdda0653e58c1d2244198cb4279e

Het zal je duidelijk zijn, waarde dokter, dat ik het al enkele dagen, met het feest van Pinksteren in het centrum, het over “visioenen” heb.

De ervaringen van Jung lijken sterk op de bijna-dood-ervaringen, en deze extatische gevoelens worden waarschijnlijk door zuurstofgebrek in de hand gewerkt.

Ik ben te weinig geschoold om het over de fysica van het visioen te hebben, maar het gaat me eerder om de “manier van denken” te beklemtonen, de invloed die dergelijke visioenen op de verkrijger ervan en de wereld kunnen hebben.

In Jungs studie over het onbewuste beschrijft hij zijn “individuatie-proces” als het duidelijk maken van het eerder onbegrijpelijke leven in de schaduwpoelen van het zelf. (ik spreek met opzet het woord “ziel” niet uit.)

“Wer Bestimmung hat, hört die Stimme des Innern, er ist bestimmt.
Deshalb glaubt auch die Sage, dass er einen privaten Dämon habe, der ihn berät und dessen Aufträge er auszuführen hat.
Ein allbekanntes Beispiel dieser Art ist Faust, und ein historischer Fall is das Daimonion des SOKRATES.(…)
Bestimmung haben heisst im Ursinn: von einer Stimme angesprochen sein.

Als mooie voorbeelden geeft hij verder Goethe en Napoleon die hun “bestemmingsgevoel” onder ogen zagen.
Als tegenstem van deze innerlijke stemmen noemt hij “de stem van de sociale groep met haar conventies, en in plaats van de “bestemming” de collectieve noodzakelijkheden of wat daarvoor doorgaat.

Dat een persoonlijke bestemming volgen niet altijd in dank wordt afgenomen, ligt voor de hand, en zoals men toen zegde (1932) “Dat is toch allemaal maar psychologie”.

We zijn terug in 1944.
Jung herstelt, zijn dokter sterft aan bloedvergiftiging, een einde dat Jung hem (via zijn visioen) had voorsspeld.
Terwijl de Geallieerden landen in Normandië en ikzelf een baby van enkele maanden oud was, bleef Jung overdag eten weigeren en pas ‘s nachts kwam hij terug in die gelukzalige toestand.

Hij voelde zich alsof hij in de ruimte zweefde, beschermd door de baarmoeder van de kosmos in een enorme leegte, maar vervuld van de grootst mogelijke zaligheid.

‘Kijk, dat is nou de eeuwige zaligheid!” zei hij bij zichzelf.
Zijn kamer in het ziekenhuis leek zo “betoverd” dat hij er werkelijk gelukkig was.
Hij verwarde de nachtzuster met een “oude Joodse vrouw” die “ rituele koosjere maaltijden” voor hem klaarmaakte, terwijl ze in werkelijkheid gewoon de avondmaaltijd voor hem opwarmde die hij eerder had geweigerd.

Op de dag van zijn ongeval las hij een alchimistisch traktaat uit de 16de eeuw, Pardes rimmonim, van Moses Cordevero.
In zijn delirium nam hij de rol aan uit de tekst, die van rabbi Simon ben Jochai, de rabi die Malchuth ( het mannelijke element in de kosmos) en Tifireth (het vrouwelijke element) in de echt verbindt, in de pardes rimmonim, in de granaatappelboomgaard.

“Ich kan Ihnen nicht sagen, wie wunderbar das war. Ich konnte nur immerfort denken: “Das ist jetz der Granatapfelgarten…
Ich weiss nicht genau was für eine Rolle ich darin spielte.
Im grunde genommen war ich es selber: ich war die Hochzeit. Und meine Seligkeit war die einer seligen Hochzeit.”

Hij vertelt dan dat er een laatste visioen op hem afkwam: de bruilof van het Lam in het feestelijk versierde Jerusalem. Hij kon zijn geluk ook jaren nadien niet onder woorden brengen, er waren engelen bij en veel licht.

‘Ikzelf was de bruiloft van het Lam.”

En zo kwam hij in een antiek amfitheater dat er prachtig bij lag in het groen, en daar vond de “Hierosgamos” plaats (het heilige spel) zoals die beschreven staat in de Illias, de bruiloft tussen Zeus en Hera.

Met zijn genezing nemen de visioenen af. Hij zal ze nooit meer terugkrijgen.
Nog één keer, na de dood van zijn vrouw komt hij even terug in deze toestand en ziet hij haar als een jonge vrouw, niet vreugdevol, noch droevig, maar zoals hij het zelf beschrijft: objektiv wissend und erkennend, ohne die geringste Gefühlsreaktion, wie jenseits des Nebels der Affekte.

Hij besluit dit visioen met:

‘Angesichts einer solchen Ganzheit bleibt man sprachlos, denn man kann sie kaum fassen.’

Als ik de pagina’s lees en herlees in zijn eigen biografische notities dan valt mij telkens weer het “andere” Duits op dat hij gebruikt: een bijna liturgisch Duits daar waar hij meestal stevige zinnen neerzet zoals een wetenschapper uit Zwitserland betaamt.

Het woord “Ganzheit”, waarde psychie, zullen we nog hernemen in een volgende bijdrage.

Met de prent hierbij zijn we al in Ravenna, en daar zullen we straks verder struikelen over de vreemde kronkels die het onbewuste met ons voorheeft.


de vurige tongen 2 (208)

282_4d1e004e32477d1dd3d4029b9e056a31

Naar Carl Jung neem ik je mee, beste lotgenoot psychiater, zeker nu ik hoor dat de hedendaagse hersenstudies de psychoanalisten opnieuw in het brandpunt van de belangstelling hebben gezet, maar dat is een ander verhaal.

De dikke biografie van deze zeer oorspronkelijke denker, wetenschapper en psychiater, werd enkele jaren terug in het Nederlands vertaald.
Auteur Deirdre Bair probeerde vele draden rond dit boeiende leven samen te knopen en laat genoeg ruimte voor de lezer om zelf verder op zoek te gaan daar waar veel biografen hun onderwerp inpalmen en denken het als een soort bezit tegen ketterijen te moeten behoeden.

In het derde deel van zijn leven, hij was toen negenzestig overkwam Jung een ogenschijnlijk oppervlakkig ongelukje met erg diepe gevolgen.
Bij een wandeling had hij meer oog voor het landschap dan voor de begane grond, hij struikelde over zwart ijs en omdat hij zijn evenwicht wilde bewaren verdraaide hij zijn been.

Het gebroken kuitbeen zorgde echter voor complicaties. Door zijn voorgeschreven rust ontstonden er embolieën en die tastten zijn hart aan.Toen hij een hartaanval kreeg behandelde men hem met zuurstof en kamfer en hij kwam in wat hij z elf noemt: “iets tussen droom en extase”.

In zijn “Herinneringen Dromen Gedachten” beschrijft hij zijn visioenen in detail en toen ik ze deze nacht herlas, kon ik ze mij bijna helder voorstellen.

Hij zweefde hoog boven de aarde (later rekende hij het uit dat het zo’n 1500km moest geweest zijn om deze “verkleiningen” waar te nemen) zag de continenten diep onder zich en merkte ook een reusachtige brok steen op (dergelijke rotsblokken had hij aan de kust van Bengalen gezien, dacht hij.) Men bouwde er tempels in, en jawel, hij besteeg de trappen naar de binnenkant van de rots en nu laat ik hem zelf aan het woord:

Ik had het gevoel alsof alles van me afviel, of liever, alsof alles van me afgenomen werd; alles waarin ik geloofde, of wat ik wenste, of dacht, werd van me afgenomen. (…)
Het was een vreselijk pijnlijk proces. Ik was me bewust van alles wat ik had ervaren en gedaan, van alles wat er rond mij gebeurde.
Alles wat ik HAD, had ik nu bij mij.
Ik bestond eruit, bij wijze van spreken: ik bestond uit mijn verhaal, ik was deze bundel van feiten. Het was een gevoel van enorme armoe, en tegelijkertijd van grote tevredenheid.(…)
Ik was objectief.
Ik was wat ik geweest was.

 

Hij wilde de trap bestijgen maar de treden waren van lucht. Hij keek naar beneden, besefte dat hij zweefde en dat hij recht boven Europa was.
De dokter die hem behandelde speelde ook mee en kwam in gouden lauwerkrans gehuld als was hij gestuurd naar hem toe.
“O, nu moet ik terugkeren,” dacht hij.

Hij was diep teleurgesteld toen het visioen vervaagde en hij wakker werd.
Teleurstelling maakte plaats voor depressie.

Hij was verontwaardigd dat hij was teruggeroepen van de ‘horizon van de kosmos’ naar een ‘grijze wereld’ waar hij zichzelf moest ‘misleiden’ door zijn plaats weer in een van de “kleine doosjes” in te nemen, die elk individu veroordeelden tot een leven van tragische afzondering.

WORDT VERVOLGD


de vurige tongen 1 (207)

118_f3e0e5ceb29ddab868d27ea38aa1ff3c

Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen.
Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas dat zou uitbeelden in een star war-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.

Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij voortdurende ronde vormen opriep waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takketak van knikkende knieën en sidderende ledematen.

Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wie weet is de volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.

Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, de frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen wekelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet.
Ik vraag de heilige geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim van de Kabalist Moses Cordovero waarover ik het morgen zal hebben, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij de heiligheid geweest als toen want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.

als ik uit mijn slaapkamer klom stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangerikken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jidisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.

En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Luik gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.

Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Belgisch bier en Hollandse jenever ( Hertekamp), ook een ontvlambare materie, zeker toen ik aan de broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde mijn opa alle talen spreken toen hij ook in zo’n toestand was.
De brave broeder zijn mond bleef zeker één minuut openstaan voor hij mij besloot te excommuniceren en mijn verleden na te trekken (brave ouders dat wel, maar die grootvader…)

Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien.
Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de zestig voorbij.
Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.
De Heilige Geest mag dan al naar café’ s hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp fles, hij troostte mij ook door me beetje bij beetje te wapenen met wat woorden om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.
Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk het heilige spel, mooier het mystieke huwelijk, met de andere lagen van het denken en gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn For You en dreef hij mij het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken.

Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?
Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en de kat op tijd wegjaagt als ze het op de Pinkstervleugels heeft gemunt.

Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen al dan niet in homeopatische verhoudingen.


klaag de tijd maar aan (206)

810_eab029117cf9704960ab212dc0c2e9ef

Een jammerende oude vrouw zit op de grond.
Met één hand houdt ze vertwijfeld haar hoofd vast.
Haar hele lichaam straalt wanhoop uit: het dunne piekhaar, de duidelijk tandeloze mond, de grote onderkaak, de om het lijf zwabberende kleding.
Vooral de ogen van de vrouw zijn sprekend weergegeven: slechts kleine zwarte puntjes, hoog in witte oogkassen. De sterke licht-donkercontrasten en het zwarte kader om de tekening versterken het dramatisch effect.

De Spaanse kunstenaar Francisco de Goya (werkzaam in Madrid, Castilië) maakte deze tekening tussen 1808 en 1812.
Onder de tekening schreef hij in potlood de tekst ‘Quejate al tempio’ ofwel ‘Klaag de tijd maar aan ‘.
Een dubbelzinnige tekst, waarin het woord tijd zowel op haar leeftijd als op de periode kan slaan.

Die relatie tussen je eigen tijd zowel je eigen leven als de tijd waarin je leeft, is een vreemde relatie.
Toen ik jullie de tentoonstelling uit Chelsea bezorgde, viel het mij op dat het begrip tijd bijna werd opgeheven: in enkele seconden bereikte de hele tentoonstelling jullie en konden jullie naar hartelust zelf de sites uitproberen, de verbanden leggen, kortom: vanuit jullie werkkamers was de reis naar Chelsea (USA) overbodig geworden.

Dat heeft iets met de tijd van nu te maken: de tochten die “de geest” kan maken zijn eindeloos.
Of ze ook gemaakt worden?
Je zou dan een onderwijs moeten krijgen waarin je eerder verbanden leert ontdekken dan wel wetenswaardigheden an sich moet opdoen, waarin je de persoonlijke ervaring kunt kaderen naast de historische ervaringen voor ons.
Maar wie “ervaringen” zegt, schrijft ook “emoties”, en laat dat nu iets zijn wat deze tijd absoluut niet (meer) kan hanteren.

We hebben een overvloed aan programma’s “uit het leven gegrepen” maar we leven zelf nauwelijks.
De wereld is ons dreigend voorgesteld, en om elke hoek schijnt gevaar te loeren.
Het risico, zo nodig om ontdekkingen te doen, hebben we buiten gesloten.

Maar alle verzekeringen ten spijt, de anti depressiva vliegen de winkel uit, en hoe zekerder de zekerheden, hoe banger de mensen.
Dat heb je voor een groot gedeelte aan die “besmette” media te danken.

En hoe ouder je nu zelf wordt, hoe meer je voelt dat je je tijd hebt gehad.
Was dat een vrij natuurlijk gevoel in wat wij primitieve samenlevingen noemen, en stelde je daarmee je kennis en je ervaringen ten dienste van de aanstormende generatie, nu wacht de zetel met de hoge rug in het rusthuis (reserveren vanaf je veertig wordt)

En dat zoiets vreemde gevoelens oproept, moet Goya al geweten hebben.
“Klaag de tijd maar aan”, schrijft hij onder zijn tekening.
Hij wist dat de tijd waarin hij het schreef al niet gemakkelijk was, Napoleon die door Europa trok, de mensheid die zich voor de industrië¨le revolutue begon te krommen, de verschrikkelijke hongersnoden, de vlucht van het platteland, de nieuwe verdeling van Europa, en ga maar verder.

Heel fraai, maar als je dan voelt dat je eigen leven mee ten onder gaat, dan zal je dat machteloze gevoel bekruipen dat vaak uitmondt in het “après nous le déluge”.

Verbind dus maar deze prachtige tekening met de besmette media van gisteren, en je zult zien dat de vragen dezelfde zijn maar het antwoord nog steeds onduidelijk is.

En dat zijn dan bedenkingen op 8000 meter hoogte, op zoek naar verdwenen prenten, met de vurige tongen van Pinksteren in ’t vooruitzicht.
Als dat geen troost is!


besmette media (205)

507_b1d9d0d9281b47de5b172b441a4c5a41

The New York Times, today

Digerati Vogues, Caught Midcraze
By SARAH BOXER

Two sickly words, “contagious” and “viral,” are supreme compliments on the Internet. Now there’s a museum exhibition that honors the contagion, all those videos, e-mail messages and hoaxes that spread like wildfire on the Web.

“Contagious Media,” the exhibition, occupies a room in the temporary quarters of the New Museum of Contemporary Art in Chelsea.
A quick visit reveals more than a half-dozen media: a telephone, a few computer screens, a bunch of framed photographs, printed e-mail messages, various kinds of paper covered with Magic Marker messages, red paper hearts, a television screen and a yellow sweater on a hook.

Nothing looks contagious, except perhaps the sweater. It all seems sad and shabby.
Then again, maybe it is supposed to. (In Web design, this sort of carefully engineered basement look has a name, “dirt style.”)

The exhibition offers seven viral artifacts:
Black People Love Us! (a Web site), “Nike Sweatshop” (an e-mail exchange), “All your base are belong to us,” (a badly translated phrase from a Japanese video game), Hot or Not (a Web site), Fundrace (a Web site), Dancing Baby (a piece of animation) and the Rejection Line (a phone number).

Don’t worry if you’ve never heard of these.
It just means that you’re not cool.
And now that you’ve learned about them in the mainstream media (known as MSM on the Web), they’re not all that cool, either.

Dancing Baby, a bit of brilliant animation created in 1996 by Michael Girard, Robert Lurye and Ron Lussier, is easily the most famous, for a simple reason.
The computer folks caught the craze, and then the tube folks did: the dancing baby, spinning round and round, waving and bending, was a recurring hallucination on “Ally McBeal.”

Displayed on one of the museum’s computers, Dancing Baby is an object lesson in Internet culture.
No matter how fast something spreads online, the gold ring is television. New media, no matter how hip, want old-media affirmation.Another case: The largest display in the exhibition, a whole wall, is given over to Black People Love Us!, a Web site created by the brother-and-sister team of Jonah and Chelsea Peretti.
Four of the seven contagious objects in the exhibition are by one of the Perettis or both.

The site itself is designed to look as if it’s the work of a clueless white couple, Sally and Johnny.
The home page says: “We are well-liked by Black people so we’re psyched (since lots of Black people don’t like lots of White people)!!” The site includes captioned snapshots of Sally (in a yellow sweater) and Johnny having fun with black people.
There are testimonials from “real” black people, little red thumping hearts and comments from visitors to the site.
You get the idea.

In the museum, the display looks as if Sally and Johnny have put it together themselves.
The snapshots are framed and hung.
The readers’ e-mail messages are written in low-tech Magic Marker on various kinds of paper and stuck to the walls alongside red paper hearts.

But what about that huge television screen at the center of the wall continually playing a “Good Morning America” segment in which Diane Sawyer interviews the Perettis about their Web site? Suddenly the homemade mask is dropped. The Perettis seem almost as uncool as Sally and Johnny. Oops.

Of course, if your site is good enough, you can get away with bragging about your own virality.
The wall devoted to “Nike Sweatshop,” another Peretti project, emerges from its self-satisfaction intact.

Four years ago, Mr. Peretti, on learning that Nike customizes shoes, ordered his emblazoned with “Sweatshop.”
Nike kept giving reasons for canceling the order.
He kept swatting them away. In good Michael Moore fashion, he had the last word:
“I have decided to order the shoes with a different ID, but I would like to make one small request: Could you please send me a color snapshot of the 10-year-old Vietnamese girl who makes my shoes? Thanks.”
Nike had no response.

The show highlights not the original exchange but the reaction.
Running from floor to ceiling are the e-mail messages Mr. Peretti received after forwarding the original exchange to 10 friends.
He got 3,655 responses, the show says, from Jan. 15 to April 5, 2001.
It was a fabulous contagion. And the proof of it makes nice wallpaper.

The rest of the show is on a single countertop, where you’ll find one telephone and a lineup of computers.
And what’s this?
Someone left a napkin with a lipstick kiss on it.

“Call me!” the napkin demands.
There’s a number. Dial it. You won’t get a date. It is the Rejection Line, yet another Peretti production.
“Unfortunately, the person who gave you this number does not want to talk to you or see you again. We would like to take this opportunity to officially reject you.”
It’s grand and deserves to be viral forever.

But nothing is. On the counter, four computers each display a Web site that was once contagious. The sites now seem like pickled relics sitting in a science museum. They include Fundrace, where you can spy on your neighbors’ political contributions, and Hot or Not, where you can rate photos of men and women on a scale of 1 to 10 and see how often they check their ratings.

Finally, there is the cult classic “All your base are belong to us,” an animated slideshow that commemorates the time four years ago when some bad English from a 1989 Japanese video game began zipping around the Internet.

Does this culture sound adolescent? You bet. And male.

You needn’t set foot in the museum to enjoy all of this.
Just use your computer from home.
Why the exhibition, then?
Well, having a show at an offbeat museum may not be as good as getting on television or in print, but it’s something.

Spreading Online or by Phone

The Web sites and phone number discussed in this article:

DANCING BABY burningpixel.com/Baby/Babygif.htm

BLACK PEOPLE LOVE US! http://www.blackpeopleloveus.com/

‘NIKE SWEATSHOP’ http://www.shey.net/niked.html

FUNDRACE http://www.fundrace.org/

HOT OR NOT http://www.hotornot.com

‘ALL YOUR BASE ARE BELONG TO US’ http://www.planettribes.com/allyourbase/AYB2.swf

THE REJECT LINE: (212) 479-7990


Al de sites kun je hiernaast bij mijn links aanklikken
Voor het telefoonnummer zet je nog 00-1-


Une histoire naturelle (204)

869_5a73fc19293cef0a65739558b7353af5

Bram schreef me dat hij twee mooie Buffons had gekocht en of ik daarbij een beetje uitleg wilde verschaffen die de inhoud van het kadertje inderdaad zou kunnen kaderen.

Voluit heette hij George-Louis Leclerc(de) Buffon, en hij werd in 1707 als oudste van vijf geboren in Montbard.
Zijn pa was een belangrijk man, eigenaar van de ruiïnes van het kasteel van de hertogen van Bourgogne en zetelend in het parlement van Dijon, hij wist dus wel waar de mosterd vandaan kwam, Abraham.
Begint met wiskunde, studeert dan rechten en komt tenslotte uit via de école de médicine bij de botanica en de zoölogie.
Zo’n sjieke familie had grond genoeg om aldaar ter plekke het leven te observeren, vooral dan het dierlijke leven, alhoewel hij ook de wiskunde trouw bleef en vaak door Mademoiselle du Châtelet werd geraadpleegd bij haar vertaling van Newtons “Principia”.

Hij geraakt met Voltaire bevriend en wordt intendant du jardin du roi.
Zo heeft hij nog een tuintje bij en het is in 1749 dat de twee eerste delen van “l’ Histoire Naturelle” verschijnen, een werk dat zo’n 36 delen zal bevatten en waarin hij naast het zonnestelsel, de aarde ook de dierlijke bewoners zal klasseren en beschrijven, en waarin zijn confrère Daubenton voor de anatomie van verschillede species zal instaan.

In juli 1746, bij het verschijnen van deel 10 en 11 schrijft Voltaire een soort kritiek en ik citeer daaruit:

“Si des gens d’un goût sévère lui reprochent un peu trop de poésie dans son style, il faut convenir que ce défaut se pardonne bien plus aisément que la sécheresse et la pauvreté qu’on remarque dans d’autres ouvrages philosophiques de notre temps.”

Want Buffon krijgt de wind van voor, zowel uit kerkelijke kringen (hij komt immers op voor de veranderingen binnen de soort) en vanuit de werkelijk “geleerde” kringen die hem op heel wat fouten in zijn werk wijzen.

Interessant is dat Volaire er een mooie kritiek op het onderwijssysteem van die dagen aan toe voegt:

“Cette étude, jointe à celle des arts mécaniques, non moins recommandable, rendrait la première éducation moins sédentaire et plus conforme au voeu de la nature, qui exige un mouvement continuel pour l’âge de la croissance; le maître se promènerait avec ses disciples, de campagne en campagne, d’ateliers en ateliers, au lieu de les renfermer dans de vastes prisons et de les occuper à composer un thème, à argumenter sur une thèse et à d’autres travaux aussi nuisibles qu’insipides.
Cette étude conviendrait particulièrement à la curiosité du premier âge. L’ardeur de s’instruire est plus grande dans l’enfance, et la mémoire toute fraîche recevrait une nomenclature utile et réelle, au lieu de ce fatras de termes scolastiques, métaphysiques, théologiques, dépourvus de sens et d’idées.”

Het is dan ook niet te verbazen dat er speciale edities ontstaan pour “demoiselles” en voor “les jeunes” waarin de plaatjes van de histoire naturelle ook weer dienstig zijn. (1812)

Je twee mooie ingekaderde gravures zijn inderdaad gebruikt in het oorspronkelijke werk maar dateren waarschijnlijk uit een herdruk, einde 18de, begin 19de eeuw.
O ja, Buffon sterft in 1788 aan nierlijden. Er volgt een wetenschappelijke autopsie en verschillende “relikwieën” worden aan zijn kenissen uitgedeeld.
Ook mooi om in plaats van een bidprentje de pijnlijke nieren op sterk water te krijgen.

Het weze duidelijk dat de gravures door een schare goede graveurs zijn gemaakt zoals vermeld in de eerste druk van 1754.


winter in de lente (203)

567_5eb0e92b1504445bad976d54b3646bfb

Terwijl de schilder Sweerts naar het Oosten verlangde, schilderde geduldige Japanse handen deze twee mooie kamerschermen (1640)

Deze twee Japanse kamerschermen van beschilderd en verguld papier vormen een paar.
Het ene scherm met bloeiende camelia’s en frisgroene wilgentakken, heeft de lente als onderwerp. Het andere gaat over de winter: de rijp ligt op de altijd groene bamboe en de pruimenbloesems.
De bloemen en vogels zijn natuurgetrouw weergegeven, maar ze bevinden zich in een bijna abstract landschap: een voorgrond van geelgetint bladzilver, water aangegeven door een patroon van verticale golven en een achtergrond van vierkante blaadjes bladgoud.

Mocht ik de kunst bezitten dan zou ik nu de blauwe regen in de regen schilderen. Zijn schelpachtige blaadjes vallen in de donkere vijver.
De regen zorgt voor trage kringen.
Het heelal aan je voeten
De tuin is geduldig.

In welke wereld wil je ademen?


nog even moederdag (202)

038_47e6a628a4498c957779e027d79f640b

een artikel uit de New York times, eergisteren, moederdag

May 8, 2005

This Is Your Brain on Motherhood
By KATHERINE ELLISON

San Francisco

ANYONE shopping for a Mother’s Day card today might reasonably linger in the Sympathy section.
We can’t seem to stop mourning the state of modern motherhood.
“Madness” is our new metaphor. “Desperate Housewives” are our new cultural icons. And a mother’s brain, as commonly envisioned, is impaired by a supposed full-scale assault on sanity and smarts.

So strong is this last stereotype that when a satirical Web site posted a “study” saying that parents lose an average of 20 I.Q. points on the birth of their first child, MSNBC broadcast it as if it were true.
The danger of this perception is clearest for working mothers, who besides bearing children spend more time with them, or doing things for them, than fathers, according to a recent Department of Labor survey.

In addition, the more visibly “encumbered” we are, the more bias we attract: When volunteer groups were shown images of a woman doing various types of work, but in some cases wearing a pillow to make her look pregnant, most judged the “pregnant” woman less competent.
Even in liberal San Francisco, a hearing last month to consider a pregnant woman’s bid to be named acting director of the Department of Building Inspection featured four speakers commenting on her condition, with one asking if the city truly meant to hire a “pregnancy brain.”

But what if just the opposite is true?
What if parenting really isn’t a zero-sum, children-take-all game? What if raising children is actually mentally enriching for mothers – and fathers?

This is, in fact, what some leading brain scientists, like Michael Merzenich at the University of California, San Francisco, now believe.
Becoming a parent, they say, can power up the mind with uniquely motivated learning. Having a baby is “a revolution for the brain,” Dr. Merzenich says.

The human brain, we now know, creates cells throughout life, cells more likely to survive if they’re used.
Emotional, challenging and novel experiences provide particularly helpful use of these new neurons, and what adjectives better describe raising a child?
Children constantly drag their parents into challenging, novel situations, be it talking a 4-year-old out of a backseat meltdown on the Interstate or figuring out a third-grade homework assignment to make a model of a black hole in space.

Often, we’d rather be doing almost anything else.
Aging makes us cling ever more fiercely to our mental ruts. But for most of us, our unique bond with our children yanks us out of them.

And there are other ways that being a dedicated parent strengthens our minds.
Research shows that learning and memory skills can be improved by bearing and nurturing offspring.
A team of neuroscientists in Virginia found that mother lab rats, just like working mothers, demonstrably excel at time-management and efficiency, racing around mazes to find rewards and get back to the pups in record time.
Other research is showing how hormones elevated in parenting can help buffer mothers from anxiety and stress – a timely gift from a sometimes compassionate Mother Nature.
Oxytocin, produced by mammals in labor and breast-feeding, has been linked to the ability to learn in lab animals.

Rethinking the mental state of motherhood is reasonable after recent years of evolution of our notion of just what it means to be smart.
With our economy newly weighted with people-to-people jobs, and with many professions, including the sciences, becoming more multidisciplinary and collaborative, the people skills we’ve come to think of as “emotional intelligence” are increasingly prized by many wise employers.
An ability to tailor your message to your audience, for instance – a skill that engaged parents practice constantly – can mean the difference between failure and success, at home and at work, as Harvard’s president, Lawrence Summers, may now realize.

To be sure, sleep deprivation, overwork and too much “Teletubbies” can sap any parent’s synapses.
And to be sure, our society needs to do much more – starting with more affordable, high-quality child care and paid parental leaves – to catch up with other industrialized nations and support mothers and fathers in using their newly acquired smarts to best advantage.
That’s why some of the recent “mommy lit” complaints are justified, and probably needed to rouse society to action – if only because nobody will be able to stand our whining for much longer.

Still, it’s worth considering that the torrent of negativity about motherhood comes as part of an era in which intimacy of all sorts is on the decline in this country.
Geographically close extended families have long been passé.
The marriage rate has declined. And a record percentage of women of child-bearing age today are childless, many by choice.

It’s common these days to hear people say they don’t have time to maintain friendships.
Real relationships take a lot of time and work – it’s much more convenient to keep in touch by e-mail.
But children insist on face time. They fail to thrive unless we anticipate their needs, work our empathy muscles, adjust our schedules and endure their relentless testing. In the process, if we’re lucky, we may realize that just this kind of grueling work – with our children, or even with others who could simply use some help – is precisely what makes us grow, acquire wisdom and become more fully human.
Perhaps then we can start to re-imagine a mother’s brain as less a handicap than a keen asset in the lifelong task of getting smart.

Katherine Ellison is the author of “The Mommy Brain: How Motherhood Makes Us Smarter.”


De prent is van Peter de Hooch en je kunt ze in levende lijve zien in het Rijksmuseum te Amsterdam.
in een kamer met een bedstede zitten moeder en kind vredig bij elkaar.
De vrouw is verdiept in een heel prozaïsch werkje: zij ontluist het haar van haar kind. Een geraffineerd lichtspel leidt de aandacht van de toeschouwer van ruimte naar ruimte.
Het licht in het vertrek is wat omfloerst, de kamer erachter is heel zonnig. Door de openstaande deuren is de tuin te zien.
Een straal licht valt door het hoge raam en beschijnt de twee figuren. Ook de randjes van de kinderstoel en de koperen beddepan lichten op.
Het zonlicht weerspiegelt fel in de deur en doet de vloertegels en de borstharen van het hondje glinsteren.


netjes op een rij (201)

463_df0e474cd68de3714c65edbb166ceb10

Zijn grootvader waarschuwde hem:
“Wie ze te netjes op een rij heeft, dat is een bangerik.
Dat hij daarmee zijn talrijke dronkenschappen aanvaarbaar trachtte te maken, is zeker, maar tegelijkertijd preekte hij voor hen, kinderen, een ongekend aantrekkelijk evangelie: de chaos als bewijs van de zo gezochte normaliteit waarop kinderen gek zijn bij gebrek aan keuzes.

Zijn kamers op het landgoed waren dan ook een feest: brieven, boeken, mappen, eretekens, vergeelde foto’ s, reisdocumenten, dubbels, kampeerspullen, gegraveerde obussen, alles was er om aangeraakt te worden, om een rol te spelen in het dagelijks theater waarvan de voorstellingen tot na het invallen van de zomerdonkerte bleven duren.

Hijzelf was de toeschouwer.
Als het te langdradig werd, viel hij in slaap tot ze weer in Duinkerken ankerden en fier hun buit kwamen tonen die ze op de Engelsen veroverd hadden.
Over de grote oorlog sprak hij nooit.
Zijn zwarte bril over zijn gekwetste ogen en zijn kromgetrokken vingers waren voor hen het bewijs dat hij minstens zoveel had meegemaakt als kapitein Haak.

Als hij dronken thuiskwam, slopen ze naar hun kamers tot hij was uitgeraasd.

Iedereen heeft recht op zijn verdriet, zei zijn grootmoeder.

Als hij nu in het Guggenheim naar de verzameling blokken kijkt, weet hij dat hij hier niet is langs geweest.


en zelfs dan (200)

 

414_09c0231a6918f8cfa3da1b0510d40571

Als

Als de eerste man van oma niet was
vermoord, met een riek in zijn rug,
was oma niet hertrouwd en bestond
mijn moeder niet. Dat zou erg zijn.

Als de eerste vrouw van mijn vader
niet was verongelukt, was hij nooit
getrouwd met mijn moeder en dan
had ik niet bestaan. Dat zou erg zijn

voor dit gedicht.

Ted van Lieshout


zoveel tevergeefs (199)

320_f5205e494e1dad6f7c664bbbc192e3d7

Een stad in de regen,
zeggen we maar Parijs
en woorden druilen
tot de liefdes als papier maché
in brokjes uit elkander vallen.

Tevergeefs

Niets mag nog baten
of je ooit in eenhoorns
of Atlantis geloofde,
eens de regendagen beginnen is alles

Tevergeefs


geluiden uit een bezette stad (7) (198)

005_aaffc6d5277c47d0c915e1434e16123a

Over propaganda, heksen en ketters
M.C.J. de Jong

In een ideale gemeenschap zou eigenlijk elk persoon het recht moeten hebben zijn eigen mening te verkondigen, waarbij deze mening gerespecteerd zou moeten worden.
Dit is wat een democratie belooft. In de praktijk blijken er echter in alle bestaande gemeenschappen, zelfs gemeenschappen die zichzelf als uitgesproken democratisch beschouwen, mechanismen aan het werk te zijn die dit tot een utopie maken.
De manier waarop men een individu het zwijgen op kan leggen kan vele vormen aannemen, maar het belangrijkste mechanisme, dat andere mechanismen nodig heeft om te functioneren, is het proces van de criminalisatie.

Het belangrijkste aspect bij het doen zwijgen van een individu is het tot het wezen van dat individu maken dat het voor hem het beste is om zijn mond te houden over zijn opinie (politiek of religieus), of zijn seksuele geaardheid.
De basismethode om het individu te doen zwijgen, is hem bang te maken uit te komen voor zijn mening of gevoelens.
Om dit te bewerkstelligen is het nodig het aspect van zijn persoonlijkheid dat onderdrukt dient te worden te criminaliseren. De belangrijkste mechanismen om dat te doen zijn taal, taboes en het cultureel bepaalde systeem van “geloofsregels” (de in de cultuur vastgelegde “waarheden”). Deze zaken kunnen echter slechts zelden goed van elkaar onderscheiden worden omdat ze elkaar deels overlappen.

Een sterke steun voor deze mechanismen is het gebruik van de media. Deze media zijn vaak grotendeels op de hand van de meerderheid, en controleren aldus grotendeels de uitwisseling van informatie en de verspreiding van opinies.
Op deze manier kan het nieuwe concepten in het taalgebruik en in de cultuur invoeren.
Hierbij is het taboe een krachtig mechanisme om het verspreiden van (door de meerderheid) ongewenste meningen tegen te gaan.

Zoals George Orwell in zijn roman “1984” al aantoonde kan taal een zeer krachtig wapen zijn om individuen in toom te houden.
Taal kan het een individu letterlijk onmogelijk maken zijn werkelijke mening voldoende genuanceerd weer te geven.
Tevens kan taal een krachtig mechanisme zijn om mensen op een bepaalde manier over bepaalde dingen te laten denken.
Zelfs subtiele veranderingen in het normale spraakgebruik kunnen krachtige invloeden hebben op hoe mensen over een bepaalde daad of een bepaald concept denken.

Speciaal Amerikanen zijn meesters in het manipuleren van de verborgen boodschappen in taalgebruik.
Een voorbeeld is het woord “propaganda”. In het begin was dit een woord zonder negatieve betekenis dat waarschijnlijk voor het eerst gebruikt werd door de kerk van Rome voor hun organisatie ‘Congregatio de Propagande Fide’ (congregatie voor de verbreiding van het geloof), een organisatie van rooms-katholieke kardinalen opgericht in 1622 voor het uitvoeren van missiewerk.
Als zodanig werd het ook gebruikt door de Nazi’s (‘Ministerie van publieke voorlichting en propaganda’).
De Amerikanen wisten echter feilloos hieraan een negatieve lading te geven.
Veel minder subtiele voorbeelden liggen echter overal voor het oprapen, bijvoorbeeld de steeds vaker gebruikte kreet “zinloos geweld”, of het consequent beschrijven van mensen als “daders” en “slachtoffers”.
Ook wordt vaak stelselmatig misbruik gemaakt van een woord met een negatieve connotatie in een situatie die daar in feite in het geheel geen aanleiding toe geeft (een wederzijds als plezierig gevonden seksuele handeling consequent als “verkrachting” aanduiden). De moderne Franse filosoof Foucault heeft uitgebreid over deze materie geschreven.

Een ander mechanisme dat gebruikt wordt is expliciete en verborgen censuur.
Simpelweg door het maatschappelijk ongewenst te maken over bepaalde zaken te praten kan de publieke opinie gemanipuleerd worden.
Ook het opheffen van een in de cultuur verankerde “censuur”, een taboe, kan een machtsmiddel vormen.
Taboes dienen vaak om een situatie die beter met rust gelaten kan worden “met de mantel der liefde” te bedekken.
Dit omdat men in vroeger tijden, bewust of onbewust, hiertoe uit goede gronden besloten heeft.
Door het taboe open te breken, kan men een op zich vrij onschuldige maar ontvlambare situatie doenescaleren.
De effectiviteit van deze mechanismen is moeilijk te doorgronden wanneer men er “middenin zit”, maar om zich te realiseren hoe grondig ze ons denken kunnen beïnvloeden hoeft men alleen maar terug te kijken in de geschiedenis.
Buitengewoon dramatisch zijn bijvoorbeeld de gevallen van vervolging van religieuze minderheidsgroeperingen als de “ketters” (Katharen) in de middeleeuwen.
Alhoewel het hierbij gewoon ging om een kleine groep mensen die een lichtelijk afwijkende vorm van het christendom predikte (in feite een “lievere”, minder militante vorm), heeft de negatieve bijbetekenis van het woordje “ketter” nog steeds nauwelijks aan kracht ingeboet.
Al weten we ondertussen dat al de vooroordelen die daaraan ten grondslag lagen onzin waren.

Een andere kleine minderheidsgroep uit de middeleeuwen die zwaar onderdrukt werd bestond uit de mensen die probeerden een voorchristelijk “heidens” natuurgeloof in stand te houden, namelijk de wicca’s, die in de volksmond “heksen” genoemd werden.
Deze “heksen” zijn nog steeds hun negatieve beeldvorming niet kwijt.
Dit ondanks het feit dat allang gebleken is dat deze negatieve beeldvorming in feite nergens anders op gebaseerd was dan op de wens van de concurrerende christenen om van hen een vijandbeeld te scheppen.

Hoe criminalisatie werkt kan elke goede criminoloog U vertellen.
De sleutel tot “goed” criminaliseren is eenvoudig: neem een willekeurig concept, dat men als “slecht” aan een groter publiek kan verkopen en breng dit in verband met de te discrimineren groep, bouw hierop verder en generaliseer.
Als dit proces eenmaal gestart is, blijft het zichzelf instandhouden en versterken.
Door de aandacht te richten op bepaalde aspecten en gedragingen van personen uit deze groep (of door te verklaren dat een bepaalde misdadiger ook tot deze groep behoort) en deze daden en gedragingen door gebruikmaking van de media “op te blazen” en uit te vergroten, kan men de “slechtheid” hiervan steeds verder oprekken.
Door mensen uit de “doelgroep” over een kam te scheren en ze voortdurend in verband te brengen met het als “slecht” gebrandmerkte concept (door gebruikmaking van taal en de media) kan het criminalisatieproces op gang geholpen worden.
Omdat personen uit de doelgroep ook opgroeien met dit taalgebruik en voortdurend zullen moeten horen dat ze in verband gebracht worden met het gebrandmerkte concept zullen ze daarin zelf ook langzamerhand gaan geloven en, wat erger is, daarnaar gaan handelen.
Hierdoor zal het proces echter alleen maar in een stroomversnelling komen, omdat hierdoor het “bewijs” geleverd wordt dat de stelling klopt.

Een voorbeeld van dit proces is te vinden in de middeleeuwse heksenjachten. Er waren toen vele mensen die oprecht dachten dat ze een heks waren en hier ook naar handelden, bijvoorbeeld door iemand te “bezweren”.
Een steunpilaar waarop dit criminalisatieproces rust, is dus het feit dat de doelpersonen over zichzelf moeten gaan denken middels de negatieve taalconcepten die geschapen zijn door de meerderheid.

Een ander mechanisme aan het werk is isolatie van het individu.
Hier wordt de militaire tactiek van “isolatie en uitroeiing” toegepast.
Het belangrijkste is de “vijand” te isoleren en monddood te maken, omdat een geïsoleerde en tot zwijgen gebrachte vijand verder hulpeloos is.
De isolatie van de vijand, de onzichtbare barrières die voorkomen dat deze zich organiseert, kunnen tot stand gebracht worden door het proces van criminalisatie, door taboes en door legale en emotionele barrières op
te werpen.
Ook moet voorkomen worden dat de doelpersonen in contact komen met andere doelpersonen. Hiervoor wordt opnieuw gebruik gemaakt van taboes en criminalisatie.
De doelpersonen moeten geïsoleerd worden en voorkomen moet worden dat hun gedachtegoed verspreid wordt, ze moeten denken dat ze met hun gedachtegoed alleen staan en dat het onverstandig is dit uit te dragen.
Op deze manier “ingekapselde” personen, die hun gedachtegoed en hun gevoelens niet kwijt kunnen, zullen hierdoor gefrustreerd worden.
Het worden letterlijk “desperado’s”. br>Er is een grote kans dat vroeger of later bij een enkeling de psychische druk te groot wordt en hij gedreven door zijn frustratie, angst en zelfhaat een wanhoopsdaad begaat.
Hij verbreekt hiermee als het ware het “sociaal contract” dat hij met de samenleving heeft, omdat de samenleving zich in zijn ogen niet aan de voorwaarden van dit contract houdt.

De basis van elk “sociaal contract” is namelijk het recht om te proberen zijn eigen geluk na te streven zolang dit streven niet direct en aantoonbaar tot het ongeluk van een ander leidt.
Omdat hij door innerlijk overtuiging niet kan geloven dat zijn streven tot geluk onherroepelijk dit laatste als resultaat moet hebben kan hij ook onmogelijk voor zichzelf volhouden dat de samenleving zich aan haar “woord” houdt.
Het resultaat van een wanhoopsdaad is echter vaak alleen maar nog ernstigere schuldgevoelens, die verder assisteren in zijn criminalisatie, waardoor de mogelijkheden om zich tegen de situatie te verzetten verder afnemen.
Omdat onder druk van de frustratie zijn uitdrukkingsmogelijkheden tevens “geperverteerd” (in de zin van gewijzigd ten opzichte van zijn originele intentie) worden, bestaat er een grote kans dat dit tegen hem gebruikt zal worden, om nog maar te zwijgen over het gevaar dat dit direct legale maatregelen tegen hem uitlokt.
Intussen is het best mogelijk dat hij niet eens door heeft welke mechanismen tegen hem in het geweer zijn.
Men kan zo “ingepakt” zijn dat men zichzelf als een goed voorbeeld van het “kwaad” ziet. Men doet dit vaak in de desperate veronderstelling dat deze opstelling de mening van de onderdrukkende meerderheid wat zal verzachten.
Soms gaat dit zo ver dat een enkel individu uit de onderdrukte groep zich tegen zijn eigen “soortgenoten” keert.
Hij projecteert dan zijn eigen frustratie en zelfhaatgevoelens op de groep en wordt daardoor een nog gevaarlijkere vijand voor ze dan de meestal vrij ongeïnteresseerde massa.

Het belangrijkste punt is echter dat dit alles niet zo hoeft te gaan.
De oorspronkelijke mening van deze mensen kan best heel waardevol zijn, ook voor de meerderheid die deze mening zo krampachtig probeert te onderdrukken.In plaats van naar de stem der rede te luisteren, luistert de massa echter vaak liever naar de media en blijft ze in haar eigen sprookjes en verdraaiingen geloven.
Wat dan uiteindelijk telt is niet die oorspronkelijke mening van de onderdrukte persoon maar het luie en verdraaide drogbeeld dat de meerderheid daarvan heeft.
Ondertussen worden mensen hier wel het slachtoffer van, en doen ze schade aan zichzelf en aan de gemeenschap waarin ze leven.

M.C.J de Jong