idiot (225)

062_db9253b02ec9d843b9a7bba90e01a127

Honderden mensen sturen hun homemade postkaarten in.
Ze vertellen hun geheim.
Op hun manier.
Eén geheim per postkaart.
Ze versieren ze zelf, sommigen maken er ware kunstwerkjes van.
Alles gebeurt helemaal anoniem.
Je deelt elkaars geheimen.
Net zoals de grote meesters hun doeken schilderden, hun geheimen dus kenbaar maakten, zo maken mensen van over heel de wereld hun eigen kunstwerkje, met hun geheim.

 

de lof der zotheid (2) (224)

953_70da54901d21d61418f59d5ea316c065

De zotheid spreekt:

Als u ook mijn geboorteplaats wilt weten – want tegenwoordig vindt men het belangrijkste criterium voor adeldom de plaats waar je je eerste kreetje hebt geslaakt – ik ben niet op het zwervende Delos ter wereld gekomen, niet uit de zieden-de zee, niet ‘in gewelfde grotten’, maar op de eilanden der gelukzaligen, waar alles vanzelf groeit, zonder zaaien en zonder maaien. Daar bestaat geen pijn, geen ouderdom en geen ziekte.
Op de akkers zie je geen asfodillen, kaasjeskruid, zee-ui, lupine, bonen of dat soort onkruid.
Maar wat je ook kijkt en waar je ook ruikt, heerlijk komt je de vergeetbloem moly tegemoet, algenezer panacee, pijnstiller nepenthe, marjolein, ambrozijn, lotus, rozen en viooltjes, hyacinten en venusschoentjes. In dit paradijs ben ik geboren en natuurlijk heb ik het leven niet ingezet met gehuil, maar heb ik onmiddellijk mijn moeder lief toegelachen.
En ik benijd de allerhoogste zoon van Kronos zijn geit als voedster zeker niet, want mij hebben twee alleraardigste nimfen met hun borsten gezoogd, Roesje, Methe, de dochter van Bacchus, en Wilde, Apaidia, de dochter van Pan.
U ziet ze hier ook, in mijn gevolg van vriendinnen en dienares-sen.
Als u al hun namen wilt weten, dan zullen die me, met permissie, in het Grieks uit de mond komen.

De vrouw die u hier met opgetrokken wenkbrauwen ziet staan is Philautia, Eigenliefde.
Zij daar, die u als het ware toelacht met haar ogen en in de handen klapt heet Kolakia, Vleierij.
Van dit meisje dat er zo suf en slaperig uitziet, is Lethe, Vergetelheid, de naam.
Die met haar ellebogen op tafel en het hoofd in de handen wordt Misoponia, Laksheid, genoemd.
Zij met die krans van rozen op en druipend van parfums is Hedone, Genotzucht.
Met die vochtige naar alle kanten schietende ogen, dat is Anoia, Leeghoofd.
Die met de glanzende huid en het al te weldoorvoede lichaam is Truphe, Overdaad.

U ziet ook twee goden tussen de meisjes staan: de één heet Komos, Dronkemansoptocht, de ander Negretos Hupnos, Bodemloze Slaap.
En ik verzeker u, door de trouwe hulp van mijn gevolg breng ik van alles en nog wat onder mijn zeggenschap, ik, keizerin over keizers.

Mijn afkomst, opvoeding, en vrienden hebt u gehoord.
Spits nu uw oren om te horen met welke grote gaven ik goden én mensen begunstig en hoe ver mijn macht reikt.
Zo zal ieder-een zien dat ik met recht en reden de titel Godin voor mij opeis.
Want als een bepaalde schrijver treffend gezegd heeft dat het ware kenmerk van een godheid: stervelingen helpen, en als degenen die de mensheid hebben geleerd nuttige producten als wijn of graan of wat dies meer zij te verbouwen daarom terecht in de godenraad zijn opgenomen, dan mag ik, die in mijn eentje alles aan allen schenk, toch zeker met recht het alfa en omega van alle goden zijn en heten?


Best te geloven dat Thomas More ‘amused’ was bij ht lezen van deze spitse taal.
En dat de dwaasheid die hier aan het woord is zichzelf “een god” noemt, ligt niet zo ver van het verhaal waarmee Europa op Zeus rug in dit werelddeel belandde.

De goden zijn meer dan waar ook heer en meester geweest in dit wereldstuk.
De mix van Griekse en Romeinse sagen met de Germaans Frankische heldenverhalen doen het nog altijd als je de Europese televisiekanalen afschuimt.
En de moraalridders moet je vooral niet in het oosten maar aan Europa’s aardige borst gaan zoeken, want goed en kwaad blijkt zowat een Europees patent te zijn.

De kerstening van Europa probeerde de sporen van deze woud- en dondergoden uit te vegen, maar vermomd als middeleeuwse heks, gehuld in de gewaden van de ridders van de tafelronde, afgeborsteld in de Pruisische sprookjes, de nieuwe Wagneriaanse roep naar die pureté dangereuse, wroet nog altijd die polarisatie tussen geweten en geweld in de Europese harten en hebben wij ze naar de vier windstreken uitgevoerd, de kolonisators van de wereld om ze nu als jankende boemerang weer op onze Europese koppen te krijgen in zover we niet voor altijd geblindoekt en gehelmd zijn.

Dat de zotten mogen spreken is inderdaad geen vinding van Erasmus, maar hij geeft zijn dwaasheid een vrij sympathieke stem.

Van de stier naar het hobbelpaard is ook maar één gedachtensprongetje lang als je Hölderin geloven kunt:

Spottet ja anicht des Kinds, wenn es mit Peitsch und Sporn
Auf den Rosse von Holz mutig un gross sich dünkt,
Denn, ihr Deutschen, auch ihr seid
Tatenarm und gedankenvoll.

Oder kömmt, wie der Strahl aus dem Gewölke kömmt,
Aus Gedanken die Tat? Leben die Bücher bald?
O ihr Lieben, so nimmt mich
Dass ich büsse die Lästerung.

Ja, An die Deutschen zou net zo goed An die Europaer mogen heten, want eer daar die Bücher leben, zal ’t nog een tijdje duren, of ’t zouden de kasboeken moeten zijn.

 


de lof der zotheid (223)

753_0c173c24a418eba2d4701c80f504ba38

Op het platteland, 9 juni 1508

Beste Thomas,
Tijdens mijn recente terugreis uit Italië naar Engeland vond ik het zonde om alle tijd te paard te verspillen aan platvloerse, onbenullige kletspraatjes.
In plaats daarvan wilde ik me een tijdje ongestoord bezinnen op wat ons allebei na aan het hart ligt, en ook met warme gevoelens terugdenken aan de even geleerde als dierbare vrienden die ik hier had achtergelaten.
Een van de eersten aan wie ik moest denken was jij, Thomas.
Altijd als ik aan je denk wanneer we ver van elkaar zijn, is dat even prettig als je gezelschap toen we bij elkaar waren – en ik mag sterven als dat niet het aanminnigste is wat ik in mijn leven heb meegemaakt.
Dus omdat ik echt iets om handen wilde hebben en het me een minder geschikt moment leek voor serieus wetenschappelijk werk, besloot ik me te amuse-ren met een lof der Zotheid.
‘Welke godin van de wijsheid heeft dat in je hoofd laten opkomen?’ zul je zeggen.
In de eerste plaats bracht jouw achternaam More me op het idee.
Want die lijkt net zoveel op het Griekse woordje Moria, Zot- heid, als jijzelf van de betekenis ervan verschilt.
Een groter verschil is zelfs onmogelijk, daar is iedereen het over eens.
Ten tweede had ik zo’n vermoeden dat juist jij dit speelse geesteskind van me zou waarderen, omdat je nu eenmaal heel erg dol bent op zulk soort humor, die eigenlijk wel ge-leerd is – vlei ik me – en hier en daar ook nog wel spits.
Zelfs in het alledaagse leven speel je al vaak een soort Democritus.
Toch zijn je intelligentie en inzicht zo uitzonderlijk dat je er op alle punten anders over denkt dan de doorsnee mens.
Maar je bent weer zo ongelofelijk aardig en makkelijk van karakter dat je met elk soort mensen goed kunt omgaan, en ook nog met plezier.
Daarom zal je dit pronkredevoerinkje graag als een aandenken aan je makker aannemen.
Maar je zult het ook in bescherming nemen, omdat het aan jou gewijd is en dus al bij jou hoort en niet bij mij.
Want er zullen zeker criticasters met modder komen gooien.
Sommige zullen beweren dat dit niemendalletje te lichtzinnig is, en ongepast voor een theoloog, anderen dat het te agressief is, en strijdig met de ingetogenheid van een christen.
Ze zullen roepen dat ik met mijn agressieve aanvallen de oude komedie of een zekere Lucianus laat herleven.
Maar als mensen bezwaar hebben tegen het luchtige onderwerp en het speelse karakter, wil ik ze er graag aan herinneren dat ik hier niet origineel ben: in het verleden hebben grote schrijvers al vaak zoiets gedaan.

Eeuwen en eeuwen geleden heeft Homerus bij wijze van grapje zijn Muizenkikker-strijd geschreven, Virgilius De mug en De stamppot en Ovidius De notenboom.
Polycrates schreef een lofprijzing op Busiris, net als criticus Isocrates, Glauco op de onrechtvaardigheid, Favorinus op Thersites en op de derdedaagse koorts, Synesius op de kaalheid en Lucianus op de vlieg en op de kunst van het klaplopen.
Seneca schreef een ‘Apotheose’ van Keizer Claudius als niemendalletje, Plutarchus een dialoog tussen Gryllus en Odysseus, Lucianus en Apuleius iets met een ezel als hoofd-persoon en een anonymus het Testament van het biggetje Knorrie Krokelodokus, dat ook door de heilige Hieronymus wordt genoemd.

Zodoende verzoek ik mijn critici om het maar op te vatten alsof ik hiermee een spelletje schaak ter ontspanning heb gespeeld of desnoods ‘aan het hoepelen ben geweest’.
Want het is wel erg onrechtvaardig om elke beroepsgroep zijn ei-gen amusement te gunnen, maar intellectuelen elke vorm van amusement te verbieden.
En vooral als ‘de grapjes serieu-ze consequenties hebben’ en de humor zo wordt aangepakt dat een lezer die ‘geen plank voor zijn hoofd heeft’ er meer van opsteekt dan van de strikt logische of verleidelijke argumenten die bepaalde mensen hanteren.


Lees verder in het boek Lof der Zotheid van Desiderius Erasmus vertaald door Harm-Jan van Dam en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2001.
Oorspronkelijke titel: “Morias Enkomion, id est, Stultitiae laus, Erasmi Roterodami declamatio”. ISBN 90 253 1129 6.
Lees ook “De Mensheid zij geprezen” van Arnon Grunberg.
WORDT VERVOLGD