753_0c173c24a418eba2d4701c80f504ba38

Op het platteland, 9 juni 1508

Beste Thomas,
Tijdens mijn recente terugreis uit Italië naar Engeland vond ik het zonde om alle tijd te paard te verspillen aan platvloerse, onbenullige kletspraatjes.
In plaats daarvan wilde ik me een tijdje ongestoord bezinnen op wat ons allebei na aan het hart ligt, en ook met warme gevoelens terugdenken aan de even geleerde als dierbare vrienden die ik hier had achtergelaten.
Een van de eersten aan wie ik moest denken was jij, Thomas.
Altijd als ik aan je denk wanneer we ver van elkaar zijn, is dat even prettig als je gezelschap toen we bij elkaar waren – en ik mag sterven als dat niet het aanminnigste is wat ik in mijn leven heb meegemaakt.
Dus omdat ik echt iets om handen wilde hebben en het me een minder geschikt moment leek voor serieus wetenschappelijk werk, besloot ik me te amuse-ren met een lof der Zotheid.
‘Welke godin van de wijsheid heeft dat in je hoofd laten opkomen?’ zul je zeggen.
In de eerste plaats bracht jouw achternaam More me op het idee.
Want die lijkt net zoveel op het Griekse woordje Moria, Zot- heid, als jijzelf van de betekenis ervan verschilt.
Een groter verschil is zelfs onmogelijk, daar is iedereen het over eens.
Ten tweede had ik zo’n vermoeden dat juist jij dit speelse geesteskind van me zou waarderen, omdat je nu eenmaal heel erg dol bent op zulk soort humor, die eigenlijk wel ge-leerd is – vlei ik me – en hier en daar ook nog wel spits.
Zelfs in het alledaagse leven speel je al vaak een soort Democritus.
Toch zijn je intelligentie en inzicht zo uitzonderlijk dat je er op alle punten anders over denkt dan de doorsnee mens.
Maar je bent weer zo ongelofelijk aardig en makkelijk van karakter dat je met elk soort mensen goed kunt omgaan, en ook nog met plezier.
Daarom zal je dit pronkredevoerinkje graag als een aandenken aan je makker aannemen.
Maar je zult het ook in bescherming nemen, omdat het aan jou gewijd is en dus al bij jou hoort en niet bij mij.
Want er zullen zeker criticasters met modder komen gooien.
Sommige zullen beweren dat dit niemendalletje te lichtzinnig is, en ongepast voor een theoloog, anderen dat het te agressief is, en strijdig met de ingetogenheid van een christen.
Ze zullen roepen dat ik met mijn agressieve aanvallen de oude komedie of een zekere Lucianus laat herleven.
Maar als mensen bezwaar hebben tegen het luchtige onderwerp en het speelse karakter, wil ik ze er graag aan herinneren dat ik hier niet origineel ben: in het verleden hebben grote schrijvers al vaak zoiets gedaan.

Eeuwen en eeuwen geleden heeft Homerus bij wijze van grapje zijn Muizenkikker-strijd geschreven, Virgilius De mug en De stamppot en Ovidius De notenboom.
Polycrates schreef een lofprijzing op Busiris, net als criticus Isocrates, Glauco op de onrechtvaardigheid, Favorinus op Thersites en op de derdedaagse koorts, Synesius op de kaalheid en Lucianus op de vlieg en op de kunst van het klaplopen.
Seneca schreef een ‘Apotheose’ van Keizer Claudius als niemendalletje, Plutarchus een dialoog tussen Gryllus en Odysseus, Lucianus en Apuleius iets met een ezel als hoofd-persoon en een anonymus het Testament van het biggetje Knorrie Krokelodokus, dat ook door de heilige Hieronymus wordt genoemd.

Zodoende verzoek ik mijn critici om het maar op te vatten alsof ik hiermee een spelletje schaak ter ontspanning heb gespeeld of desnoods ‘aan het hoepelen ben geweest’.
Want het is wel erg onrechtvaardig om elke beroepsgroep zijn ei-gen amusement te gunnen, maar intellectuelen elke vorm van amusement te verbieden.
En vooral als ‘de grapjes serieu-ze consequenties hebben’ en de humor zo wordt aangepakt dat een lezer die ‘geen plank voor zijn hoofd heeft’ er meer van opsteekt dan van de strikt logische of verleidelijke argumenten die bepaalde mensen hanteren.


Lees verder in het boek Lof der Zotheid van Desiderius Erasmus vertaald door Harm-Jan van Dam en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2001.
Oorspronkelijke titel: “Morias Enkomion, id est, Stultitiae laus, Erasmi Roterodami declamatio”. ISBN 90 253 1129 6.
Lees ook “De Mensheid zij geprezen” van Arnon Grunberg.
WORDT VERVOLGD