953_70da54901d21d61418f59d5ea316c065

De zotheid spreekt:

Als u ook mijn geboorteplaats wilt weten – want tegenwoordig vindt men het belangrijkste criterium voor adeldom de plaats waar je je eerste kreetje hebt geslaakt – ik ben niet op het zwervende Delos ter wereld gekomen, niet uit de zieden-de zee, niet ‘in gewelfde grotten’, maar op de eilanden der gelukzaligen, waar alles vanzelf groeit, zonder zaaien en zonder maaien. Daar bestaat geen pijn, geen ouderdom en geen ziekte.
Op de akkers zie je geen asfodillen, kaasjeskruid, zee-ui, lupine, bonen of dat soort onkruid.
Maar wat je ook kijkt en waar je ook ruikt, heerlijk komt je de vergeetbloem moly tegemoet, algenezer panacee, pijnstiller nepenthe, marjolein, ambrozijn, lotus, rozen en viooltjes, hyacinten en venusschoentjes. In dit paradijs ben ik geboren en natuurlijk heb ik het leven niet ingezet met gehuil, maar heb ik onmiddellijk mijn moeder lief toegelachen.
En ik benijd de allerhoogste zoon van Kronos zijn geit als voedster zeker niet, want mij hebben twee alleraardigste nimfen met hun borsten gezoogd, Roesje, Methe, de dochter van Bacchus, en Wilde, Apaidia, de dochter van Pan.
U ziet ze hier ook, in mijn gevolg van vriendinnen en dienares-sen.
Als u al hun namen wilt weten, dan zullen die me, met permissie, in het Grieks uit de mond komen.

De vrouw die u hier met opgetrokken wenkbrauwen ziet staan is Philautia, Eigenliefde.
Zij daar, die u als het ware toelacht met haar ogen en in de handen klapt heet Kolakia, Vleierij.
Van dit meisje dat er zo suf en slaperig uitziet, is Lethe, Vergetelheid, de naam.
Die met haar ellebogen op tafel en het hoofd in de handen wordt Misoponia, Laksheid, genoemd.
Zij met die krans van rozen op en druipend van parfums is Hedone, Genotzucht.
Met die vochtige naar alle kanten schietende ogen, dat is Anoia, Leeghoofd.
Die met de glanzende huid en het al te weldoorvoede lichaam is Truphe, Overdaad.

U ziet ook twee goden tussen de meisjes staan: de één heet Komos, Dronkemansoptocht, de ander Negretos Hupnos, Bodemloze Slaap.
En ik verzeker u, door de trouwe hulp van mijn gevolg breng ik van alles en nog wat onder mijn zeggenschap, ik, keizerin over keizers.

Mijn afkomst, opvoeding, en vrienden hebt u gehoord.
Spits nu uw oren om te horen met welke grote gaven ik goden én mensen begunstig en hoe ver mijn macht reikt.
Zo zal ieder-een zien dat ik met recht en reden de titel Godin voor mij opeis.
Want als een bepaalde schrijver treffend gezegd heeft dat het ware kenmerk van een godheid: stervelingen helpen, en als degenen die de mensheid hebben geleerd nuttige producten als wijn of graan of wat dies meer zij te verbouwen daarom terecht in de godenraad zijn opgenomen, dan mag ik, die in mijn eentje alles aan allen schenk, toch zeker met recht het alfa en omega van alle goden zijn en heten?


Best te geloven dat Thomas More ‘amused’ was bij ht lezen van deze spitse taal.
En dat de dwaasheid die hier aan het woord is zichzelf “een god” noemt, ligt niet zo ver van het verhaal waarmee Europa op Zeus rug in dit werelddeel belandde.

De goden zijn meer dan waar ook heer en meester geweest in dit wereldstuk.
De mix van Griekse en Romeinse sagen met de Germaans Frankische heldenverhalen doen het nog altijd als je de Europese televisiekanalen afschuimt.
En de moraalridders moet je vooral niet in het oosten maar aan Europa’s aardige borst gaan zoeken, want goed en kwaad blijkt zowat een Europees patent te zijn.

De kerstening van Europa probeerde de sporen van deze woud- en dondergoden uit te vegen, maar vermomd als middeleeuwse heks, gehuld in de gewaden van de ridders van de tafelronde, afgeborsteld in de Pruisische sprookjes, de nieuwe Wagneriaanse roep naar die pureté dangereuse, wroet nog altijd die polarisatie tussen geweten en geweld in de Europese harten en hebben wij ze naar de vier windstreken uitgevoerd, de kolonisators van de wereld om ze nu als jankende boemerang weer op onze Europese koppen te krijgen in zover we niet voor altijd geblindoekt en gehelmd zijn.

Dat de zotten mogen spreken is inderdaad geen vinding van Erasmus, maar hij geeft zijn dwaasheid een vrij sympathieke stem.

Van de stier naar het hobbelpaard is ook maar één gedachtensprongetje lang als je Hölderin geloven kunt:

Spottet ja anicht des Kinds, wenn es mit Peitsch und Sporn
Auf den Rosse von Holz mutig un gross sich dünkt,
Denn, ihr Deutschen, auch ihr seid
Tatenarm und gedankenvoll.

Oder kömmt, wie der Strahl aus dem Gewölke kömmt,
Aus Gedanken die Tat? Leben die Bücher bald?
O ihr Lieben, so nimmt mich
Dass ich büsse die Lästerung.

Ja, An die Deutschen zou net zo goed An die Europaer mogen heten, want eer daar die Bücher leben, zal ’t nog een tijdje duren, of ’t zouden de kasboeken moeten zijn.