het mysterie en de grote Objectiviteit (212)

774_a2bc79e00398a3247a96c4534f246102

Om zijn gevoelens bij zijn visioenen aan te duiden gebruikt Jung deze zin:

Von der Schönheit und der Intensität des Gefühls während der Visionen kann man sich keine Vorstellung machen.
Sie waren das UNGEHEUERSTE, was ich je erlebt habe.

“Ungeheuer” wil zeggen: kolossaal, reusachtig, ontzaggelijk, maar als znw. betekent het ook: “monster”, “spook”.
De dualiteit met de grijsheid van de dag die op de nachtelijke visioenen volgt wordt erdoor beklemtoond.
Tijdens die grijze dag was alles “te materieel”, te groot en te plomp. (schwerfällig)
“Ik werd ervan overtuigd,” schrijft hij, “dat “Leven” ein Existenzauschnitt, een bestaansonderdeel was, dat zich in een hiervoor ontworpen 3-dimensionele wereld afspeelt.”

Hij herinnert zich nog dat hij de verpleegster om excuses vroeg als ze zou “beschadigd” worden, er was een grote heiligheid in de kamer, en dat was gevaarlijk en kon haar schaden.
Hij is bang dat de heilige atmosfeer die hij ervaart anderen zou pijn doen.

“Damals verstand ich, warum man vom Raum erfüllende “Geruch” des Heiligen Geistes spricht.
Es war ein Pneuma im Raum von unaussprechliger Heiligkeit, deren Verdeutlichung das Mysteriums Coniunctionis war.”

Dat zo’n zalig gevoel mogelijk was had hij nooit gedacht, dat zo’n zaligheid kon blijven duren had hij nooit voor mogelijk gehouden.
De visioenen en belevenissen waren volkomen reëel; niets was gefantaseerd, sonder alles war von letzer Objektivität.

En daarmee belanden we terug bij dat begrip “ojectiviteit”, een begrip dat je hier allerminst zou verwachten.
Hij probeert het begrip te omschrijven vanuit zijn ervaringen en begint eerst met het woord “eeuwig” te bevragen.
Hij begrijpt de schroom tegenover dit woord, maar hoe moet hij anders zijn ervaringen beschrijven?
Een toestand, zegt hij, waarin heden, verleden en toekomst één zijn. Er waren geen tijdelijke begrippen meer waarmee je die ervaring kon meten.

“Wie kann ich mich vorstellen, dass ich gleichzeitig wie vorgestern, heute und übermorgen bin?
Dann hätte etwas noch nicht begonnen, etwas anderes wäre klarste Gegenwart, und wieder etwas wäre schon beendet – und doch war alles Eines.
Das einzige, was dag Gefühl erfassen könnte, wäre eine Summe, eine schillernde Ganzheit, in der Erwartung für das Beginnende ebenso enthalten ist wie Überraschung über das eben Geschehende und Befriedigung oder Enttäuschung über das Resultat des Vergangenen.
Ein unbeschreibliches Ganzes, in das man mit verwoben ist; und doch nimmt man es mit völliger Objektivität wahr.”

Deze laatste zinnen zijn van het mooiste Duits dat ik ken. Je moet ze opnieuw lezen, deconstrueren en plotseling wordt de betekenis en de veelzijdigheid aan semantiek zichtbaar.
Hij plaatst die objectiviteit die hij meemaakte in dromen en visioenen bij de voleindigde Individuaties.
Ze duidt op een losmaken van waardes en van dat wat we als gevoelsmatige verbondenheid aanduiden.
Mensen hebben zeer te doen met die gevoelsmatige verbondenheid, maar ze houdt nog steeds projecties in, en wil je tot die objectiviteit en tot het zelf komen dan moet je die projecties terug nemen.
Gevoelsbetrekkingen zijn betrekkingen van het verlangen, met dwang en onvrijheid belast. Je verwacht iets van de anderen waardoor deze en jij zelf onvrij worden.
Het objectieve inzicht staat achter de gevoelsmatige betrokkenheid. Zij schijnt het centrale geheim te zijn.
Slechts door die objectiviteit is een werkelijke “coniunctio” mogelijk.

Het lijkt een hele opdracht om zonder de ervaringen die Jung had die “objectiviteit” te beoefenen, maar je voelt duidelijk de richting die je kunt uitgaan en de valkuilen die de gevoelens voor ons gegraven hebben.
Daarom sluit ik af met een mooie schilderij waarop de ongelovige Thomas (wij allen dus) met zijn vinger in de verrezen Christus gaat om te zien of de wondes echt zijn.
Kijk naar de figuren. Ze zijn niet emotioneel omdat de heiland weer onder hen is verschenen. Ze zijn eerder wantrouwig. Kijk naar de man met het knijpbrilletje en zelfs de vermoeide Jezus schijnt het allemaal te veel te worden.
Toch gaat er een grote schoonheid uit van dit 17de eeuwse doek, want het brengt ons ongeloof in die Ganzheit erg menselijk in beeld, met een onthutsende objectiviteit.

En zegt Jung, of iets nu echt of vals is doet niets ter zake, ze staan NAAST de ervaringen die je meemaakt.
De aanwezigheid van onze ideeën en ervaringen is belangrijker dan de vraag naar hun subjectieve beoordeling.
Zou Zarathustra zich toch niet beter met kippen kweken hebben bezig gehouden?