beter nog een niet-burger te zijn (222)

482_30c25c4f283a71be92b8525e40209ceb

Dürer maakt van dit portret een eigen uithangbordje: zijn A.D. vignet, zijn Latijnse en Griekse teksten, de denkbeeldige studeerkamer waarin de geleerde zich bevindt, Dürer eigent zich Erasmus toe, want wie de grote merken binnenhaalt mag nog grotere opdrachten verwachten.

Chirac dacht Europa binnen te halen, Europa als uithangbord boven zijn carrière, het leek gemakkelijk.
Maar het uithangbord viel op het geëerde hoofd, en volgens degenen die het kunnen weten, gaf dat een klap.

Europa heeft een probleem.
Dat zeggen diezelfden die het kunnen weten. Vroeger waren dat de onderwijzers, nu de journalisten en politieke commentatoren.

Europa is een probleem.
Altijd geweest.
En laten we maar hopen dat het zo mag blijven want de stilte van de totalitaire administratie, de rimpelloze vijver van de eenheidsworst, dat is pas een probleem.

Erasmus schrijft:
“ Ik wil een wereldburger zijn, aan allen te behoren. Of meer nog: een niet-burger zijn.”

Voor een “defectis natalis” (zo noemde men toen een bastaard, een geboorte-ongelukje) een krasse uitspraak.
Zijn pa, priester in Gouda, zijn ma, dochter van chirurgijn in Zevenbergen, ze zagen het samen wel zitten, maar de omgeving zag dat iets minder.
Net als over zijn geboortestad Rotterdam (zijn geboortehuisje werd na het bombardement in de 2de W.O. voor altijd weg geveegd) zwijgt hij liefst over zijn afkomst.
Daarom is hij met zijn naam gaan experimenteren, want als je Gerrit Gerritszoon heet, dan is de plaatselijke veeteelt al een mooi perspectief, maar of je daarmee in Oxford, Parijs of Turijn binnen kunt, is een andere kwestie.

De pest zag Europa niet als een probleem.
Ze gebruikte alle mogelijke handelsroutes en sluipweggetjes en kwam overal.
Als Erasmus zeventien is, sterft zijn moeder aan de pest, en even later volgt zijn vader.
Hij krijgt dan de keuze: of voor jezelf zorgen of het klooster ingaan. Een aardige vorm van OCMW die elk tekort aan roepingen meteen mee oplost.

Voor een man die zich dichter noemt, “een minnaar van rust en schaduw”, is een klooster best een aardige plaats. Je hebt er boeken, gezelschap en veel rust en schaduw.
De man had echter een afkeer van vis en vasten vond hij ook al niets, hij wenste dus vlees te eten en zich te goed te kunnen doen aan Bourgondische wijn al verafschuwde hij slemppartijen:

…alsof het een groot geluk is, door wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door slaap overmand te worden.”

En om het Europese denken toch nog enigszins te ge-denken deze uitspraak van de meester:

“Het taalverschil verhindert geenszins een gesprek tussen mensen met hetzelfde hart”.

Een mooie uitspraak die de pompeuze Alle Menschen werden Brüder best mag vervangen, want liever enkele mensen met hetzelfde hart dan een troep Brüder die zich voor elke kar laten spannen.

WORDT VERVOLGD