22123015

Voor jullie vuurpeloton
van vleugellamme woorden,
het rookgordijn van spraakgebreken,
de hoogtezon
voor die verbleekte lappendeken,
ben ik de spiegel der gestoorden.

Met aan de hals
de negen molenstenen,
de krokodillen van het zondagskind,
de keizerssnee
waaruit de draak die ’t kwaad verslindt
hun hielen likt en ook hun veel te lange tenen.

Ik ben de saboteur
van al die overhitte koelsystemen,
de dwarsdoorsnede van de prullenmand,
een passe-partout
voor leugens in gerafeld noodverband,
waarmee zij dan hun vuile ramen zemen.

De kauwers op ’t papier-mâché
verwijten mij hun zielig kunstgebit,
en spreiden zich in ’t bed der martelaren,
een wassen neus
boven de lakens van hun voorbije jaren,
schuldeloos en toen nog hagelwit.