dyn003_original_379_532_jpeg_20344_6af16bd2f80069144ea3936c40d4f7e7

Bij Plato en Xenophon wordt het het onderwerp van de ‘ te gewillige’ geliefde (éromènes) vaak behandeld, en ook blijspeldichter Aristofanes laat het zien in zijn ‘Ploutos’
Zo discussieert Chrémylos met zijn slaaf Carion.

‘De kinderen’, zegt Carion, ‘zijn als de courtisanes van Corinthië die alleen maar in de rijke ‘klanten’ zijn ‘geïnteresseerd’.’ (letterlijk staat er: zonder nadenken hun billen presenteren)
‘Wel, zo zijn de jongens hier ook. Het is niet de liefde van hun érastes die hen drijven, maar de liefde voor de centen.’

dyn003_original_321_416_jpeg_20344_213bbf5d2454adcc759f33cb19268795

En Chrémylos corrigeert:
‘Niet de eerbare jongens, alleen de prostituees. Eerbare jongens vragen geen geld.’
‘Wat dan wel?’ wil Carion weten.
‘De ene een goed paard, de andere jachthonden…’

En Carion trekt de conclusie:
‘Of je het nu een salaris of cadeau noemt, het is net zo pervers.’

In ‘De Ridders’ wordt het personage ‘Volk’ (Démos) met een knaap vergeleken waar de demagogen gek op zijn en wiens gunsten ze willen winnen.

De ene zegt aan Demos dat hij verslagen is omdat hij de geliefde van Démos is.
De andere verklaart zich de rivaal van deze spreker (l’ antéraste).
‘Al lang, zegt hij, met pruik op zijn kop, pruik die hem als personage typeert, smacht ik naar jou, Volk, ik wil goed voor je doen, ik en ook de anderen, eerlijk en moedig als we zijn. Maar we zijn machteloos, want jij, Démos, jij bent net zoals alle andere geliefde knapen: je duwt de eerlijke minnaars van je weg om je over te leveren aan lampenfabrikanten, sandalen-makers en leer-trafikanten.’

En even later herhaalt Aristofanes de bekende zinnen van de politiekers:
‘Volk, ik ben je geliefde, ik hou van je, ik interesseer me voor jou, ik denk alleen maar aan jouw belangen.’

dyn003_original_350_469_jpeg_20344_8311b37e19174103732476d683b2d481

Het is voor Aristofanes de manier om de Atheners te laten begrijpen dat staatsmannen vaak charletans en filous zijn, gelijk aan minnaars die slechts op zoek naar eigenbelang zijn en voorgeven het belang van de geliefde jongen te zoeken.

Buffière besluit het hoofdstukje met:
‘En somme, Aristophane voit plutôt le mauvais usage de la pédérastie qu’il n’en condamme l’usage.’

En waar worden redenaars, advocaten (synégores) en tragedie-spelers gerekruteerd?
Bij de euryproktoï (die met hun verbrede kont), een woord dat je bij Aristofanes heel vaak zult aantreffen.

Om de massa te entertainen waren dergelijke uitdrukkingen rijkelijk voorhanden, woordenschat die bij de Romeinen nog zou uitgebreid worden.

Dit fragmentje uit ‘de Wolken’ vervolgt met de vraag hoe je de kwaliteiten van een toekomstige politieke leider kunt herkennen?
Hoe weet je dat Charcutier (naam van een geliefd volks personage) in staat zou zijn de belangen van de Staat te dienen?

dyn003_original_350_496_jpeg_20344_66e681f6cc8791c9fb01e27964d54318

Dat bleek heel eenvoudig.
Als jongen had hij een stuk vlees gestolen terwijl hij het keukenpersoneel afleidde met de uitroep ‘kijk daar, de eerste vlinder!’.
En terwijl iedereen naar boven keek stak hij de buit tussen zijn dijen en beweerde hij daarna niets weg genomen te hebben.

Waarop een redenaar had verklaard:
‘ Dit kind zal ooit het volk regeren. Hij heeft al de nodige kwaliteiten, dief, meinedig en rood vlees tussen de billen.’

In het stuk ‘Het Vrouwenparlement’ wordt de vraag gesteld of vrouwen in staat zouden zijn om het volk toe te spreken.
Praxagora verzekert hen dat die opdracht geen problemen zal meebrengen:
‘Wie zijn de meest befaamde redenaars? Zij die het meest heen en weer zwiepen en het hevigst kunnen schudden. En wij als vrouwen, dank zij de hemel, wij kunnen ook wel zo’n soort oefening!’

En verder: ‘Het zijn de meest verwijfden die in de Atheense staat de hoogste functies bekleden. Hoe meer een man zich tot een vrouwenrol leent, hoe hoger hij opklimt in de hiërarchie!’

De Vrouwenbeweging had inderdaad nog een zeer lange afstand af te leggen, en-vergeet het niet- de tederen en minnaars van het schone wacht nog een langere weg.
En bij de ‘onschuld’ van de tedere beminden worden hier al de nodige vraagtekens gezet.