dyn001_original_408_543_jpeg_20344_47b064d2938c6ce01ab1e95c9760d7bb

In de mythes is het verhaal van ‘Het Gouden Tijdperk’ zou je een poging kunnen zien om de wereld van het kleine kind te herscheppen, meent Nussbaum.
Een tijdperk waarin de mensen helemaal niets hoefden te doen, niet te werken, niet te handelen en nergens naartoe te gaan, want de aarde zelf zorgt ervoor dat het voedsel precies op zijn plaats komt waar ze zich bevinden.

Rivieren van melk en honing ontspringen uit de grond en in het milde klimaat is geen behoefte aan beschutting.
De mensen uit dit tijdperk, merkt Hesiodus op, missen elke behoedzame rationaliteit-vermoedelijk omdat ze geen behoefte hebben aan denken.
Ze leven in een toestand van gelukzalige heelheid.

dyn001_original_437_328_jpeg_20344_f6202f8c9c5229fa50ffcb52d28780cc

Stoïcijnen die dit verhaal vertellen voegen eraan toe dat ‘misdaad’ in tijdperk ver weg is, er is geen agressie, want alles is volledig.

Wat deze mythe in wezen beschrijft, is de almacht van het kleine kind, zijn gevoel dat de hele wereld om zijn behoeften draait en er volledig op gericht is om aan al die behoeften te voldoen.

Natuurlijk is de wereld van het kleine kind van meet af anders dan de wereld van het gouden tijdperk.
Freud meent (het is het begincitaat van Nussbaums’ boek) dat voor het kind de rudimentaire ervaringen voor zijn geboorte misschien een echt gouden tijdperk zijn.
Het is veilig met de bron van voedsel en geborgenheid verbonden en verkeert inderdaad in een toestand van gelukzalige heelheid.
En gaat Freud verder, de geboorte verstoort dat allemaal en brengt het kind in een wereld van objecten, waar het voor zijn overleving van afhankelijk is.

dyn007_original_437_566_jpeg__e7d7ffc043c048b26e267ddb16dda3bb

Laat deze wereld op die van het Gouden Tijdperk lijken, er zijn ook perioden waarin de wereld een hongerig, angstwekkend en onbehaaglijk oord is.

‘De aarde blijkt niet automatisch voor alles te zorgen en vanaf het begin ervaart het kind deze wereld van plotselinge transformaties als riskant en poreus, vol onzekerheid en gevaar.
Dit geeft het kind een besef van zijn eigen hulpeloosheid, wat een behoefte aan troost en geruststelling wekt die niet te herleiden is tot lichamelijke basisbehoeften.
Het beeld van Lucretius suggereert dit al, met de min die het kind te eten geeft en kalmeert met sussende woordjes en liefkozingen.’

In de vroege psychoanalytische theorieën van de babytijd werd elke behoefte tot een lichamelijke behoefte herleid.
De Engelse psychoanalist Donals Winnicott (1896-1971) maakte daarop een uitzondering.
Met zijn ideeën bevond hij zich tussen de kampen in, met Freud aan de ene kant en Melanie Klein aan de andere kant.
Dank zij het werk van Martha Nussbaum kregen zijn geschriften weer een nieuwe belangstelling.

Begrippen als ‘vasthouden’, voeding, aandachtige zorg en het scheppen van een ‘faciliterende’ omgeving’ zijn voor hem erg belangrijk.

De beste omgeving, zegt hij, is die tegemoet komt aan de almacht van het kind (die tevens zijn volledige hulpeloosheid inhoudt, wat zijn eis is om het middelpunt van de aandacht te zijn, verklaart.) en deze erkent.

Door zich met het kind te vereenzelvigen weten de verzorgers wat het nodig heeft en zorgen ze voor die dingen: niet alleen voor voedsel, maar ook voor een opmerkzame wisselwerking en geborgenheid.

(denk hierbij aan experimenten met jonge aapjes die zich eerder vastklampen aan een zachte bron die geen voedsel verschaft dan aan een stekelige harde bron die dat wel doet.)

Met de woorden van Winnicott:

‘Het kleine kind dat wordt vastgehouden…is zich niet bewust dat het behoed wordt voor eindeloos vallen. Een kleine nalatigheid in het vasthouden geeft het kind echter die gewaarwording van eindeloos vallen.’

Deze schrille hulpeloosheid zorgt ervoor dat zijn leven veel ruimte biedt aan onzekerheid, bezorgdheid en woede.

Laten we met die mooie zekerheid morgen ‘in luminas oras’ de stranden van licht bezoeken, zoals Lucretius dat zo prachtig uitdrukt.