vergrootglas

Het mooie bij Lucretius is dat hij ons een beeld geeft, geen theoretische verklaring, zegt Nussbaum.
Uit een beeld kun je wel een verklaring afleiden.
En dat beeld verschilt op een aantal punten van de klassiek freudiaanse en kleiniaanse verklaringen.

Het centrale verschil is dat volgens Lucretius het drama van het kleine kind weinig te maken heeft met seksualiteit, zelfs weinig met genot, en al helemaal niet met ‘aangeboren agressie’ zoals Klein stelt.
In plaats daarvan heeft het drama bij Lucretius alles te maken met wat in de antieke wereld ‘externe zaken’ werd genoemd. Met de relatie van het kind tot objecten die van groot belang zijn.

Nussbaum wijst erop dat ook wetenschappers en cognitief psychologen in de analyse van emotionele ontwikkeling van dieren hierop uitkomen.

babyface

Lucretius’ bschrijving geeft drie afzonderlijke aspecten van de behoeftigheid van de baby aan die onderling onherleidbaar lijken.

Als we vervolgens die aspecten bekijken hebben we een uitgangspunt om over de emoties van het kleine kind te kunnen praten.

‘Het komt erop neer dat het beseft hoe belangrijk die externe zaken zijn.’

(Ik zal later terugkomen op het begrip ‘beseffen’ want ik meen dat vele theorieën op ‘hinein-interpretierungen’ lijken vanuit het volwassen al dan niet wetenschappelijk standpunt.)

De eerste en duidelijkste behoefte is de behoefte aan ‘hulp om in leven te blijven’, de lichamelijke basisbehoefte aan voedsel en verzorging die het kind via driften als honger en dorst ervaart.

Volgens Nussbaum is de zich ontwikkelende perceptie van het jonge kind, naar het standpunt zowel van Lucretius als van moderne psychologen, als een ervaren behoefte om pijnlijke of indringende prikkels kwijt te raken en een paradijselijke, vredige toestand te herstellen.

Het begrip ‘herstel’ als het begrip ‘paradijselijk’ horen volgens mij weer thuis in de hineininterpretierung want waarom zou dit ‘kwijt raken’ van die indringende prikkels niet gewoon bij de ontwikkeling (dus geen regressie, maar een ontwikkeling) kunnen horen.

dyn007_original_437_557_jpeg__b605e38a07c0728cec6a946a5625435b

Ik denk dat het Roussiaanse denken -we zullen er weldra op terugkomen- ons meer parten speelt dan we wel vermoeden, of moeten we met gefronste wenkbrauwen toch nog maar eens naar Plato kijken?

Dit ‘herstel’ of ‘verdere ontwikkeling’ houdt verband met overleving en is belangrijk voor een evolutionaire verklaring van de ontwikkeling van het kleine kind en daarmee met de evolutionaire betekenis van zijn zich ontwikkelende emoties.

Natuurlijk ervaart het jonge kind dit ‘herstel’ zelf niet bewust.
Daniel Stern geeft de subjectieve beleving heel mooi weer in de metaforische constructie van een ‘hongerstorm’ in de kern van het bestaan van het kind, een storm die binnenin explodeert met een stroom pijnscheuten totdat de komst van voedsel de storm kalmeert.

dyn007_original_350_466_jpeg__06d43200ae386bf218eb9652ac61cc45

Nussbaum merkt op dat de beelden ‘storm’ en ‘kalmte’ ook door de epicurieërs worden gebruikt om aan te geven hoe we door honger worden geplaagd en hoe opgelucht we zijn als hij bevredigd is.

Naarmate het vermogen van het kind om afzonderlijke objecten waar te nemen zich ontwikkelt en het zich bewust wordt van zijn grenzen, iets wat volgens dezelfde Stern al zou gebeuren in de eerste levensmaanden- geven deze ervaren behoeften in de ‘objectwereld’ van het kleine kind een groot belang aan de objecten die als instanties voor het herstel van het paradijs zorgen. (de heer Milton ter ere)

Wie ook die rol vervult, vader, moeder, verzorgers, dat heeft nog geen belang want ze worden door het kind niet als afzonderlijke objecten ervaren, maar wel als een ‘transformatie’ proces waarin zijn eigen bestaanstoestand verandert.

Bollas noemt de verzorger daarom een ‘transformerend object’ en hij merkt daarbij op dat de daaropvolgende geschiedenis van mensen voor een groot deel het stempel draagt van het vroege verlangen naar dat object, in de vorm van een verlangen naar een ‘tweede komst’ van die overgang naar gelukzaligheid, en naar het object dat daarvan het voertuig kan zijn.

Het heeft als machteloos wezen daarop zelf weinig invloed, en het plotselinge komen en gaan ervan maken de wereld voor het kind een riskante, onvoorspelbare wereld, waarin de beste dingen als bij donderslag verschijnen, alsof er plotseling licht en vreugde tot hem doordringen, aldus een lyrische Nussbaum.

Het Gouden tijdperk?