met glazen bol

 

Op zoek naar de aandacht of afkeer voor seksuele gedragingen, naar oorsprong van verering en hysterie, keerde ik terug naar Martha Nussbaum.

Nussbaum is hoogleraar recht en ethiek aan de Universiteit van Chicago.
Zij is eredoctor aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, aan het Institute of Social Studies in Den Haag en aan de Katholieke Universiteit van Leuven.

Belangrijke boeken van haar: The Fragility of Goodness (nieuwe vertaling in de boekhandel), Love’s Knowledge en Poetic Justice (!)
Haar opus magnum ‘Upheavels of Thought. The Intelligence of Emotions werd in het Nederlands vertaald als ‘Oplevingen van het Denken’, Over de menselijke emoties, en verscheen bij Ambo in 2004.

Op de achterflap:
Oplevingen van het denken’ is het magnum opus van Martha Nussbaum. Dit meesterstuk is gewijd aan de emoties.
Nussbaum laat zien hoe door de eeuwen heen gedacht en geschreven is over de emoties, niet alleen in de filosofie, maar ook in de literatuur en andere kunsten.
Zij ontleent diepe inzichten aan Dante, Joyce en Proust, schrijft over de emotionele betekenis van muziek en film, en brengt ook persoonlijke ervaringen- met name de dood van haar moeder- in stelling.

dyn001_original_364_485_jpeg_20344_515d6429dbda05c1c41f7c5ea414a409

In haar hoofdstuk ‘Emoties en Kindertijd’ sluit ze aan bij Lucretius, een Romeins filosoof waarvan het leerdicht ‘De Rerum Natura’ de verschijningsvormen van de natuur en hun ontstaan beschrijft.
Lucretius was een aanhanger van de Epicuristen, mensen die door de vroeg Christelijke gemeenschap wel eens als ‘krankzinnigen’ werden afgeschilderd omdat ze in de materie de verklaring der dingen zochten en alle goden als bijgeloof verwierpen.

dyn001_original_466_349_jpeg_20344_b698d68aed79477a2318b1cb0212415e

‘Mensen worden evenals de andere dieren geboren in een wereld die ze niet hebben gemaakt en die ze niet in hun macht hebben.’

Of om het met Freud te zeggen, van een absoluut onafhankelijk narcisme naar de perceptie dat de wereld buiten ons verandert en waarin we beginnen objecten te ontdekken.

De huilpeloosheid van het pasgeboren mensenkind is andere diersoorten zo goed als onbekend. Ik citeer Nussbaum die daarna Lucretius aan het woord laat:

‘Wat ze dan ervaren is zowel alarmerend als verrukkelijk. In woorden van Lucretius: het kind dat hulpeloos huilt door de schok van de geboorte,

…ligt als een zeeman die door onstuimige golven aan land is geworpen naakt op de grond, sprakeloos, met behoefte aan alle mogelijke vormen van hulp om in leven te blijven, wanneer de natuur het voor het eerst met weeën uit de baarmoeder van zijn moeder op de kusten van het licht heeft geworpen.
Het vult de hele ruimte met klaaglijk huilen, wat volkomen terecht is voor iemand die in zijn verdere leven blijvend met die problemen te maken heeft.

Ik heb mijn bedenkingen bij Freud die aanhaalt dat het kind zo overweldigt is dat het de nieuwe stand van zaken niet langer kan verdragen en zich geregeld terugtrekt in zijn slaap, tot onze vroegere toestand waarin er geen prikkels waren en waarin objecten werden vermeden, waar je kunt stellen dat de eersrte maanden van het menselijk leven buiten de baarmoeder ook een een voortzetting of een afrondig kunnen zijn van de genese, nodig voor zijn ontwikkeling.

Nussbaum haalt aan dat van in die vroege mensentijd er ‘instanties’ in de omgeving zijn die op de behoefte van het kind toezien en hem alles verschaffen wat hij zichzelf niet kan verschaffen.

‘Die instanties worden daardoor uiterst belangrijk in zijn nog onontwikkelde en onafgebakende bewustzijn van de buitenwereld.
Zijn relatie ermee is vanaf het begin gericht op de vurige wens om veilig te stellen wat de natuur zelf niet verschaft- geborgenheid, voedsel, bescherming.’
En daar verschillen Lucretius en Freud al van mening zoals we morgen zullen zien.