Er is nog geen duidelijk besef bij de baby van de grenzen tussen zichzelf en de ander.
Mysterieuze transformaties ervaart hij en die herleidt hij nog niet tot een zelfstandige oorsprong buiten zichzelf.

Sommige van die processen -dat komen en gaan- die voor zijn bestaan zo belangrijk zijn, heeft hij nog niet in zijn macht.
Nussbaum legt hier een begin van rudimentaire emoties.

‘Emoties zijn een erkenning van die belangrijkheid in combinatie met die machteloosheid. Dat betekent dat de emoties zich geleidelijk ontwikkelen naarmate het kind zich er sterker van bewust wordt hoe belangrijk die transformaties zijn voor zijn bestaan en dat ze kennelijk van buiten komen.’

Zodra het kind de transformatie tot een bepaalde instantie herleidt, die het tot op zekere hoogte van zichzelf kan onderscheiden, krijgen de emoties een object.

Tot de vroegste emoties kun je angst en bezorgdheid rekenen, als de transformatie die op zich laat wachten, vreugde als die plaatsvindt, en gaandeweg steeds meer hoop op het gelukzalige moment dat komt.

In het notenapparaat wijst ze op Wittegenstein (1967):
‘Je kunt een kind observeren en wachten totdat het op een dag blijk geeft van hoop en dan zou je kunnen zeggen:”Vandaag hoopte hij voor het eerst.”
Maar dat klinkt toch heel raar! {…} …en waarom klinkt dat raar? {…} Nu, het dagelijks leven wordt stukje bij beetje zodanig dat er plaats is voor hoop.’ (p469)

maddy

Ik wil even in de marge noteren dat ‘angst’ en ‘bezorgdheid’ net zoals ‘liefde’ hier in hun rudimentaire vormen worden ervaren.
In die rudimentaire vorm van liefde en dankbaarheid het besef dat anderen het kind helpen bij zijn pogingen om in leven te blijven (wat Spinoza’ s definitie van liefde is).

Tegelijkertijd begint het kind ook een zekere verwondering en verukking te ervaren over aspecten van de buitenwereld die geen verband houden met zijn eigen toestand.
Tot die aspecten behoren personen en delen van personen jegens wie verwondering en dankbaarheid sterk onderling verweven kunnen zijn.

Zo zijn gedachten over objecten en over zichzelf nauwelijks omlijnd.
Voor zover de emotie een object heeft, is dat misschien een stukje buitenwereld of, iets later, een deel of aspect van de verzorger, maar nog niet de verzorger als persoon.

Ik denk persoonlijk dat dergelijke ervaringen ook nog bij ons als volwassenen nawerken.
We verbinden bijna automatisch bepaalde eigenschappen aan de voor ons bekende personen, we beperken hen bijna onbewust tot de eigenschappen die bij ons sympathie of afkeer opwekken zonder te beseffen dat zij daarnaast ook nog een werkelijke ‘persoon’ zijn.

De vraag wat het verband is tussen deze emoties en de driften van het kind wijst ons naar de zoektocht naar de ‘nieuwe wereld’, nieuws daarover dat vooral uit zijn eigen eetlust voortkomt.

(is dit het succes van de talloze kookprogramma’s op de mondiale televisie?)

‘Veel nijpende zorgen draaien rond het krijgen van eten en aanvankelijk kan het die zorgen en zijn honger moeilijk van elkaar onderscheiden.
Het is een algemeen gevoel van onbehagen dat genot nastreeft in de epicuristische betekenis , als een afwezigheid van onbehagen en pijn.’

Aan de andere kant verschilt de behoefte aan veiligheid (en warmte) en vasthouden van de behoefte aan bevrediging van driften.
Hoe meer een kind zich bewust wordt van de bronnen van geborgenheid in zijn wereld des te groter dit verschil zal worden.
Net zo min is het streven naar kennis te herleiden tot een bevrediging van driften.

En door dit streven ervaart het kind emoties zoals verwondering, die niet egoïstisch zijn en zelf tot op zekere hoogte niet-eudaimonistisch (een begrip dat Nussbaum vaak hanteert en waarmee de emoties naar het welbevinden van de persoon omcirkeld kunnen worden, eu-daimon, de goede geest).
Dat beïnvloedt ook de structuur van de andere emoties.

‘Hierdoor hebben objectrelaties vanaf het begin een niet-instrumenteel en zelfs niet-eudaimonistisch aspect, zodat het kind zijn eigen emoties als object voor zijn nieuwsgierigheid kan zien.’